Scheepswerf De Helling
De werf aan de Slachtedijk: De Helling
Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen
De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen.
De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters: “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen.
In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd.
Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden.
Periode van bloei
Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst,
die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten.
Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak.
Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts),
die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.
Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.
Colofon
- Het Friese jacht, dr. Ir. J.Vermeer (1992).
- Met geveegde kont, Schippers en skûtsjes terug naar de oorsprong. Klaas Jansma, (2001).
- Joure als Scheepvaart- en Scheepsbouwcentrum. J.Tj.Zeilstra (1977).
- Talloze krantenknipsels, lezingen en ander materiaal uit het Scheepvaart Museum te Sneek.

