In de 19e eeuw waren de hygiënische omstandigheden in Joure nog zeer gebrekkig. Stromend water, riolering en moderne sanitaire voorzieningen ontbraken volledig. Veel mensen deelden één buitentoilet, vaak een eenvoudig houten ‘húske’ dat loosde op sloten of open water. Dit leidde tot ernstige gezondheidsproblemen, waaronder cholera en tyfus. In 1849 eiste een cholera-epidemie in Joure twintig doden in één week.
Om de situatie te verbeteren, stelde de gemeente Haskerland in 1866 een gezondheidsverordening vast. Deze bepaalde onder meer dat elk huis een waterpomp moest hebben en dat secreten aan strikte eisen moesten voldoen. Toch bleef handhaving achter. In 1880 waarschuwde de Jouster Courant dat de gemeente nalatig was en dat “de sanitaire omstandigheden bij lange na niet voldoen”. Een ingezonden brief wees op een school waar fecaliën al zes jaar in een kuil lagen te rotten.
Door een dreigende tyfusepidemie besloot de gemeenteraad in 1881 tot invoering van een nieuw tonnenstelsel met “reukeloze secreettonnen”. Er werden honderden houten tonnen en zinken trechters aanbesteed. De tonnen werden regelmatig geleegd door de gemeentelijke reinigingsdienst of door pachters die het recht op inzameling huurden. De inhoud werd per ‘beerschip’ afgevoerd en gebruikt als mest, vooral op de arme zandgronden in Drenthe en Zuidoost-Friesland.
Tot ver in de 20e eeuw bleven de tonnen in gebruik, vooral in stegen en oudere buurten waar riolering ontbrak. Pas in de jaren 70 verdwenen de laatste húsketontsjes. De allerlaatste ton in de gemeente Skarsterlân werd rond 1986/87 vervangen door een watercloset. Het document sluit af met verhalen van de ‘tonneurs’, de mannen die de tonnen ophaalden. Hun werk bracht soms komische, soms onsmakelijke situaties met zich mee, variërend van verloren sieraden tot extreme stankoverlast en bijzondere taferelen in de stegen van Joure.
De ‘Húsketontsjes’ in Joure
(Het complete artikel)
Het is algemeen bekend dat zo’n anderhalve eeuw geleden de hygiënische omstandigheden in Joure ietwat anders waren dan heden ten dage het geval is. Gas, water en elektriciteit bijv. in de vorm zoals wij die kennen, waren in die tijd volslagen onbekend. Ook in Nederland kwamen om die reden in de 19e eeuw nog veelvuldig besmettelijke ziektes voor zoals bijv. cholera en tyfus; ziektes veroorzaakt door gebrekkige sanitaire omstandigheden en slechte kwaliteit drinkwater. Dit alles mede als gevolg van slechte huisvesting. Vooral in de wat dichter bevolkte streken; in wat mindere mate op het platteland.
Secreten
Toiletten, destijds ”secreten” genoemd, waren alléén te vinden in de huizen van de gegoede burgers. En dan uiteraard nog zonder stromend water! Binnen de lagere bevolkingsklassen moesten vaak meerdere huisgezinnen gezamenlijk slechts één secreet met elkaar delen. Veel van die ”húskes”
loosden bovendien op open water of sloten al of niet via een zinkput. Ook in Joure was dat nog tot ver in de 20e eeuw het geval. Lees er de verhalen van Marten Buis maar op na. Ook de oudere inwoners van thans kunnen zich dat nog zeer goed herinneren. In de eerste helft van de 19e eeuw begon de overheid in te zien dat dit zo niet langer kon met het oog op het gevaar van de verspreiding van besmettelijke ziektes. In 1849 heerste er in Joure nog een cholera-epidemie die veel slachtoffers eiste. De ziekte kwam voor in alle standen. In de week van 1 tot 8 september waren er 20 sterfgevallen. Zelfs éénmaal 6 mensen op één dag! Op provinciaal en gemeentelijk niveau begon men met het uitvaardigen van bouwvoorschriften en zogenaamde ‘bepalingen van gezondheidspolitie’
Om enigszins een beeld te krijgen hoe het zo’n 150 jaar geleden in Joure gesteld was met de sanitaire omstandigheden, heeft Hanneke Staal van het ”Geakundich Wurkferbân” in samenhang met de museumexpositie ”Poepgoed!” enig onderzoek verricht in het gemeentearchief van Haskerland naar gegevens betreffende de gemeentelijke reinigingsdienst en dan meer in het bijzonder naar de ‘húsketontsjes’. Uit de gevonden documenten is door ondergetekende het volgende samengevat.
Verordeningen
In Joure wordt in de gemeenteraadsvergadering van 30 mei 1866 de ‘Verordening met bepalingen van gezondheidspolitie in de gemeente Haskerland’ vastgesteld. In deze verordening staan allerlei bepalingen die betrekking hebben op het bouwen en renoveren van woningen en zaken die van invloed zijn op de openbare gezondheid. Specifiek golden deze bepalingen in bebouwde kommen.
art. 11 elk huis te voorzien van één pomp of vergaderbak van water, tenzij binnen 30 ellen afstand van het huis een algemene pomp of bak beschikbaar is. (NB: 30 ellen komen ongeveer overeen met 20 meter).
art. 12 de secreten mogen niet anders dan in of nabij de woningen worden geplaatst dan volgens opgave en aanwijzing van de gemeenteopzichter der gebouwen.
art. 32 t/m 39 In deze artikelen worden allerlei eisen gesteld m.b.t. de secreten, mestvaalten en andere stortplaatsen van vuil, bijv.:
- het is verboden secreetmest te werpen in vaarten, sloten of kanalen.
- mestvaalten opruimen of anders verbeteren met afdekking en opvang van weglopende gier in bakken.
- secreten alleen te ledigen in door de gemeente beschikbaar gestelde vaartuigen, bakken of karren.
Wat dit laatste punt betreft, staat in art. 36 aangegeven ”dat de aanwezigheid van deze vaartuigen of karren zal worden aangekondigd door het blazen op een hoorn”. Ook het wildplassen zoals wij dat heden ten dage noemen, was destijds al bij verordening geregeld!!
art. 39 Tot slot nog een ”ijzersterk” artikel met de volgende bepaling: binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening moeten alle secreten die niet aan de eisen voldoen, zijn aangepast.
art. 40: Het is verboden om tegen muren of omheiningen van kerken en openbare gebouwen of op of aan de openbare wegen, straten, voetpaden of pleinen te wateren of zijne natuurlijke behoefte te doen. Overtreding zal worden bestraft met een geldboete van 1 gulden. Een dergelijke boete was dus niet mis voor die tijd.
Blijkbaar is dit een moeilijk te realiseren bepaling en was de termijn van 6 maanden iets té optimistisch ingeschat!! Een jaar later komt er n.l. een aanvulling op de verordening waarin de termijn van 6 maanden wordt gewijzigd in de volgende tekst: ‘Te beantwoorden aan de voorschriften op de eerste vordering van B&W en binnen de daarbij te bepalen termijn’.
Reacties Dit laatste was blijkbaar weer een veel te rekbaar en te vrijblijvend begrip, gezien de artikelen in de Jouster Courant van november 1880 toen er in Joure een aantal gevallen van tyfus werd geconstateerd en er een epidemie dreigde uit te breken. In een ingezonden stuk van (graanhandelaar) T.G. Cath stelt deze dat de gemeenteraad met B & W in gebreke is gebleven m.b.t. het handhaven van de geldende verordeningen en eerder genomen besluiten t.a.v. de openbare gezondheid! Er is in de achterliggende jaren niet datgene gedaan wat volgens de verordening vereist was. Als voorbeeld noemt hij dan de nieuwgebouwde school bij het huidige D.E.-plein waar dan al 6 jaar lang - vanaf de nieuwbouw - de fecaliën in een diepe kuil worden verzameld en daar liggen te rotten en te stinken! Ook zet hij grote vraagtekens bij de kwaliteit van het water uit de pomp bij deze school. Deze bevindt zich n.l. in de directe nabijheid van de vroegere begraafplaats!! Ook de hoofdredacteur van de Jouster Courant schrijft in november 1880 in een hoofdartikel dat de sanitaire omstandigheden binnen de gemeente bij lange na niet voldoen aan de geldende verordeningen en dat door de overheid niet datgene is gedaan wat nodig is om de verspreiding van besmettelijke ziekten te helpen voorkomen. ”Voorts”, zo vervolgt de redacteur, ”was het niet alreeds de grote hygiënist uit de oudheid (Mozes S.B.) die aan het volk Israël als een Goddelijke inzetting het volgende voorschreef:
“Gij zult een plek hebben buiten de legerplaats en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten. En gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en wanneer gij buiten gaat zitten daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken”. (Deut. 23:12-13). “Maar wij, kinderen der 19e eeuw, prat op onze beschaving”, aldus nog steeds de redacteur, ” wij slaan die eerste lessen van levenswijsheid in de wind, bevuilen het water om ons heen en verpesten de lucht rondom ons en zijn daarom zelf medewerkers aan besmettelijke volksziekten”. In deze trant gaat onze redacteur nog een poosje door maar doet daarnaast tevens nog een aantal voorstellen en zaken ter verbetering (die overigens al lang conform de verordening hadden moeten zijn uitgevoerd)
-het dempen van sloten en vaarten die niet (meer) voor afwatering of scheepvaart worden gebruikt.
-een betere doorstroming van water naar de veenpolder.
-voorts het invoeren van een zodanig tonnenstelsel, en ik citeer letterlijk: “dat minder dan het tegenwoordige de naakte waarheid laat zien en ruiken”.
Blijkbaar hadden de destijds in gebruik zijnde secreettonnen geen afdekking en gaven ze nogal aanleiding tot stankoverlast. Een nieuw tonnenstelsel, zo gaat de Jouster Courant verder, zal uiteraard geld kosten, maar het is beter dat geld hier aan uit te geven dan aan dokter, apotheker en kerkhof. De waarde van een mensenleven is niet in nog zo veel geld uit te drukken. In een kanttekening geeft de redacteur nog aan dat bij een goede exploitatie van secreetmest er door diverse gemeentes geld mee verdiend wordt bij het verpachten van de inzameling van secreetmest.
Het tonnenstelsel
Kennelijk zien nu ook gemeenteraad met B & W in dat er op korte termijn iets moet gebeuren om te voorkomen dat de tyfus zich nog verder zal uitbreiden: Op de gemeenteraadsvergadering van 4 april 1881 wordt o.a. besloten tot invoering van een “tonnenstelsel met reukeloze secreettonnen”, op kosten der gemeente en in werking te treden per 1 januari 1882. Er volgt nu snel actie: Bestek en voorwaarden worden opgesteld voor: “het maken en leveren van 275 privaattonnen. Te maken van Amerikaans grenen, 22 mm dik, beide zijden gladgeschaafd. Met 3 banden van gegalvaniseerd ijzer, ieder verbonden middels 3 roodkoperen klinknagels. Alsmede 2 ijzeren haken aan elke ton en een gegoten ijzeren ring in de boven bodem van de ton. Buitenwerkse diameter bovenzijde 34cm, diameter onderzijde 41cm, hoogt 43cm. Behalve deze tonnen nog 75 stuks tonnen met iets grotere afmetingen, resp. 38/44/48cm. De bodems onder en boven secuur passend in de kroozingen op te sluiten na vooraf goed in de menie gezet. De tonnen aan de binnenzijde over te verven met lijvige menie. Bij oplevering testen op waterdichtheid. Voorts het maken en leveren van 140 stuks bijbehorende zinken trechters en deksels.”
De aanbesteding
De aanbesteding van deze werken heeft plaats op 25 mei 1881. Timmerman Pieter Thomasma uit Arum gaat de tonnen maken voor fl. 767,50. Trechters met deksels worden gegund aan Sybrandus Petrus Keverling uit Joure voor een bedrag van fl. 97,30. (S P was een neef van de bekende Jouster kopergieter Keverling) Op 31 augustus 1881 wordt een tweede aanbesteding gehouden. Pieter Thomasma is weer de laagste inschrijver. Hij gaat 400 tonnen maken voor een bedrag van fl. 960,- De 200 stuks bijbehorende trechters worden net als daarvoor gegund aan Sybrandus Petrus Keverling, voor een bedrag van fl. 109,90. (Per stuk gerekend valt de 2e aanbesteding dus nogal wat goedkoper uit). Enfin, vanaf 1 januari 1882 heeft de gemeente Haskerland de beschikking over een stelsel met “reukeloze secreettonnen”!!! De verordening wordt nog aangepast met de eis dat voortaan alléén van dit type secreetton gebruik mag worden gemaakt en dat de secreten van de bewoners hiervoor geschikt moeten worden gemaakt.
Verpachting van de Gemeentereiniging
In de 19e eeuw werd bij veel gemeenten de reiniging verpacht aan derden. Blijkbaar was het financieel aantrekkelijk om tegen betaling van een pachtsom ”het recht te verkrijgen tot inzameling en toe-eigening van haard as, vuilnis en secreetmest binnen de kom van het Vlek Joure”. Hetzelfde recht gold voor puin en stenen op de wallen der gemeente aangeboden. De ingezamelde materialen werden door de pachter verkocht aan derden en na aftrek van kosten kon de pachter aldus winst maken. De mest werd veel gebruikt om woeste grond in cultuur te brengen (ontginning). Het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap en materieel werd door de gemeente beschikbaar gesteld aan de pachter. Deze moest dit op eigen risico beheren en gebruiken en bij beëindigen van de pachttermijn (van 3 jaren) weer overdragen aan de volgende pachter. Naar de duur van de periode waarover de gemeente Haskerland de reiniging heeft verpacht, is geen verder onderzoek gedaan in het gemeentearchief. Alléén van een 3-tal pachtovereenkomsten uit de periode 1891 tot 1900 zijn de volgende gegevens bekend:
Periode 1891-1894: pachter was Gosling Tjebbes Vogelaar. Pachtsom: fl. 418,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij te betalen wegens het huren van kerkvoogdijterrein aan de Sluisdijk
Periode 1894-1897: pachter was “Eerste Veenkoloniale Mestverzameling” Stadskanaal. Pachtsom: fl. 401,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij.
Periode 1897-1900: pachter was Pieter Baukes Haagsma. Pachtsom: toelage ad. fl. 120,- te betalen uit gemeentekas. De betaling aan Kerkvoogdij werd blijkbaar door de gemeente gedaan (was uit pachtvoorwaarden gehaald). Uit deze gegevens blijkt dat de gemeente inmiddels op de exploitatie geld moet toeleggen in plaats van er geld aan over te houden! Wellicht de invloed van de kunstmest?
De Tonnetjes in de 20e eeuw
Oorspronkelijk werden de tonnen vanaf de tonnenwagen bij de Slúsdyk overgezet in een bokvaartuig en dan vanaf de Hurdspytse naar de dwingel gevaren; ongeveer op de plek waar nu de Noordelijke rondweg ligt. Daar werden de tonnen geleegd in een gemetselde opslagbak. De lege tonnen werden omgespoeld met een beetje lysol erbij in het spoelwater ter desinfectering en waren aldus gereed voor een volgende ronde. Als de opslagbak vol was, kwam er een ”beerschip” om de ”beer” (half vloeibare fecaliën) op te halen voor verder transport. Meestal werd de beer vervoerd naar streken met een zanderige bodem om daar middels deze organische mest de bodemstructuur te verbeteren. Op deze manier is veel bijgedragen aan de ontginning van woeste gronden in Drenthe en zuidoost Friesland. Schrijver dezes kan zich nog uit zijn jeugdjaren herinneren dat er op gezette tijden (ca.1945-1950) een “beerschip” via de toen nog niet afgesloten Schoterlandse Compagnonsvaart naar Jubbega/Hoornsterzwaag kwam om daar zijn onwelriekende inhoud bij diverse boeren op het land af te leveren. De stank was dan gedurende een aantal dagen tot in wijde omgeving bijna niet te harden!!
Het ”jiskelân” was voor de Jouster jeugd altijd een plek waar ze graag naar toe gingen. Je kon daar van alles vinden wat iemand anders als rotzooi had weggedaan. Maar ook wel overgebleven fruit van de groenteboer dat nog niet helemaal verrot was en nog best eetbaar was. Je kon daar ook leuk spelen. Uit zeer betrouwbare bron is mij verzekerd dat je, als je een beetje vlug en handig was, best wel over de drijflaag in de fecaliën opslagbak kon lopen! Het mislukte ook wel eens en hoe kom je dan thuis bij je moeder? Je kleren in de (oude) Schipsloot uitspoelen ging best, alleen de geur was er niet uit te wringen! In het kader van dit artikel valt nog te vermelden dat het vaste huisvuil en ander afval vroeger jarenlang werd gestort in petgaten iets verderop in de Haskerveenpolder. Die werden er deels mee gedempt en met een laag(je) teelaarde afgedekt zodat er grasland mogelijk werd. Door Cees Boersma, veehouder aan het Kanaal, is mij ooit verteld dat zijn koeien wel eens door die bovenlaag heen zakten en hun poten bezeerden aan scherpe stukken die daar in het verleden gestort waren. Tonnen die in de loop der jaren defecten vertoonden, werden nog heel lang gerepareerd door Willem Wiersma aan de Slachtedijk (de vader van accordeonist Gerard).
In de Jouster Courant van 27 Juni 1952 wordt melding gemaakt van het dempen van de opvaarten aan de Boterstraat en de Vissteeg. Deze opvaarten stonken enorm en waren overbodig voor de scheepvaart. “Boter en vis zijn organische producten, die, wanneer ze tot ontbinding overgaan, geuren verspreiden die nu niet bepaald strelend zijn voor het menselijk reukorgaan”, aldus één der leden in de gemeenteraadsvergadering alwaar het besluit tot demping werd genomen. In de Jouster Courant van 6 Februari 1953 lezen we dat de reinigingsdienst van Haskerdijken is verpacht aan de heer S. Welles. Hij krijgt hiervoor 400 gulden per jaar. Omdat zijn ronde is uitgebreid, wil hij voor het komende jaar een vergoeding van 500 gulden. De raad toont begrip en gaat akkoord. Er komt een gemeentelijke subsidie van 25 gulden wanneer de privaatton wordt vervangen door een watercloset. Een belangrijke beslissing is het aanvaarden van een omvangrijk rioleringsplan. In de Beerskesteeg, Bloemsteeg, Gerben Martenssteeg, Vissteeg en Kakelsteeg heersen ”middeleeuwse toestanden”, met stinksloten en soms slechts enkele tonnen voor tientallen mensen en meer gezinnen. Dit is vragen om infectieziekten. Totale kosten van e.e.a. fl. 493.000, - Daarnaast nog een bedrag van fl. 207.000, - voor de aanleg van een Imhoff bezinktank als rioolwaterzuivering voordat het rioolwater op de Zijlroede wordt geloosd. Tot ongeveer begin 70-er jaren zijn in HASKERLAND de laatste tonnen in gebruik geweest. Het waren met name díe woningen die niet op het rioleringsstelsel waren aangesloten die nog van een privaatton gebruik moesten maken. In Joure waren dat woningen op ”Lyts Luchtenveld” (in 1968 afgebroken) en aan de Groenendalsteeg. Verder nog een aantal woningen in Haskerdijken /Oudehaske/ Haskerhorne/ Delfstrahuizen. De allerlaatste ton die in de gemeente, inmiddels samen met Doniawerstal SKARSTERLAN genoemd, nog in gebruik was, had zijn plaatsje in (of bij) de woning direct naast de kerk in Scharsterbrug. De ”tontsjeauto” was al lang niet meer in gebruik zodat de ton werd geleegd in de ”jiskewein” en vermengd met het gewone huisvuil. Zo rond 1986/87 kwam ook daar een W.C. de taak van het húsketontsjes overnemen.
De inhoud van de tonnen werd in de nadagen van het stelsel geleegd in een betonnen kuilsilo bij boer Sytsma in de Haskerveenpolder omdat de dwingel onderhand was gesloten en op die plaats inmiddels de nieuwbouw van woningen richting ”Skipsleat” had plaatsgevonden. De kieviten en grutto’s op het land van boer Sytsma vonden zodoende goed nestmateriaal in de papierresten afkomstig uit de tontsjes.
De tonneurs
De laatste ”tonneurs” in Joure waren: Hendrik de Vries (uit de Vissteeg), Murk de Vries (uit de Kaekelsteeg), Siebren Vermaning (van de Scheen), Pier Postma (voorman), Franke Borger (later brêgewipper), Wisse van der Meulen, Jetze Kamminga, Minne Bosma, Job Veenstra, Kees Postma en Lukas van der Molen, (alleen als invaller, werkte normaal bij de jiskewein)
In St. Nyk waren de laatste medewerkers van de tonnenophaaldienst: Jappie Mink, Hessel Nijholt, Hendrik Draaier en Bouke de Jong (alleen als invaller).
Wat beleefden de tonneurs?
Enige wederwaardigheden uit het leven van de Jouster tonneurs opgetekend uit de mond van Lukas van der Molen: Het gebeurde wel eens dat bij de schoonmaakhandeling op het toilet een gouden ring of armband een verdieping lager terecht kwam. Dit overkwam ook een Jouster mevrouw. Bij de eerstvolgende tonnenwisseling vroeg ze dan ook heel timide aan de tonnenman of de inhoud van de ton ook kon worden overgegoten in een andere ton opdat het verloren sieraad kon worden teruggevonden. ”Nou, dat is niet nodig hoor”, zei Lukas, ”ik vind hem zo wel!” Hij stroopte de mouw van zijn overall op en diepte met blote handen de armband van de bodem op. Regelmatig kwam het voor dat tijdens het wisselen van de ton het toilet “bezet” was. Menige eerbare huisvrouw is zich tijdens een rustig zitje lam geschrokken door het gerammel van de heren tonneurs vlak onder haar achterste. Er werd niet altijd door de mannen gewaarschuwd. Vooral niet als er op bepaalde adressen wat jongere dames woonachtig waren. Wij kunnen ons dat heden ten dage maar moeilijk voorstellen maar als bij slager Brugt Zijlstra de ton werd gewisseld dan ging dat verkeer door de slagerij, rakelings langs de geslachte halve varkens die daar aan de haken hingen. Tijdens het ”skoft” zo rond de middag, zaten de tonnenmannen regelmatig lekker van hun gebakken visje te genieten op de treeplank van hun tonnenauto bij de visboer. Die combinatie met de bekende penetrante geuren rond de auto deed menig Jouster passant griezelen. De tonnenauto werd in zijn nadagen enigszins wrakkig. Ook de motor had z’n beste tijd gehad. Dat het gebeurde eens op een rit naar Delfstrahuizen dat de radiateur begon te koken en nogal wat water verloor. Het koelwater moest worden bijgevuld ergens bij een poldersloot. Vraag: Hoe krijg je water uit de sloot in de radiateur? Antwoord.: Schep met een lege privaatton water uit de sloot en schenk het met de drinkbeker van de thermosfles - met koffie - in de (nauwe) opening van de radiateur. Schud de beker goed leeg en ga dan pas koffiedrinken. Opm. S.B.: Aan de hand van bovengeschetste bezigheden behoeft het geen verder betoog dat de mensen van de reinigingsdiensten op die manier wel een flinke mate van weerstand tegen ziekten opbouwden en dus vrij weinig ziek waren. Hetzelfde geldt overigens ook voor mensen die op rioolwaterzuiveringen werken.
Er werd door de Jouster tonneurs ook wel eens meegewerkt aan statistisch onderzoek bij de bevolking. De toentertijd welbekende NVSH (Ned. Ver. voor Seksuele Hervorming) was ook in Joure als verspreider van anticonceptiva niet onbekend; dat op deze manier werd de frequentie van de activiteiten tijdens het liefdesspel van menig Jouster echtpaar regelmatig in kaart gebracht door de heren tonneurs middels het tellen van het aantal aanwezige condooms in de ton. (De uitkomsten van deze tellingen werden dan op straat meteen maar even luidop besproken en geanalyseerd).
Ergens aan de Keakelsteech stond een húske waar na het doen van de grote boodschap géén húskepapier meer voorradig was.
Vraag: Hoe wordt de uitlaatopening gereinigd…??
Antwoord.: Met je blote handen natuurlijk!
Ja, en hoe dan verder?
Antwoord: Aan de wand afvegen, niet zo moeilijk doen!
Aldus werd dit de standaardprocedure in húske Keakelsteech. Na verloop van tijd begon de kleur van het húske-interieur dus enigszins te veranderen. Dat echter niet alléén, maar ook de directe omgeving van húske Keakelsteech begon ook heel anders te geuren. Dit nu in zodanige mate dat de heren tonneurs er niet meer wensten te tonneren wegens de onprettige reuk nabij het húske. De húske-bezitter toog daarop naar de chef-tonneur en deed daar zijn beklag over de werkweigering van diens ondergeschikten. Dadelijk ging de chef mee naar het etablissement aan de Kakelsteeg om ter plaatse de zaak in ogenschouw te nemen. Na de zaak te hebben bekeken en de geur kort maar heftig op zich te hebben laten inwerken, verklaarde de chef-tonneur dat zijn personeel alléén verplicht was de ton mee te nemen als deze door de eigenaar van het húske buiten was gezet op minstens 5 meter afstand van het húske (of daarbij nog met de windrichting rekening moest worden gehouden, vermeldt de geschiedenis niet). Aldus werd dit de vervolgprocedure bij húske Keakelsteech. Als het soms wat laat was geworden bij de tonnenophalerij werd een scherpe bocht in de weg wel eens met ietwat te hoge snelheid van de tonnen auto genomen. De deksels op de tonnen, maar ook de inhoud daaronder, bleven dan niet altijd op hun plaats. De definitie van ”reukelooze” tonnen was dan, duidelijk te ruiken, niet meer van toepassing.
Colofon
Tot besluit: Hoewel er nog veel moeite is gedaan om oude foto’s van de Jouster tonneurs en hun activiteiten te achterhalen, o.a. bij familie van de bovengenoemde laatste medewerkers van de reinigingsdienst, is dit helaas niet gelukt.

