Tweehuis is een klein gehucht in de voormalige gemeente Skarsterlân, bestaande uit slechts twee huizen aan Het Deel. De naam verving het oude Konvintspaad en verwijst naar de twee boerderijen die er ooit stonden. Al in 1849 komt Tweehuis voor op kaarten en er was vroeger een overzet naar Sythuizen, vooral gebruikt door voetgangers, turfstekers en later fietsers. De noordelijke boerderij droeg het jaartal 1707; beide boerderijen stonden dicht op elkaar en werden eeuwenlang bewoond door de familie Walstra. In 1882 werd de noordelijke boerderij afgebroken en elders herbouwd, waardoor Tweehuis tijdelijk “Eénhuis” werd. In 1898 brandde de zuidelijke boerderij af door hooibroei, waarna deze werd herbouwd met het jaartal 1898 op de gevel. De Walstra’s bewoonden de boerderij generaties lang. In 1939 werd het bedrijf geveild en gekocht door Joost de Jong, die het voor zijn zoon bestemde. Vanaf 1940 woonde het jonge echtpaar Tjitte Homme en Namkje de Jong er. In 1931 was Tweehuis opnieuw een tweehuis geworden door de bouw van een burgerwoning naast de boerderij. De omgeving bood rust, ruimte en natuur, maar het leven was er hard: melk ging per schouw naar de fabriek, en in vroegere tijden brachten de boeren kaas en boter per schip of over het ijs naar Sneek.
Een opmerkelijke gebeurtenis was de ontdekking van een dief die zich in een opgerolde vloermat had verstopt. De vrouwen van Tweehuis bonden hem vast “aan de pomp”, waarna de rechtbankheren toevallig langskwamen en het incident afhandelden. De onterecht verdachte arbeider werd later volledig gerehabiliteerd. Jelke de Jong, geboren in 1950, groeide op in Tweehuis en beschrijft een jeugd vol natuur, werk op het erf en avonturen op en rond Het Deel. Tot 1991 bleef de familie De Jong er boeren; daarna nam de familie Jaarsma het bedrijf over. Tweehuis bleef een plek van schoonheid, maar niet altijd onder elke weersomstandigheid.
Tweehuis
Hieronder het complete verhaal
Toen ik op een druilerige namiddag in de maand september van dit jaar (2005) in Tweehuis kwam, werd mij pas duidelijk dat er een Tweehuis in onze gemeente Skarsterlân lag. Een flinke boerderij met een loopstal ernaast, een schuur en nog een burgerhuis vormen het gehuchtje met die naam. Een naambord is niet te vinden. Wel de straatnaamaanduiding Tweehuis. Die naam kwam in de plaats van het vroegere Konvintspaad. Alleen de huisnummers 1 en 2 bestaan want er zijn immers maar twee huizen. Het aardrijkskundig woordenboek van Nederland samengesteld door K. ter Laan e.a. uit 1942 vermeldt Tweehuis
als volgt: 1e buurt onder Velp (NB); 2e gehucht onder Haskerdijken in Haskerland. Ook op de kaart van “Haskerland, de Vierde Grietenij van Zevenwouden” (1849) vinden we de benaming Tweehuis, aan het water van Het Deel. Er was vroeger bij Tweehuis een overzet naar Sythuizen. Dat overzetten gebeurde daar tot die functie werd overgenomen door die van de Nieuwe Schouw. De Vegelinsweg werd in 1846 verhard tot aan de Nieuwe Schouw. Het overzetten daar maakte de weg naar Akkrum korter en beter. Bovendien kon die ‘oerhaal’ paard en wagen, later ook auto’s, naar de overkant brengen. Bij Tweehuis bleef het bij voetgangers en later fietsers, ook veel arbeiders die vroeger in de turf werkten maakten er gebruik van. De combinatie telwoord met huis of huizen is een heel gewone. Topografische namen in die samenstelling zijn er te vinden van ‘twee’ tot en met ‘negen’ in ons land. Dat geldt ook voor het meervoud b.v. Vierhuis (ook in onze gemeente) en Vierhuizen (liefst viermaal, o.a. een keer bij Jirnsum). Tweehuizen bestaat dus ook en wel als gehucht onder Bierum in Groningen.
Tweehuis werd Eenhuis en daarna Geenhuis!
Van de geschiedenis over Tweehuis is niet zo veel bekend. Gelukkig is er iets te vinden in het gemeenteblad van Haskerland van sept. 1939 (de nummers 5, 6, en 7). Dat was een bijlage van de toen in deze contreien bekende krant de ‘Hepkema’. Ook het Vrije Volk van 11 april 1956 had een stukje over Tweehuis. We weten in ieder geval dat er in Tweehuis twee huizen of te wel twee boerderijen hebben gestaan. Ze stonden vrij dicht bij elkaar. Er bleef slechts een doorgang over van zo’n dikke meter. De ene, de noordelijke boerderij, was parallel aan Het Deel gebouwd. De andere, de zuidelijke, stond loodrecht daarop aan Het Deel en was iets meer landinwaarts gebouwd zodat de buurbewoners vanuit hun voorhuis ook de Kapelle van Haskerdijken konden zien. Daar was het soms een komen en gaan van mensen bij zondagse kerkdiensten, bij begrafenissen en doordeweekse vergaderingen. Het moet een welkome afwisseling geweest zijn in het anders zo stille landschap. Op de gevel van de noordelijke boerderij stond het jaartal 1707. Dat moet het bouwjaar zijn geweest. Of er eerder ook al een boerenhoeve stond, is niet bekend. Bewoners waren o.a. Heert Greults en z’n gezin, z’n opvolger werd Wybren Heerts en die gaf zijn taak weer over aan z’n zoon Heert Wybrens. In 1882 werd deze boerderij afgebroken en opnieuw gebouwd aan de Vegelinsweg. Toen Heert Greults er woonde, was zijn buurman op de zuidelijke boerderij zijn broer Brand Greults. In het floreenkohier van Haskerdijken van 1850 zijn die namen van beide pachters terug te vinden als Heert en IJsbrand Greelts Walstra. De spelling is wat anders maar dat kwam vroeger heel vaak voor. Eigenaar van de boerderijen blijkt volgens hetzelfde document hr. Mr. P.B.J. Vegelin van Claerbergen te zijn. Op de kadastrale kaart van 1832 staan de beide boerderijen vrij dicht op elkaar getekend, op die van 1887 ontbreekt er één. Dat klopt ook want in 1882 werd de boerderij (de noordelijke) van Heert Wybrens Walstra afgebroken en opnieuw gebouwd aan de Vegelinsweg. Toen werd Tweehuis eigenlijk Eenhuis. Maar het zou nog erger worden. Eenhuis werd in 1898 zelfs Geenhuis. In dat jaar brandde de zuidelijke boerderij totaal af wegens hooibroei. En dat terwijl ook die boerderij geheel vernieuwd was in 1890, want dat jaartal stond er voor de brand op. Na de herbouw kwam datzelfde jaartal weer op de gevel, maar van de 0 werd, heel knap, een 8 gemaakt!
Geslachten lang woonden en werkten er Walstra’s.
Geslachten lang bleef de naam Walstra verbonden aan deze sate en landen. Pas in 1939 kwamen er nieuwe bewoners. Dat werd de familie De Jong. In het Friesch landbouwblad van eind november 1939 kwam o.a. het volgende bericht onder het kopje ‘Uitslag verkopingen’ voor: ‘Sate en landen ‘Tweehuis’ te Haskerdijken’. Aan den Zuidelijken oever van het vaarwater Het Deel te Haskerdijken, is gelegen b.g. onroerend goed. Op kaarten van omstreeks het jaar 1700 staan twee boerderijen. Toen waren ze gelegen aan een weg of pad komende uit de richting Joure. Hier was gelegenheid voor overhaal over ’t vaarwater; de weg ging vervolgens door Krom-Haskerdijken in de richting Oldeboorn. Deze boerderij is langer dan 200 jaren door de dezelfde familie bewoond. Kinderen volgden steeds de ouders op. Tot1904 werd ’t steeds gehuurd van een oude adellijke familie; in dat jaar evenwel werden de eigendommen aan de bewoners in koop aan geboden op aannemelijke voorwaarden, waardoor deze boerderij in eigendom overging aan de toenmalige huurders. Overlijden van deze was oorzaak dat deze thans publiek wordt geveild. De sate is groot 27.07.37 ha of 73.7 pdm; in de voorgevel is een gedenksteen aangebracht vermeldende 1890, in dat jaar werd het toen bestaande door brand verwoest en daarna het thans bestaande gebouwd. Het is een solied, ruim gebouw. Er is stalling voor 56 stuks rundvee en 4 paarden. Ook is een gierkolk aanwezig, inhoud 100 m3. Mede is op ’t erf aanwezig een groot hok, ingericht voor varkensmesterij, zowel als voor veestalling, de landen liggen allen aaneengesloten. De huizinge vormt een middelpunt. Ze verkeren in goede staat van cultuur…’Op 21 november 1939 was het palmslag d. w.z. verkoop bij handjeklap zoals dat ook op de veemarkt gebeurt. Het aantal kopers viel enigszins tegen. In de zaal van Bijkersma te Joure vond de verkoopceremonie plaats. Ondanks de tegenvallende animo werd de prijs van het onroerend goed toch nog 113 maal verhoogd. De gunning vond plaats tegen een bedrag van f 55.144. Joost de Jong van de boerderij waar veel later bowlingcentrum It Haske zou komen, werd de koper. Hij kocht het voor zijn zoon. Zo konden later in de meimaand Tjitte Homme en Namkje de Jong hun boerenbedrijf starten aan het Deel in Tweehuis. De lange traditie van de Walstra’s werd afgesloten en een nieuwe generatie De Jong kwam. Inmiddels was het in 1931 weer echt Tweehuis geworden. Want toen werd er op kleine afstand naast de boerderij een burgerwoning gebouwd. Daar kwam Keimpe Walstra te wonen naast de Walstra-boerderij. Die woning staat er nog; de familie Quartel
geniet daar al sinds de tachtiger jaren van de rust en ruimte aan de oever van Het Deel.
Ruimte was er genoeg rondom. Prachtige wolkenpartijen zeilden boven het groen door de lucht. Zonsopgang en ondergang konden er bewonderd worden. Het kon er ook stormen zodat de regen tegen de ramen kletterde. Bij hevige sneeuwval in de winter kon je er geïsoleerd raken. Maar in het voorjaar zongen de vogels het hoogste lied. De kievit, de scholekster, de grutto en de leeuwerik vlogen onbekommerd over de weilanden. Kikkers kwaakten in de sloten en ook de eenden deden mee in het water van Het Deel. De rust voor de bewoners van Tweehuis was beperkt. Er moest hard gewerkt worden. De melk werd per schouw naar de melkfabriek gebracht. In vroeger tijden ging dat anders. Toen Heert Greults en Brand Greults beiden op de twee boerderijen van Tweehuis boerden, ging de eigengemaakte kaas en de boter naar de weekmarkt in Sneek. Dat ging in de zomer per schip en in de winter indien mogelijk met de slee over het ijs. De boeren gingen zelf mee om geld te beuren en inkopen te doen. Voedsel voor het gezin en voor het vee. De boerinnen werkten even hard mee o.a. bij het melken, bij het boter en kaas maken. Werk was er altijd wel op zo’n bedrijf. Daarnaast was er de zorg voor de kinderen. In die tijd moet het -volgens v.H. in de Hepkema- gebeurd zijn dat Heert Greults en zijn vrouw zo nu en dan geld misten uit een la van het kabinet. De verdenking viel op de arbeider. Maar betrappen konden ze hem niet. Het bleef een raadsel tot het opgelost werd op een erg koude dag midden in de winter. Het vroor hard. De broers Brand en Heert waren naar Sneek. Van ’s morgens 8 uur tot ’s middags ongeveer 4 uur. ’t Was marktdag. De beide boerinnen en twee meisjes dronken thee in de noordelijke boerderij. Op een zeker moment hoorden ze wat gestommel en lawaai in de opkamer. De vrouw van Heert Greuls opende de trapdeur en ontdekte een manspersoon in de opgerolde vloermat. Die mat stond vaak in de winter opgerold tegen een muur uit zuinigheidsoverwegingen. Een gewoonte die veel meer op het boerenplatteland voorkwam. Een van de vier vrouwen haalde onmiddellijk een dik touw uit de schuur en daarmee bonden ze de vreemde insluiper vast aan de pomp.
Het wachten op het manvolk begon. Ze vonden het wel erg lang duren. Het was echter koud en het vroor. Het zou wel druk op het ijs zijn met schaatsers, arrensleden en ijspret activiteiten. Veel mensen zwierden over Het Deel voorbij de boerderijen van Tweehuis. Dat er iemand gevangen zat aan de pomp kon niemand van de schaatsers bevroeden. Eén van de meisjes stond op de uitkijk. Zij zag op een gegeven moment een clubje heren schaatsen die met de rechtbank in Heerenveen hadden te maken. Zij vertelde hen wat er aan de hand was. De heren bonden de schaatsen af en gingen poolshoogte nemen. Zij prezen de kordaatheid van de dames en genoten van de geserveerde thee met koek. Er werden zelfs gouwenaars uit het pijpenrek opgestoken zodat het ondanks of dankzij de inbreker een gezellig samenzijn werd. De heren beloofden ‘dit varkentje’ wel te zullen wassen. Ze bekeken de opgerolde mat, maakten een situatietekening van opkamer en mat, dankten voor de genoten gastvrijheid en verlieten de boerderij. Zij hielden hun belofte en stuurden bij terugkomst direct enkele politiemannen naar Tweehuis. Maar helaas waren de vrouwen van Tweehuis betere oppassers dan de dienders van Hermandad. De gevangene wist onderweg aan zijn begeleiders te ontsnappen. Pas na dagen van intensief speuren kreeg men de man weer te pakken. De ware dader van de gelddiefstal was nu gelukkig bekend. Heert Greults schaamde zich diep en maakte z’n excuses tegenover z’n arbeider die hij lange tijd ten onrechte van diefstal had verdacht en beticht. De familie Greults was opgelucht dat het raadsel nu was opgelost. Men liet overal bekend maken dat hun arbeider niets te verwijten viel, er werd in een nabijgelegen dorp een huis voor hem gekocht en z’n leven lang kon hij rekenen op een goed weekloon. Dat werd dus prima opgelost door de familie Heert Greults. Deze diefstal affaire had trouwens op de gemoederen van de Tweehuisters diepe indruk gemaakt. De geschiedenis bleef heel lang in de familie voortleven. Dieptepunten en hoogtepunten leiden over het algemeen een lang leven. Zo ook de boerderij afbraak in 1882 en de grote brand in 1898. Vooral in de tijd dat de overzet Tweehuis-Sythuizen nog gebruikt werd, was het soms druk met passanten: postbezorgers, broodventers, kooplieden, veenarbeiders en ander voetvolk op weg naar o.a. Joure of Oldeboorn. Ook de passanten hadden hun spannende verhalen.
De geschiedenis raakte in het archief, maar Tweehuis bleef
In 1940 kwam het jonge echtpaar Tjitte Homme en Namkje de Jong op de zuidelijke boerderij terecht. De bepaling ‘noordelijke’ is hier eigenlijk overbodig want de andere boerderij was al sinds 1882 verdwenen. Hadden zij nog weet van de vroegere diefstal affaire? Hun zoon Jelke in ieder geval wel, maar dan via de archieven. De Jouster Jelke de Jong is opgegroeid op de boerderij van Tweehuis. Hij is van 1950. Zijn oudere broer Joost kwam later als opvolger op de boerderij van z’n vader. Tjitte Homme stierf toen hij 39 jaar was. Dat was veel te jong. Moeder Namkje zette het boerenbedrijf voort met haar broer tot zoon Joost oud genoeg was om zelfstandig de zaak te runnen. Dat was in 1966 toen hij trouwde. Jelke heeft tot zijn 16e jaar op Tweehuis gewoond. Verveling en eenzaamheid heeft hij daar niet gekend. Er was altijd wel wat voor de vier broertjes te beleven. Het hooi, de kalfjes, de andere beesten, de waterkant met het bootverkeer in de zomer, spelen in de schuur en niet te vergeten de Deelsmolen in de buurt waar ze bovenin klommen. Natuurlijk werd er schoolgegaan. Dat gebeurde aldus: met het bootje zelf naar de overkant van Het Deel roeien, daarna lopen of soms fietsen, in de winter waren de schaatsen veelal een nuttig middel om je te verplaatsen. Was er een dokter of een veearts nodig dan kwam ook die met een bootje over Het Deel naar hen toe. De winkelier Speelman uit Joure kwam om de zoveel tijd met het boekje voor de boodschappen en bracht die later. Lang hebben Jelke en zijn familie het op Tweehuis zonder elektriciteit en telefoon moeten doen. Dat veranderde pas in 1966. De familie Joost de Jong bleef er boeren tot 1991.
Daarna kwam de familie Jaarsma. Zij leven en werken er met plezier. De rust en de ruimte prefereren ze verre boven stadsgewoel en rijtjeshuis. Op de gevel van de boerderij staat nog altijd het jaartal 1898. Eigenlijk kon ik niet zien dat de 0 in een 8 was veranderd. Tweehuis: een mooi oord maar niet onder elke weersomstandigheid!

