Een Jouster Herberg in oude stijl


Een Jouster Herberg in oude stijl
© Foto voorblad: Stichting Ut Eigen Gea, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: Met toestemming van de rechthebbende

Een Jouster herberg oude stijl

                                     (samenvatting)

Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen.

De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten.

Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf.

In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina.

In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.

 Een Jouster herberg oude stijl

 (Het complete verhaal)

‘De Ster’ en de stichter.

Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven.

Timmerman en tapper

In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename.

Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden.

Jouster-Merk

Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven.

De stamhouder

Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure.

De laatste loodjes

We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest.

De teloorgang van herberg ‘ De Ster’ 

In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren.

Van Franeker naar Joure

Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd.

Een bijzondere meevaller

Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden.

De Kramer vergadering

Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.

© Tekst: Piet Rigter van der Zee © Foto voorblad: onbekend, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: onbekend
Lees meer

Gerelateerde informatie


Foto’s



Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Stichting Ut eigen Gea)