It Skipkefolk fan Sint Nyk
It Skipkefolk fan Sint Nyk
Beschrijving van de geschiedenis van de schippers uit Sint Nicolaasga (Sint Nyk), een gemeenschap die vanaf 1834 sterk verbonden raakte met de binnenvaart. In dat jaar kreeg het dorp een bevaarbare verbinding met open water, wat leidde tot een bloeiende lokale scheepvaartsector. Rond 1850 telde Doniawerstal 42 schippers, samen goed voor 485 ton vrachtcapaciteit. Tussen 1840 en 1960 waren er in Sint Nyk zestien gezinnen die hun bestaan volledig op het water vonden. De economische omstandigheden wisselden sterk: tussen 1862 en 1876 kende de regio voorspoed, maar vanaf 1877 volgde een zware terugval. De winters van 1889 en 1890 waren dramatisch; sommige schippers zaten ‘130 dagen ingevroren’, afhankelijk van armenzorg. Rond 1904 verbeterde de situatie. Houten schepen maakten plaats voor ijzeren skûtsjes, de turfhandel bloeide en het afgraven van terpen zorgde voor extra vracht. Sint Nyk kende verschillende typen schippers: praam-, vracht-, turf- en beurtschippers. Een bekende beurtschipper was Jelle Reins de Jong, bijgenaamd Jelle Koekoek, die bekendstond om zijn sterke verhalen. Het document focust vervolgens op drie schippersfamilies die generaties lang actief waren: Agricola, Kuipers en De Jong.
De familie Agricola begon met Yde Sakes Agricola (1805), waarschijnlijk de eerste turfschipper in Sint Nyk. Zijn kleinzoon Gerrit Agricola liet een nieuw skûtsje bouwen bij Wildschut in Gaastmeer. Zijn huwelijk bleef kinderloos, waarmee de familielijn als schippers eindigde.
De familie Kuipers stond bekend als vaardige zeilers. Ynte Baukes Kuipers combineerde schipperen met een winkel en veehouderij. Zijn neef Hendrik en zoon Johannes waren eveneens actief op het water. Na een incident waarbij zij een brugwachter uitscholden, kregen ze een boete. Rond 1903 verliet Johannes het water vanwege concurrentie van het spoor.
De familie De Jong leverde meerdere generaties schippers. Bauke Pieters en zijn zonen voeren met verschillende schepen, waaronder de Res Nova en later De Onderneming. De reizen, vooral naar Valthermond voor turf, waren zwaar en vergden veel handwerk, zoals het lossen bij lage waterstand. In de jaren ’50 werd het schip gemotoriseerd. Rond 1960 werd De Onderneming omgebouwd tot woonboot, waarmee het laatste schip uit Sint Nyk verdween.
Het complete artikel uit Ut eigen Gea nr.2 van 2004
Wanneer we over de Kade lopen, herinnert ons alleen nog het naambordje dat hier water is geweest. We gaan terug naar 1834, in dat jaar kreeg Sint Nyk een bevaarbare verbinding met open water. Al vrij snel ontwikkelde zich hier een bloeiende bedrijfstak. Doniawerstal kende in 1850 42 schippers, goed voor 485 ton. Ook Sint Nyk ging mee in de vaart der volkeren. Tussen 1840-1960 waren er maar liefst 16 gezinnen die hun brood op het water moesten verdienen. De periode kende magere en vette jaren. Economisch ging het tussen 1862 tot 1876 goed. Er werden veel woningen gebouwd en alle bouwmaterialen kwamen voor een groot gedeelte per schip naar Sint Nyk. Rond 1877 stortte de economie in en kreeg menig schipper het moeilijk. De strenge winters van 1889 en 1890 waren rampzalig. Zo zijn er gegevens dat schippersgezinnen 130 dagen ingevroren zaten, hun enige hoop was gevestigd op de armenzorg. Rond 1904 ging het beter, de houten scheepjes werden verkocht en ijzer deed zijn intrede. De turfhandel ging goed en in Friesland werd begonnen met het afgraven van de terpen om de schrale landerijen te bemesten. Sint Nyk kende verschillende soorten schippers, er waren praam-, vracht– en, turfschippers en zelfs een beurtschipper. De beurtschipper was Jelle Reins de Jong, hij voer op Sneek en woonde met zijn gezin op het schip. De Sint Nyksters kenden hem als Jelle Koekoek.
Neist skipper wie Jelle ek een man fân smoute verhalen. As hy op reis wie nei Ychtenbrêge en der stie een stive wyn op ‘e Tsjûkemar dan krûpte Jelle op de hege side fan syn skip. Mei een lange bokkepoat tarre hij dan de helte fan it flak. Op ‘e weromwei pakte hy dan de oare helte. Op dyselde mar hie der ek in broerke op it âlde tsjerkhôf ferlern. Jelle fertelde as it wetter helder en stil is, kinne jimme it grêfstientsje lizzen sjen.
Het zal teveel zijn om alle vracht- en turfschippers te beschrijven, dus beperk ik me tot drie families die het een aantal generaties vol hebben gehouden. Het is waarschijnlijk Yde Sakes Agricola (1805) die zich als eerste turfschipper in Sint Nyk vestigde. Yde trouwde met Antje Bosma (1805) en zij kregen 4 kinderen. Zoon Johannes Ydes (1846) werd schippersknecht, trouwde met Engelina Derksen (1843) en zij kregen drie dochters en één zoon. Deze zoon, Gerrit (1875), trouwde met Elisabeth de Vries
en de oudere Sint Nyksters weten zich nog te herinneren dat Gerrit Schipper op de Kade woonde, waar je turf, aardappelen, wortelen en raapjes kon kopen. Gerrit was een schipper die van deugdelijk materiaal hield, hij liet bij Wildschut in Gaastmeer een nieuw skûtsje bouwen. De prijzen bedroegen in die tijd ƒ 100,00 per tonnage. Het huwelijk van Gerrit en Elisabeth kende geen kinderen en zo raakte er een einde aan de schippersfamilie Agricola.
De tweede familie die eruit springt, zijn de Kuipersen. Op de Lemmerweg woonde Ynte Baukes Kuipers (1833). Hij was naast schipper ook winkelier en koemelker. Als schippersknecht woonde zijn neef Hendrik Tietes Kuipers (1835) bij hen in. Ynte was getrouwd met Trijntje Johanna Rijpkema, zij kregen 7 kinderen, waaronder zoon Johannes, die schippersknecht werd bij de familie. In de familie Kuipers zaten 'betûfte' zeilers; in 1897 en 1901 wonnen ze resp. een eerste en een tweede prijs op Langweer. De lef en brutaliteit van het hardzeilen pakte voor Hendrik en Johannes op 21 juni 1902 verkeerd uit. De rechtbank van Leeuwarden veroordeelde de heren wegens het beledigen van brugwachter Auke Leenstra van Nyezyl onder Oosthem. Het taalgebruik als 'aap' en 'smeerlap' werd niet getolereerd met als gevolg een boete van ƒ 5,00 en te betalen binnen 2 maanden, zo niet dan een hechtenis van 5 dagen. Johannes trouwde met Akke Obes Veltman en ze vertrokken naar Sloten. Hendrik Tietes (1836) trouwde met Reinske Johannes Hettinga (1843) en werd zelfstandig schipper. Hun zoon Johannes (1873) trouwde met Elske Wiebes Jonkman (1877). Johannes probeerde het nog maar het spoor werd zijn grote concurrent. Rond 1903 verliet hij het water en ging werken bij het spoor als perronmedewerker.
De laatste familie is de familie De Jong. Op de Lemmerweg woonden Pieter de Jong (1818), timmerman en Wikjen de Vries (1826). Ze kregen 4 kinderen, waaronder de jongens Bauke Pieters (1855)
en Hylke Pieters (1859), die hun werk op het water zochten. De jongste van de twee, Hylke Pieters, trouwde met Feikje Hylkes Veldman; ze kochten het skûtsje 'op Hoop van Zegen'. De vracht bestond uit turf, zand of modder. Zoon Pieter (1892) voelde weinig voor het water en het schip werd rond 1935 verkocht aan de kermisman Dirk Arjaans, die geen turf of modder onder de luiken wilde maar een luchtschommel en oliebollenkraam. Jaarlijks kwam het skûtsje nog in Sint Nyk, een zegen voor het jongvolk, die bij windstilte de schipper verdienstelijk was door in de ‘beage’ te lopen. De oudste zoon, Bauke Pieters, trouwde met de schippersdochter Gatske Jozephs de Jong (1866). Het gezin kreeg een Wikje, Pieter, Bauke, Jozeph, Aaltsje en Akke. Bauke Pieters zijn eerste schip was een snik, deze bleek al snel te klein en hij kocht een skûtsje. Toen Bauke Pieters ouder werd, gaf hij het helmhout over aan de zonen Pieter en Jozeph. Dochter Akke ging ook mee aan boord voor het huishoudelijke werk. Het is bekend dat dit driemanschap wel eens met een natte lading turf thuiskwam. De oud-schipper die zijn kinderen opwachtte was dan slecht te spreken over de waaghalzende taferelen van zijn kinderen. Pieter trouwde met Julia Jellesma en Jozeph bleef op de wal, die met Gerrit Agricola de brandstoffenhandel 'Firma Agricola/De Jong' begon. Pieter Baukes verkocht het skûtsje en kocht in Zwolle een Hasselter aak 'Res Nova' (nieuwe zaak) van 60 ton. Ook dit schip bleek al snel te klein en werd verlengd naar 82 ton en heette voortaan 'de Onderneming'.
De vracht bestond uit turf, kleimodder of suikerbieten. De turf kwam uit Valthermond en voor het gezin De Jong was dit een vakantiereis. Op de plaats van bestemming werd het schip zorgvuldig geladen met turf. Zondags ging de familie eerst naar de kerk in Emmen, daarna een uitstapje naar de dierentuin. Op de terugweg was het vakantiegevoel snel over. Ze moesten door 80 bruggen en bij een lage waterstand werd 'de Onderneming' met lieren door de modder getrokken. Op Scharsterbrug of Follega moest een groot gedeelte van de lading worden gelost. Met paard en wagen ging dit naar de bakkers. Nu kon uiteindelijk gedacht worden aan de thuishaven. In de jaren '50 werden de zeilen vervangen door een motor en stuurhut. Rond 1960 kreeg 'de Onderneming' een nieuwe bestemming. Timmerman Bertus Steneker verbouwde het schip tot woonboot voor Theo Pieters, deze ging er op wonen in Rinsumageest en zo verliet het laatste schip de kade van Sint Nyk.
Colofon
Tresoar
Achief Skarsterlán
Baukke en Joop de Jong

