Oud-Jouster en de E van EDAH


Oud-Jouster en de E van EDAH
© Foto voorblad: Stichting Ut Eigen Gea, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: Met toestemming van de rechthebbende

Oud-Jouster tekende voor de E van EDAH

Het artikel beschrijft de geschiedenis van de familie Ebben uit Joure en hun onverwacht grote rol in het ontstaan van de landelijke winkelketen Edah. De aanleiding is dat Jacobus Johannes Ebben, geboren in Joure in 1875, voor veel huidige inwoners geen bekende naam meer is, terwijl hij in 1917 medeoprichter was van de N.V. Handel in Koloniale Waren EDAH.

De familiegeschiedenis begint met Lambertus Jacobus Ebben, die in 1863 vanuit Udenhout naar Joure kwam en trouwde met Trijntje de Jong. Lambertus werkte als marskramer en later als agent voor Douwe Egberts, waarvoor hij te voet door Friesland reisde. Het gezin woonde aan de Midstraat, waar zij een winkel in ijzerwaren runden. Na een grote brand in 1881 werd hun huis herbouwd, maar Lambertus overleed al in 1886. Zijn vrouw en kinderen, onder wie zoon Jacobus, zetten het werk voort. Jacobus werkte vermoedelijk in de winkel van Cornelis Johannes de Jong, later de tweede stichter van Douwe Egberts. Deze ervaring vormde zijn handelsgeest. In 1900 vertrok Jacobus naar Helmond, waar hij een winkel in koloniale waren begon. Dit groeide uit tot een kleine keten, waarin ook familieleden werkten. In Brabant en Limburg vestigden zich rond dezelfde tijd meer Friese ondernemers. In 1910 richtten vier van hen — Ebben, Dames, Aukes en Hettema — de Combinatie Edah op, bedoeld voor gezamenlijke inkoop. In 1917 werd dit omgezet in de N.V. EDAH. De Jong werd commissaris en bleef tot 1935 betrokken. Jacobus Ebben stapte in 1923 uit de N.V., maar zijn winkels werden later alsnog overgenomen. Jacobus werd in Helmond een bekend politicus en overleed in 1961. De Wethouder Ebbenlaan herinnert aan zijn betekenis — een Jouster die nationaal zijn sporen naliet.

Oud-Jouster tekende voor de E van EDAH

 (Het complete artikel)

Straatnamen zijn onmisbaar als onderdeel van adresgegevens maar veel van die namen zijn meteen ook bruggen naar het verleden. Dat is het geval als gekozen is voor straatnamen die herinneren aan bekende persoonlijkheden. Leden van koninklijke families, presidenten, staatslieden, wetenschappers, componisten, dichters, schilders en schrijvers, altijd en overal goed voor een straatnaam. Men kan echter ook dichter bij huis blijven. Dat heeft men in Joure in ruime mate gedaan, alhoewel men daar ook heeft gedacht aan Einstein, Pasteur, Madame Curie en nog een handvol andere beroemde wereldburgers van weleer. Maar terecht is in straatnamen ook de herinnering bewaard gebleven aan Jousters die zich in het verleden op de één of andere manier verdienstelijk hebben gemaakt voor de samenleving. In het straatnamenboek komen we al die bekende namen tegen. Van Aukebaes tot en met Wietske Tadema, bijna 20 in totaal. De mogelijkheden zijn echter nog niet uitgeput. Ook andere familienamen hebben nog altijd een bekende klank: Rinkes, Taconis, Cath, Jongbloed en zo zou men nog wel even door kunnen gaan. Door allerlei publicaties zijn hun antecedenten wel bekend. Of die voldoende zijn voor een straatnaam, moeten de naamgevers maar beoordelen. Een naam die voor de meeste Jousters van nu niet zo'n bekende klank heeft, is die van Jacobus Johannes Ebben, geboren en opgegroeid in Joure. In 1917 stond hij echter wel, samen met drie andere Friezen waaronder nog een Jouster aan de wieg van de winkelketen Edah. Een opmerkelijke prestatie, temeer omdat de omstandigheden waaronder hij in Joure opgroeide, niet optimaal waren. Vandaar een terugblik op de band tussen de familie Ebben en Joure. Het begon allemaal op 25 april 1863 met de komst van Lambertus Jacobus Ebben geboren op 23 augustus 1834 in Udenhout, naar Joure. Hij liet zich inschrijven als schoenmaker. De geschiedenis vermeldt niet wat hem nu uitgerekend naar Joure dreef, maar wel wat en wie hij daar trof. Dat was de jongedame Trijntje de Jong, geboren 0p 24 augustus 1834 in Oudemirdum en later inwonend bij een aanverwante familie Doele in Joure. Zij trouwden op 9 september 1866 in de vlecke. Uit de trouwakte blijkt dat de bruidegom zich niet bij z'n schoenmakersleest had gehouden. In die akte wordt hij ‘inlandsche kramer’ genoemd. Hij moet dus regelmatig met koopwaar op stap zijn gegaan. Letterlijk, want de reizen werden te voet gemaakt. Deze trektochten in de omgeving van Joure hebben in belangrijke mate de toekomst van de familie Ebben bepaald, Maar daarover later meer.

Goed verkocht en goed getrouwd?

Bij de voltrekking van het huwelijk van Lambertus en Trijntje was van de ouders alleen de moeder van de bruid. Anna Johanna Straatsma als getuige aanwezig. Zij bezat in Sondel een 'ververij en glazenmakerij’. De ouders van de bruidegom, Jacobus Ebben en Maria Catharina Berkelmans en de vader van de bruid, Jan Jans de Jong, waren reeds overleden. De marskramer moet goed hebben verkocht. Het kan ook zijn dat hij, wat men noemt, “goed is getrouwd”. Misschien heeft zowel het één als het ander een rol gespeeld. Maar hoe het ook zij, het jonge paar betrok een royaal woon- en winkelhuis in het Gaubuursterkwartier, om precies te zijn aan de Midstraat nu nummer 84, waar nu GPR-telefoonwinkel zit.

De band met Douwe Egberts

In 1874 werd Lambertus Ebben door zijn overbuurman Johannes Hessel de Jong aangenomen als agent voor de Firma Weduwe Douwe Egbertszoon. Hij bereisde voor die firma, opnieuw te voet, het midden en zuiden van Friesland. Bekend terrein dus, waar hij bovendien al een klantenkring had opgebouwd. Als hij op pad was, beheerde z'n vrouw de winkel waar ijzerwaren werden verkocht. Het echtpaar Ebben kreeg drie dochters en één zoon: Anna Henderika (1869). Regina Maria (1870). Maria Jacoba (1873) en Jacobus Johannes (1 1 januari 1875). Johannes Hessel de Jong overleed in 1883, waarna diens zaken werden voortgezet door zijn 14-jarige zoon Cornelis Johannes, die later bekend werd als de tweede stichter van Douwe Egberts. Zijn voogd was Alexander Brenninkmeyer een bekende figuur in de zakenwereld van die tijd. Ook onder de gewijzigde omstandigheden bleef de band van Lambertus Ebben met Douwe Egberts bestaan. Bij een brand in de nacht van 14 op 15 oktober 1881 ging een 15-tal panden in het centrum van Joure verloren, waaronder het woon- en winkelhuis van de familie Ebben en het herenhuis van de familie De Jong. Een pakhuis achter de woning van de familie Ebben bleef gespaard. Alle door de brand getroffen eigenaars lieten hun pand herbouwen, ook Lambertus Ebben. Reeds op. 15 mei 1882 kon hij de nieuwbouw in gebruik nemen.

Na de brand

Lambertus Ebben heeft niet lang plezier van z'n nieuwe winkel gehad. Hij overleed 17 april 1886 op 52-jarige leeftijd. Zijn vrouw bleef in de ijzerwinkel achter de toonbank staan want er moest wel brood op de plank blijven. De oudste dochters droegen als modiste een steentje bij en Jacobus deed dat als winkelbediende. Kortom, het waren moeilijke tijden voor de familie Ebben en dat zal voor Cornelis Johannes de Jong niet verborgen zijn gebleven. Het ging tenslotte om z'n overburen en bovendien was Lambertus jarenlang één van zijn agenten geweest. Ook gelet op ontwikkelingen in een later stadium mag wel worden aangenomen dat Jacobus bediende is geweest in ’De Witte Os', de winkel van Cornelis Johannes de Jong. In hem heeft Jacobus dan een goede leermeester gevonden. Zijn baas was koopman in hart en nieren. Bovendien raakte de jonge bediende aardig bekend met de verkoop van koloniale waren. Zowel het één als het ander heeft een beslissende rol in zijn leven gespeeld.

Van winkelbediende tot winkelier

De tiid hâldt gjin skoft. Dat geldt voor iedereen en dus ook voor Jacobus Ebben. Op 29 mei 1900 trouwde hij in zijn geboorteplaats met Alida Hiemstra. Zij was een dochter van Gerrit Sijbrens Hiemstra, die in de bevolkingsregisters achtereenvolgens landbouwer, veehouder en boer in Westermeer wordt genoemd. Zijn vrouw, Ytje Haayes van der Werf was op 5 juni 1882 overleden. De bruidegom was voor de voltrekking van zijn huwelijk even teruggekomen naar Joure. op 9 januari 1900 was hij vertrokken naar Helmond, waar hij was begonnen met een winkel in koloniale waren. Dat bleek het begin te zijn van een winkelketen onder de naam N.V. Handel in Koloniale Waren J.J. Ebben. Een week na hun huwelijk vertrok het jonge paar definitief naar Helmond. Het moet hen daar zakelijk voor de wind zijn gegaan. Al spoedig werden meer Ebben winkels geopend, onder meer in Heerlen, Weert en Roosendaal. Het winkelpersoneel werd deels gerekruteerd uit de familiekring. In de periode 1900-1906 vonden ook IJsbrand, Jan Evert en Sjutje Hiemstra de weg naar Hemond. Moeder Ebben ver trok in januari 1904, samen met haar doch ter Regina Maria, ook al naar Brabant. Haar jongste dochter, Maria Jacoba, was in 1892 vertrokken naar Boxmeer en haar oudste dochter, Anna Henderika, was op 13 oktober 1898 overleden. 

Een avondje stappen

Ondanks alle veranderingen ging het contact tussen Jacobus Ebben en Cornelis Jo hannes de Jong niet verloren. De heren ontmoetten elkaar regelmatig in Hoensbroek. Overdag werden de zaken besproken en 's avonds werd een bezoek gebracht aan Aken. Zo’n avondje stappen lijkt dus wel van alle tijden te zijn. Ondanks de oorlog wilde Cornelis Johannes ook in 1915 niet van die gewoonte afwijken. Die keer ging hij alleen naar Aken want Ebben had, zo schreef hij in zijn dag boek, geen pas. Wel bezichtigden zij een paar dagen later samen de grotten in Valkenburg. Veelzeggend is ook de volgende aantekening in de dagboeken: 'Woensdag 27 augustus 1913 hebben Ebben en ik in Hoensbroek, dichtbij de grote mijn, voor fl. 3.25 per m2 een stuk grond gekocht. Hebben plan er een winkelhuis te bouwen'. Dat zal dan wel een Ebben-winkel geworden zijn. Een simpele aantekening die echter onmisbaar wijst op een zakelijke samenwerking.

Friezen vonden elkaar

Het succes van Jacobus Ebben drong door tot in Friesland. Zijn voorbeeld kreeg, al dan niet toevallig, ook navolging. Drie andere wijst op een vorm Friezen trokken eveneens zuid waarts: in 1903 Servaes Bernardus Dames, In 1904 Johannes Bernardus Fransiscus Hettema en in 1909 Jan Nicolaas Aukes, afkomstig uit respectievelijk Leeuwarden, Bolsward en Woudsend. Ook zij bouwden in Brabant en/of Limburg een eigen winkelketen op. In dit verband duikt ook weer de naam op van Cornelis Johannes de Jong. In Joure was het een publiek geheim dat hij daar beginnende zakenlieden - en dan vooral broeders in het katholieke geloof op de één of andere manier de helpende hand bood. Mogelijk reikte die hand tot in Brabant en Limburg. De vier geëmigreerde Friezen waren in ieder geval geen onbekenden voor hem. Dames en Aukes hadden zelfs een tijdlang voor hem gewerkt. Het paste bovendien uitstekend in zijn onvermoeid streven naar uitbreiding van het aantal verkooppunten waar zijn tabak, koffie en thee over de toonbank zouden kunnen gaan. Door de vier Friezen werd in 1910 de 'Combinatie Edah' opgericht, vooral bedoeld als instrument voor gezamenlijke inkoop. In de naam van de combinatie zijn de familienamen van de vier stichters, althans het begin daarvan, terug te vinden: de E van Ebben, de D van Dames, de A van Aukes en de H van Hettema. De combinatie werd per 31 mei 1917 ver vangen door de 'N. V. Handel in Koloniale Waren EDAH’, De letter D bleef in de naam staan ondanks het feit dat Servaes kenbaar wijst op een vorm van zakelijke Dames die zich vóór de oprichting had teruggetrokken. Als tegenprestatie werd toegezegd dat zijn belangen voorlopig zouden worden 'geëerbiedigd'. In de praktijk betekende het dat voorlopig geen Edah winkels zouden worden gevestigd in Tilburg en omgeving, het bastion van Dames. De drie overgebleven aandeelhouders werden directeur van de N. V. en benoemden eenstemmig Cornelis Johannes de Jong tot commissaris. Als medebestuurder genoot hij een vergoeding van voorlopig honderd gulden per jaar. Hij vond het kennelijk genoeg om zelfs een erkende feestdag te besteden aan zijn werk voor de N. V. In zijn dagboek vermeldt hij daarover nauwgezet het volgende: Op Paasmaandag 21 April 1919 in totaal 144 aandelen combinatie EDAH, genummerd 376-519, getekend, bestemd voor de heren Vlijminx, de Vogt en Motten en per aangetekend postpakket verzonden naar hun kantoor te Helmond.

Tot 1935 bleef de heer De Jong betrokken bij de N. V. Edah. Zijn vroegere plaatsgenoot Jacobus Ebben hield het minder lang vol. In 1917 waren de Ebben-winkels buiten de N. V. gebleven, maar in 1923 wilden enkele bestuursleden dat die winkels alsnog zouden worden ingebracht. Men kon het echter niet eens worden over de schadeloosstelling en tenslotte liet Ebben zich, met behoud van zijn winkels, uitkopen. Midden jaren dertig werden zijn winkels alsnog door de N.V. overgenomen. Jacobus Ebben had toen al lang en breed zijn weg gevonden in de plaatselijke politiek. Als gemeenteraadslid en als wethouder heeft hij zich jarenlang ingezet voor de plaatselijke gemeenschap. Hij overleed in 1961. De Wethouder Ebbenlaan in Helmond herinnert nog altijd aan de man die vanuit Joure naar Helmond kwam, daar aan de wieg stond van de Edah en in een later stadium ook in de plaatselijke politiek zijn sporen verdiende. Dus tóch een straatnaam.

Colofon

De gegevens over de peroide Helmond zijn ontleend aan 'Wie schrijft die blijft' een jubileumuitgave van de EDAH ter gelenheid van het 75-jarig bestaan in 1992.

© Tekst: Piet Rigter van der Zee (januari 2004)
Lees meer

Gerelateerde informatie


Foto’s



Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Stichting Ut eigen Gea)