Een natte winter 1965-1966 (Goingarijp en Terkaple onder water)
De winter van 1965–1966 stond in Friesland bekend als uitzonderlijk nat. Na extreme regenval veranderden dorpen als Goingarijp en Terkaple binnen korte tijd in kleine eilanden, omringd door een uitgestrekte watermassa die reikte van Sneek tot voorbij Terkaple. Wegen verdwenen onder water, waardoor bewoners alleen nog tussen paaltjes door konden rijden om het asfalt te vinden. Auto’s liepen gemakkelijk vast; wie een deur opendeed, riskeerde dat het water naar binnen stroomde.
In huizen en schuren stond soms bijna een meter water. Kolen, nog de belangrijkste brandstof, dreven weg of raakten onbereikbaar. Aardappelen dreven in kelders, kinderen vielen voortdurend van geïmproviseerde plankieren, en dieren moesten soms hals over kop worden gered. Ondanks alle ongemakken toonden de dorpen opvallend veel vindingrijkheid en saamhorigheid. Toen de waterleiding uitviel, legde het waterleidingbedrijf zelfs een bovengrondse plastic noodleiding aan.
Het gemeentebestuur verbood autoverkeer om verdere schade aan de doorweekte wegen te voorkomen, maar toch kwamen in het weekend ramptoeristen kijken naar de “Friese binnenzee”. De overstromingen waren mede het gevolg van grootschalige inpolderingen, ruilverkavelingen en moderne bemaling, waardoor natuurlijke waterberging verdween. Pas met de bouw van het Hooglandgemaal werd het probleem structureel opgelost.
Impressies van een natte winter (1965/’66)
Na de heel erg droge zomer van 2003 kan het interessant zijn om nog eens wat herinneringen op te halen aan de natte winter van 1965-1966. In de herfst ontstond er na overvloedige regenval in korte tijd een situatie, waarbij de dorpen Goingarijp en Terkaple binnen heel korte tijd als eilandjes in een zee van water lagen. Akmarijp ontsnapte voor een deel ternauwernood aan overstroming.
Natuurlijk was er ook daar veel schade en ongerief door de hoge waterstand, maar een algehele duik onder het wateroppervlak bleef de mensen bespaard. Niet alleen de landerijen, maar ook de wegen waren op verschillende plaatsen onder het water verdwenen. Om van Terkaple naar Goingarijp te kunnen gaan, moest men per fiets of auto tussen twee rijen paaltjes blijven rijden, om er zeker van te zijn, dat daar onder het water asfalt lag. Bovendien moest je met de auto heel voorzichtig rijden, want bij te grote snelheid was er een grote kans dat de motor afsloeg. Deed men dan de deur open om uit te stappen, dan liep de wagen vol water.
Aardappelen dreven in de kelder
Op verschillende plaatsen waar water op de weg of op de erven stond, maakten de bewoners met allerlei materialen bruggetjes om met droge voeten in huis te kunnen komen. Natuurlijk bracht deze manier van dagelijks leven veel ongerief met zich mee. Stel je voor: ’s nachts loopt ineens de polder, waar je huis staat, vol water. Als je de volgende morgen wakker wordt, blijkt in het schuurtje achter je huis bijna een meter water te staan en onder die meter water ligt ergens de brandstofvoorraad voor de kolenkachel. Het aardgastijdperk was nog niet aangebroken. Dus geen brandstof, geen warmte. Brandstofhandelaar Dijkstra en anderen uit Joure, kwamen bijna dagelijks de voorraad aanvullen; een half mudje kolen in de gang onder de kapstok was de enige oplossing. Winteraardappelen? Die dreven in veel gevallen rond in de kelder. Jonge moeders werden bijna tot wanhoop gedreven als hun kind bij het buiten spelen voor de vierde keer op een dag van het plankier, dat van de weg naar de deur leidde, afgleed en in het water terecht kwam. Hoe kreeg je het voor elkaar je kind iedere keer weer van droge kleren te voorzien? Even in de droger ging niet, want die waren nog niet uitgevonden.
Tal van grote en kleine problemen deden zich voor. En dan de man, die, toen het ’s morgens licht werd, ontdekte dat de polder achter zijn huis die nacht vol was gelopen en het water tegen de muren van zijn huis klotste. Ineens realiseerde hij zich, dat achter in de lager gelegen tuin zijn konijnen nog in de hokken moesten zitten .Tot zijn middel door het water wadend, begon hij aan een reddingspoging. De dieren bleken met moeite de kopjes boven water te kunnen houden. Gelukkig had de buurman nog logeergelegenheid op het droge voor de beestjes.
Nood maakt vindingrijk
Hoewel het dagelijks leven voor de inwoners van de dorpen ineens een stuk ingewikkelder was geworden, was het opvallend hoe snel en soepel de aanpassing aan de nieuwe situatie verliep. Mensen in noodsituaties blijken vindingrijk te zijn. Ook de saamhorigheid in de dorpen was in die benarde tijd groot. Goingarijp kreeg te maken met een nieuw probleem,
toen bleek dat de leidingwatervoorziening stokte. De druk was verdwenen en de kranen druppelden nog wat na. Blijkbaar was er ergens een lek ontstaan, maar dat was onder het wateroppervlak niet op te sporen. Het waterleidingbedrijf heeft toen bovengronds een plastic leiding aangelegd van Terkaple naar Goingarijp. Een mooie noodvoorziening en nu maar hopen dat het niet te hard zou gaan vriezen, want dan zou de drinkwatervoorziening weer gevaar lopen te bevriezen.
Auto’s verboden
Het gemeentebestuur van Utingeradeel verbood het autovervoer over de wegen, omdat de ondergrond en de bermen totaal doorweekt waren. Slechts met een speciale vergunning voor de inwoners, de streekbus en de toeleveringsbedrijven mocht men de wegen berijden. Tóch kwam er in de weekeinden nog ramptoerisme op gang. Elke automobilist kreeg een bekeuring van tien gulden. Voor veel kijkers bleek dat geen bezwaar. Met vier personen in de wagen beschouwde men dat in veel gevallen als een toegangsprijs per persoon van een rijksdaalder. Het is in deze tijd niet meer voor te stellen, dat er één grote zee was ontstaan van Sneek tot voorbij Terkaple. Sneekermeer en Goingarijpsterpoelen waren niet meer van het land te onderscheiden. Het was een enorme watermassa geworden, waarin van alles ronddreef wat oorspronkelijk op een boerenerf lag opgeslagen.
Oorzaak?
Hoe had dat ooit kunnen gebeuren? In de zestiger jaren werd in Friesland veel boezemland (bûtlân) ingepolderd. Deze gebieden waren oorspronkelijk bedoeld als waterberging in tijden van extreem hoog water. Door de vele inpolderingen gingen deze opslagplaatsen voor water verloren. Ook door de vele ruilverkavelingen en betere bemaling met moderne gemalen, in plaats van de oude (Amerikaanse) windmolentjes, werden de polders veel sneller leeggemalen en daardoor het boezempeil veel sneller verhoogd. Het provinciale Woudagemaal (Teakesyl) bij Lemmer kon dat niet snel genoeg verwerken en dus steeg het boezempeil bij extreme regenval enorm snel. Toen in de jaren daarna het Hooglandgemaal bij Stavoren werd gebouwd, was het leed snel geleden. Nu, na de eeuwwisseling, is echter de discussie weer op gang gekomen over de stichting van nóg een nieuw gemaal, mede door de overvloedige regenval van de laatste jaren.

