Uitgelichte vensters:

Carrosseriefabriek Smit in Joure was ruim tachtig jaar een toonaangevend bedrijf in de Nederlandse busbouw. Het bedrijf werd in 1917 opgericht door Jan Alexander Smit, die de failliete wagenmakerij van zijn neef overnam. In de beginjaren produceerde Smit vooral karren, wagens en koetsen voor boeren en middenstanders. Dankzij vakmanschap, handelsgeest en soms een beetje geluk groeide het bedrijf snel. Vanaf de jaren twintig begon Smit met het bouwen van carrosserieën op gemotoriseerde voertuigen. De vraag naar vrachtauto’s en later bussen nam toe, waardoor in 1926 een smederij werd bijgebouwd. Grote opdrachten kwamen onder meer van transportbedrijf Libra en Douwe Egberts. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de productie grotendeels stil, maar Smit wist te overleven door voertuigen om te bouwen en gasgeneratoren te installeren. Na 1945 kwam de groei in een stroomversnelling. Smit bouwde trailers, ambulances en vanaf 1948 ook bussen, onder andere voor de LAB in Leeuwarden. In de jaren vijftig en zestig breidde het bedrijf uit naar een nieuwe fabriek aan de Vegelinswei. De bussen werden steeds luxer en groter, met voorzieningen als airco, verstelbare stoelen en ruime bagagecompartimenten. Op het hoogtepunt werkten er circa 95 medewerkers en werden er jaarlijks zo’n 70 bussen gebouwd. In totaal produceerde Smit ongeveer 3000 bussen. Smit exporteerde naar vele landen en ontwikkelde bekende modellen zoals de Eldorado, Comfortliner, Euroliner en Orion. Naast touringcars bouwde het bedrijf ook bijzondere voertuigen: rijdende winkels, mobiele bankkantoren, bibliobussen, hospitalitybussen en zelfs een rondvaartboot zonder wielen. In de jaren negentig werd modernisering noodzakelijk. In 1996 nam DAF het bedrijf over, maar besloot later de productie te verplaatsen. Dit betekende het einde van de fabriek: in 1999 sloten de deuren definitief. Daarmee kwam een einde aan een uniek stuk Jouster industriegeschiedenis Smit: Ruim 80 jaar tussen de Wielen Hieronder het complete verhaal Op de parkeerplaats Sinnebuorren staan nogal eens bussen geparkeerd. Die bussen vervoeren talloze bezoekers naar Museum Joure. De oplettende kijker ziet in vele ge­vallen de naam ‘Smit’ ergens op die bus­sen staan; niet zo opvallend trouwens. Je weet dan dat die bus gebouwd is bij de carrosseriebouwer Smit in Joure. Helaas bestaat dat bijzondere, boeiende en belang­rijke bedrijf niet meer. In 1999 werden de deuren van de fabriek aan de Vegelinswei voorgoed gesloten. De bussenbouw in Jou­re was geschiedenis geworden. Wel een geschiedenis die bewaard moet blijven. Dat moet ook de laatste directeur Jochem Willem Smit gedacht hebben. Hij liet een boek over zijn bedrijf schrijven. Het eerste exemplaar van dat boek werd op 10 juni 2005 hem door de auteur in ’t Haske aangebo­den onder het oog van vele oud werkne­mers en afnemers. Een prachtig kijk en leesboek! Gelukkig was er veel in het ar­chief bewaard gebleven en de rest wist de oud-directeur wel, die zélf de grote promotor van de bussen wordt genoemd. De auteur Albert van Huizen had dus volop de mogelijkheid er met de uitgeverij Aprilis (Zaltbommel) iets moois van te maken. Een interessant verhaal in 200 bladzijden en 450 foto’s. Verbazingwekkend wat daar aan de Vegelinswei allemaal in de loop der jaren werd gebouwd. Degelijk vakmanschap gepaard aan creativiteit en koopmanschap deed er een fraai bedrijf ontstaan. Er werden alleen al totaal zo’n 3000 bussen gebouwd en op z’n top werkten er een 95 medewerkers. Er kwam zelfs een moment dat de bussenbouwer Smit de grootste exporteur van Nederland werd. Maar…Niet slechts Smits bussenbouw verdween, van de ongeveer honderd bedrijven uit de jaren vijftig waren er in 1999 nog vier over! Lagelonenlanden namen de productie over zoals o.a. Polen, Turkije en Brazilië. Jan Alexander Smit begon in 1917 Jan Alexander Smit begon z’n bedrijf in 1917. De Eerste Wereldoorlog bracht toen in Europa veel misère. Economisch dus niet de beste tijd om een bedrijf op te zetten. Jan Smit deed dat echter wel. Hij nam de failliete wagenmakerij van z’n neef Uilke Smit over. Die neef kon het niet bolwerken in z’n pas drie jaar eerder nieuwgebouwde wagenmakerij aan wat nu de Tolhúswei heet.  Jan Smit had het vak goed geleerd in Oudeschoot. Zijn vader had er een wagenmakerij en de zoons hielpen mee. In die tijd had bijna iedere plaats een wagenmaker. Er waren heel wat karren en wagens nodig. Vooral de boeren waren belangrijke afnemers. Koetsen, brikken en tilbury’s behoorden ook tot het assortiment van ‘Smit’s Rijtuig- en Wagenmakerij’. Onder die naam werd het bedrijf in 1917 ingeschreven in het Handelsregister. Zo rond de jaren twintig ging het de wagenmakerij van Smit aardig voor de wind. Aanvankelijk was er veel reparatiewerk en handel in gebruikte wagens en rijtuigen, maar er konden nieuwe machines aangeschaft worden zodat de productie van nieuw rijdend materiaal beter kon gebeuren. Van alles werd gebouwd: kruiwagens, stort- en wipkarren, hooiwagens, karren voor de bakker, melkboer en kruidenier, sjezen met of zonder kap, barouchettes waarbij de koetsier op de hoge bok zat, brikken en glazen wagens. Zonder geluk vaart niemand wel. Behalve handelsgeest had Jan Smit soms ook geluk. Dat had hij eens bij het aankopen van een partij bomen in Gaasterland. Ieder dacht dat die hol waren. Daar was de prijs ook op gebaseerd. Bij het omzagen bleek dat verreweg de meeste exemplaren gaaf waren. “In stikje bûter yn’e brei”.  Carrosseriebouwen wordt belangrijk Het was de jonge ondernemer gelukt een goede naam voor zijn producten op te bouwen. Het eerste gemotoriseerde ‘rijtuig’ van Smit werd gebouwd zo ongeveer in 1921. Het was een fraai gebouwde cabine en laadbak op het chassis van een T-Ford. In 1932 kwam die in bezit van de Jouster bakker Valkema om er de klanten mee te bedienen. Dat betekende dat achter het pand in 1926 een grote smederij gebouwd moest worden. Maar goed ook, want in 1930 kwam de vraag van het Jouster transportbedrijf Libra om een grote trailer voor goederen en later een voor vee te bouwen. De eerste twee van de rij die volgde. De Libra (van Hendrik Kramer) stapte van de scheepvaart over op vrachtauto’s en had dagelijkse lijndiensten door heel Nederland. Ook Douwe Egberts (DE) plaatste later grote orders voor personen- en transportvervoer. Ook de bussen van Slof uit Joure werden bij Smit gebouwd. Carrosseriebouw werd voor Smit de belangrijkste activiteit. Maar het repareren en herstellen van voertuigen bleef een onderdeel, zoals ook de handel in gebruikte voertuigen. Zelfs had Smit een levendige handel in wielen, die wegens ruimtegebrek her en der in Joure lagen opgeslagen. Door deze activiteit van Carrosserie Smit ontstond in de volksmond de bijnaam ‘Jan Wiel’, een soortgelijke naamgeving deed zich voor bij DE door de bijnaam ‘Douwe Pypke’. De periode van WO II  was moeilijk. Het gemotoriseerde verkeer stagneerde. Er viel nog maar weinig te repareren aan wat er nog reed aan bussen en vrachtauto’s. Sommige vrachtauto’s werden weer omgebouwd tot wagens die door paarden getrokken konden worden. Soms moesten er gasgeneratoren in bussen of vrachtauto’s gebouwd worden, ook dat kon bij de firma Smid.  Na de Tweede Wereldoorlog  Na 1945 werd de carrosseriebouw beperkt door een toewijzingssysteem. Men wilde hierdoor vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. Herrijzend Nederland moest zo gauw mogelijk weer gemotoriseerd worden. Voldoende werk vond de firma Smit toen in het ombouwen van militaire transportmiddelen tot vrachtauto’s. Ook de eerste serie ambulances van De Vrij (Leeuwarden) waren oorspronkelijk legervoertuigen die omgebouwd werden. Langzamerhand kwam de productie van trailers en transportauto’s weer op gang. Ze vonden in het hele land aftrek. De echte bussenbouw kwam in en na 1948 op gang. De LAB (Leeuwarder Auto Bedrijf) bestelde een bus bij Smit i.p.v. bij Hainje in Heerenveen (ook bussenbouwer). Die bus viel zeer in de smaak en er volgden meer opdrachten. De relatie met Hainje vertroebelde hierdoor enige tijd. De laatste legde zich speciaal toe op stads- en lijnbussen voor het openbaarvervoer. Smit bouwde vooral touringcars en daarom (vanwege Hainje?) weinig lijnbussen. In de vijftiger jaren kwamen ook de orders van defensie, o.a. voor 60 lesvoertuigen met speciale, dubbele cabines en 150 laadbakken op vrachtwagens. De bestaande werkplaats aan wat nu Tolhúswei 2 is (waar Kanne z’n curiosa verhandelt), werd veel te krap. Uitbreiding kon met hulp van het gemeentebestuur even verderop op de hoek Slachtedijk en Vegelinswei gerealiseerd worden. Dat gebeurde in 1950. Er moest door de gemeente wel eerst met DE onderhandeld worden want daar wilde die firma in de toekomst zelf ook uitbreiden. Een flinke investering was nodig. Het aantal orders bleef stijgen. Defensie vroeg een serie van 60 personeelsbussen. De 50 werknemers in 1955 hadden volop werk. De groei zat er goed in. De naam Smit stond borg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. In datzelfde jaar moest het fabrieksgebouw nogmaals uitgebreid worden. Naast de bussen werden ook verhuiswagens gebouwd met luxe cabines voor 7 á 8 personen. De familie kon eventueel meeverhuizen! Luxer en luxer De bussen werden luxer en luxer. Ook groter. In 1988 verscheen er zelfs een dubbeldekker. Meer chroom en meer versieringen. Airco, koelkast, toilet, koffie-en frisdrankautomaat, een verhoogd achterdeel in de bus, beweegbare stoelen, veel ruimte voor koffers onderin en meer voorzieningen en snufjes die het reizen tot een waar genot moesten maken. Naar de wensen van de opdrachtgevers werd goed geluisterd. Dat alles moest uitgedacht en uitgetekend worden op de tekentafels. Op de tekenafdeling waren 3 á 4 mensen bezig. De afdeling financiën telde 5 á 6 man. V akbekwame medewerkers voerden de uitgewerkte ideeën uit. De verschillende afdelingen hadden hun eigen specialismen zoals de plaatwerkerij, de constructieafdeling en de spuiterij. Dan was er het magazijn en de afdeling reparatie. De bussenbouw vormde de hoofdmoot. Het aantal medewerkers steeg tot zo’n 95.  Eén van hen was Gosse Dalstra, hij begon op z’n vijftiende en eindigde op z’n zestigste. Hij was heel lang trouw aan het bedrijf. Geen uitzondering echter. Ook Jaap Kuiken en Lammert Fokkens gaven lange jaren hun beste krachten aan de bussenbouw. Zo waren er veel meer. Men stond voor een fraai product en dat gaf voldoening. Ook de vele kopers zagen het fraaie en degelijke product. Men kon de bussen o.a. zien op de RAI en op het ‘Concours d’élegance’ te Noordwijk waar de fa. Smit eens met dertien inzendingen drie eerste en twee tweede prijzen in de wacht sleepte. De bussen veranderden qua lijn en vorm. Maar ook het aan de fa Smit toegeleverde chassis. Dat werd veel zwaarder zodat ook de bussen groter konden worden. De chassismerken Bedford, Austin, Morris en Fiat maakten langzamerhand plaats voor het nieuwe type toerbus chassis van DAF. De afnemers zaten overal. Na 1960 vind je geregeld de namen van o.a. Harmanni (Assen), Paulusma (Drachten), Kras (Ammerzoden), Wiebenga (Siegerswoude), Slof (Joure), BBI (Emmen), HAVI (Rijssen), White Cars (Heerlen), LABO (Leeuwarden), LAB (idem), ZWH (Balk), Arke (Enschede), ESA (Marum), Sybesma (Sneek), OAD (Holten), Broere (Hendrik Ido Ambacht), Dalstra (Surhuisterveen) in de boeken. Behalve in eigen land sloeg de firma ook de vleugels uit in het buitenland zoals Bulgarije, Duitsland, België, Tsjechië, Scandinavië en Polen. De Smit modellen presenteerden zich met mooie namen zoals bijvoorbeeld de Eldorado (1960), de Comfortliner, de Euroliner en de Orion (1984). Het laatste model was een topper en had een aantal varianten: de Orion Highliner, Grand Luxe, Mercurius, Antares, Economy. Ondertussen ging ook de handel in gebruikte bussen onverminderd door. Die bussen gingen na een grondige opknapbeurt naar o.a. Afrika, de Oostbloklanden en soms naar Suriname.  Bijzondere producten Bijzondere producten die bij de firma Smit het licht zagen, waren de treintjes voor Burgers’ Dierenpark; die serie was bestemd voor rondritten door het wildpark. Meer dan tien jaar is er veel publiek mee vervoerd langs het daar lopende wild. De rijdende winkel aan huis was ook een bijzonder product. A & O bestelde er tachtig van. Deze winkels op wielen waren een nuttige vervanging voor de verdwenen buurtwinkels. Ook VIVO en SRV hadden belangstelling. Het bleek een succes te zijn. In 1972 hadden de afnemers de keuze uit een tiental types met een lengte die lag tussen 5.50 en 11 meter. Bijzonder waren ook de mobiele bankkantoren met kogelvrij glas en de informatiebus van Veilig Verkeer Nederland. Vier bibliobussen voor Gelderland vormden in 1979 een bijzondere opdracht. Veel zorg werd er besteed aan de bouw van de speciale ‘hospitalitybussen’ voor o.a. Philips en Heineken om er bobo’s of vips mee te verplaatsen. Ook de wielerploegen PDM en RABO beschikten over luxe bussen om als rustpunt en vervoersmiddel te dienen bij wieler manifestaties in binnen- en buitenland. De spelersbus van PSV werd eveneens in Joure gebouwd. Een bus die te water gelaten moest worden, lijkt een grap of een ongeluk. Dat was het niet. Het was een bus zonder wielen van de fa. Smit van het type Eldorado, die in gebruik werd genomen als rondvaartboot. Het einde. Een bijzondere industrie was het daar aan de Vegelinswei. De oprichter Jan Smit heeft er de scepter gezwaaid tot 1960. Zijn zoon Alexander Jacob werd in 1948 medevennoot. De jongste telg uit het geslacht Smit, Jochum Willem (ook wel Joop) schoof in 1952 aan. De beide broers zetten met enthousiasme hun schouders onder de moeilijke maar mooie taak om ‘Smit’s Carrosseriefabriek NV’ uit te bouwen en te laten groeien. Zij slaagden er met hun medewerkers in een jaarlijkse productie te realiseren van 70 bussen. Dat was in 1990. De vader Jan Smit heeft dat niet meer meegemaakt, hij overleed in 1969. Ondanks het succes bleek het bedrijf in de negentiger jaren toe te zijn aan modernisering. Dat vereiste enorme investeringen. Overnamegesprekken vonden er plaats met DAF Eindhoven. In 1996 werd de overname een feit. De gebroeders Smit trokken zich terug uit het bedrijf. Alexander Smit overleed twee jaar later. In Eindhoven nam men de leiding van de Jouster fabriek over. Dat leek aanvankelijk goed te gaan. Toch ging het anders. DAF Bus eigenaar Van der Leegte besloot de Jouster activiteiten te verplaatsen. Dat besluit werd rampzalig voor dat bijzondere, boeiende en belangrijke Jouster bedrijf. De deuren werden gesloten. De medewerkers verdwenen naar elders of naar huis. Het geluid van plaatwerkers en ronkende bussen verdween. Het onkruid begon tussen de stenen op het bedrijfsterrein te groeien want het was voorjaar 1999.      

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

Vermaningband De Vermaningsband was een bekende straatmuziekgroep uit St. Johannesga en Rotsterhaule, in de volksmond ook wel ‘De Hutten’ genoemd. De bijnaam verwees naar leider Jan Vermaning, die op jonge leeftijd van huis wegliep en in de Haulsterbossen een hut bouwde. Jan, geboren in 1879, was een uitzonderlijk muzikant die viool, trompet en zingende zaag speelde. Door een oogspierziekte werd hij later blind, wat hem de bijnaam ‘bline Jan’ opleverde.  Jan had muzieklessen gevolgd bij de gebroeders De Rook en trad samen met Gradus Akkerman op in theater en circus Boltini. Zijn zonen Eise (1914), Jochum (1919), Siebolt (1923) en Jan jr. (1928) erfden zijn muzikale talent. Ze bespeelden uiteenlopende instrumenten, van accordeon en saxofoon tot gitaar, piano en wasbord. Samen vormden zij een compleet, zeer geliefd straatorkest. De familie reisde met woonwagen en auto langs kermissen, danstenten en circussen door heel Nederland. Ze traden op in onder meer Joure, Lemmer en Holten en werkten soms samen met de Baving Volendammers. De band had een grote schare fans, waaronder Roel Kwek van de Wolvedijk. Jan Vermaning overleed in 1964 op 85‑jarige leeftijd. Hun bekendste nummer was ’It Bankje’, dat op vele kermissen werd gespeeld.  VERMANINGSBAND (complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 2006)  Voor wie de Vermaningsband vroeger gezien en gehoord hebben, is het aardig wat meer van de geschiedenis van deze straatmuziekband te weten. Oudere mensen in St. Johannesga en Rotsterhaule zullen zich de band vast nog wel herinneren. In de volksmond werden die uitstekende straatmuzikanten ook wel ‘De Hutten’ genoemd. Hun leider Jan Vermaning had de bijnaam van ‘bline Jan’. Ze kwamen uit St. Johannesga. Jan z’n vader is vrij jong overleden en z’n moeder hertrouwde later met Siebolt van der Wal. Met z’n tweede vader kon Jan het slecht rooien. Op z’n twintigste liep hij dan ook weg van huis en bouwde voor zichzelf een hut in het bos aan de Wolvedijk. Daar bevinden zich de Haulsterbossen waar de jeugd van nu nog steeds hutten bouwt maar dan niet voor min of meer permanente bewoning. Dat ook Jan Vermaning daar toen een hut bouwde, was in die tijd niet ongewoon. De toen van turf en plaggen in de veenstreken opgetrokken veenhuisjes gaven amper meer gerief. Een vriend van hem Gradus Akkerman gaf hem toen de bijnaam Jan Hut, vandaar later ‘De Hutten’. Die bijnaam is Jan zijn leven lang niet kwijtgeraakt. Die Gradus Akkerman was verwant aan de circusfamilie Boltini. De vrouw van Boltini was zijn zuster. Boltini zelf kwam uit Italië en is nooit officieel getrouwd geweest met de vrouw die Akkerman heette. De bekende Tony en Jan Boltini hadden dan ook als familienaam Akkerman en zo stonden ze bij de burgerlijke stand ingeschreven. Jan Vermaning werd geboren op 31 juli 1879. Hij trouwde op jonge leeftijd en woonde een    poosje in een huisje in het ‘ûnlân’ aan de Wolvedijk, later in een woonwagen bij Rohel tegenover de plaats waar ‘De Wite Peal’ was. Nog weer later vestigde hij zich in de Boterstraat te Joure. Jan Vermaning was een zeer muzikaal man. Samen met de gebroeders De Rook uit Lemmer had hij muziekles gehad. Een van die De Rooks werd later dirigent van het vermaarde muziekkorps uit Lemmer. Na zijn muziekstudie speelde Jan samen met Gradus Akkerman bij theater Boltini. Na dat theater werd dat circus Boltini. Boltini kondigde de komst van zijn circus in de kranten aan met: ‘Wie komt, hij komt! Boltini Komt! De sterkste man ter wereld’. Om het publiek te trekken stonden er altijd enkele muzikanten op het bordes voor het theater. Dat waren Jan en Gradus. Twee supermuzikanten! Jan speelde viool, trompet en zingende zaag in 1922 toen hij 43 jaar was. Door een oogspierziekte was hij blind geworden. Lange tijd daarvoor had hij al met een slecht gezichtsvermogen gesukkeld. Vandaar zijn tweede bijnaam: ‘bline Jan’. De zonen uit het huwelijk van Jan waren eveneens zeer muzikaal. Eise uit 1914 werd een voortreffelijk accordeonist. Jochum uit 1919 ontpopte zich als een muzikale duizendpoot, hij speelde knop-accordeon, viool, trompet, gitaar, zingende zaag en piano. Siebolt geboren in 1923 (nog steeds in blakende gezondheid en woonachtig in Zwolle), speelde accordeon en was een tijdlang de drummer van de band. Hij geeft nog les aan enkele leerlingen en speelt met een vriend nogal eens voor bejaarden in tehuizen. Dan was er nog de jongste telg geboren in 1928, dat was Jan junior. Hij speelde saxofoon en klarinet. Alle vijf waren het topartiesten. Met z’n allen vormden ze een compleet straatorkest. De zaken gingen goed zodat ze een auto voor de woonwagen konden kopen. Daarmee reisden ze van de ene kermis naar de andere. Ze speelden in danstenten en in circussen zoals circus Tony Boltini. Later kwam er een dochter van broer Jochem bij.  Op zondagen traden ze op in allerhande hotels als er dansen was. Dat gebeurde vaak op zondagmiddag of -avond. Soms kregen ze versterking van de ‘Baving Volendammers’, ook een orkest van een familie met die naam uit Volendam.  De alom bekende Vermanings lieten met de Jouster Merke hun muziek natuurlijk in Joure horen. Ze stonden dan te spelen bij de inrit van garage Schootstra waar nu de Action zit. Later als ik iets in de Midstraat organiseerde, stonden de broers op het plein voor de Katholieke kerk. Hun vele fans, ook uit Zwolle, kwamen daaropaf. Roel de Jong van de Wolvedijk (Rohel) bijgenaamd Roel Kwek, was als ‘super’ fan steeds van de partij. Hij zorgde altijd voor een natje en een droogje voor de straatmuzikanten. Vader Jan Vermaning stierf in 1964 op 85-jarige leeftijd. Zelf ben ik nog in het bezit van een aantal cassettebandjes, opgenomen tijdens diverse optredens in Joure en bovendien heb ik een drietal grammofoonplaten van diverse Jouster muzikanten en natuurlijk van de Vermanings. Liefhebbers van die oude liedjes herinneren zich vast nog ‘het bankje’. Het liedje is meer dan 50 jaar oud en door de Vermaningband in heel Nederland op kermissen en straatfestivals ten gehore gebracht. Voor die liefhebbers volgt hier de tekst: ik weet hier in ons mooie Nederlandje ‘n Leuke, kleine houten bank te staan Daar zaten wij vaak uren hand in handje daar denk ik nu nog vaak met vreugde aan. Refrein: Want daar zat ik met het meisje van mijn dromen stil te vrijen in de maneschijn  Als we nu weer samen langs dat bankje komen ja, dan zou ik zo weer twintig willen zijn. ja,ja,ja,ja,ja dan zou ik zo weer twintig willen zijn. Met haar heb ik daar vaak en graag gezetenen luisterde naar de kleine nachtegaal. Haar kus deed mij de wereld dan vergeten haar lachen was voor mij 'n zonnestraal.

Een Jouster herberg oude stijl Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen. De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten. Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf. In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina. In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.  Een Jouster herberg oude stijl  (Het complete artikel) ‘De Ster’ en de stichter. Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven. Timmerman en tapper In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename. Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden. Jouster-Merk Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven. De stamhouder Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure. De laatste loodjes We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest. De teloorgang van herberg ‘ De Ster’  In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren. Van Franeker naar Joure Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd. Een bijzondere meevaller Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden. De Kramer vergadering Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.

It Nannewiid It Nannewiid, ook wel Haskerwide of it Wide genoemd, dankt zijn oorsprong aan de vervening. In de atlas van B. Schotanus uit 1685, staat op de plaats waar nu de golven van het Nannewiid kabbelen, alleen het woord ‘hooylanden’. Omstreeks 1750 kregen die hooilanden, nadat ze waren aangekocht door veenbazen uit Giethoorn een andere functie. Er werd turf gestoken. De turf werd met pramen via de Hogedijkstervaart naar Vierhuis vervoerd waar het vervolgens op grotere schepen werd overgeladen en naar Amsterdam werd verscheept. Eén van de verveners was de in 1724 geboren Nanne Dirks Drijfhout uit Heerenveen. Deze veenbaas kende het belang van goede aan- en afvoerwegen. Hij zorgde ervoor dat er wegen werden aangelegd, bruggen werden gebouwd en vaarten werden gegraven. Bij Vierhuis liet hij gedeelten uitdiepen om een betere doorvaart te krijgen. Ook liet hij een herberg bouwen aan de oevers van it Nannewiid op de plaats waar nu het witte bruggetje over de Veenscheiding ligt. Hij kon daar met zijn arbeiders afrekenen en men kon er een drankje nuttigen. De schippers konden er vanaf hun schip zo op de wal stappen. Zo werd it Nannewiid in de jaren na 1750 als onderdeel van de vele vergravingen langzamerhand van land in water veranderd. Het werd één van de vele vergraven landen rond Sintjohannesga. Na de inpoldering in 1870 heeft men overwogen om it Nannewiid ook droog te leggen en ge- schikt te maken voor landbouwgrond maar om financiële redenen is dit toen niet doorgegaan. It Nannewiid heeft zijn naam naar alle waarschijnlijkheid ontleend aan deze nijvere veenbaas Nanne Dirks Drijfhout. Het is jarenlang een heerlijk rustige waterplas geweest. Een uniek stukje natuur met een schitterende flora en fauna. Het meertje was er alleen voor de natuur en een enkele keer werd de rust door menselijke bedrijvigheid verstoord door een enkele visser of jager. In de jaren twintig en der tig komt het meertje steeds meer in de be- langstelling van recreanten. Met name het gebied ten zuidwesten van de plas oefende grote aantrekkingskracht uit op dagjes mensen Die huurden voor een dag of een middag een boot en vertoefden dan veelal een poosje op de zogenaamde Douwe Pôle. Dit was een gebied van omstreeks 10 hectare en bestond uit moeras, schraalland en bosjes. Het werd genoemd naar Douwe Postma tot wiens boerderij deze gronden rond 1900 behoorden. De ongerepte natuur was voor velen een lust voor het oog. Veel bijzondere planten en dieren kwam je hier tegen. Fonteinkruid, groot nimfkruid, de visotter, de blei, de kwabaal en de kleine modderkruiper. Het water was er zo helder dat je de snoeken kon zien zwemmen. De bramen van de Douwe Pôle waren bekend om hun voortreffelijke smaak Beroepsvisser Hotze de Jong uit Sintjohannesga had er een klein schuurtje, waar ‘s zomers thee en frisdrank was te verkrijgen. Vanaf 1947 tot 1958 was visser Hotze de Jong er beheerder en onbezoldigd veldwachter. Vooral in het broedseizoen was toezicht wel nodig om daarmee het roven van eieren tegen te gaan. Naast it Nannewiid lagen nog twee kleinere meertjes. lt Middelgat en it Lytse Wiide. lt Lytse Wiide is thans volledig verdwenen. lt Middelgat is er nog wel en wordt door de meesten it Lytse Wiide genoemd. (Daar waar het bankje op een verhoging staat). In 1926 werd er aan de kant van Oudehaske een natuurbad aangelegd. Een bassin met springtoren en badhokjes en een haventje met steigers zorgde voor een toename van het aantal recreanten in dit gebied. Vooral in de beginjaren was er veel animo voor. Het bestuur organiseerde regelmatig watersportfeesten. In 1928 landden er zelfs drie watervliegtuigen op it Nannewiid. Door de gemeentelijke herindeling van Schoterland en Haskerland in 1934 kwamen Oudehaske en Sintjohannesga in dezelfde gemeente te liggen. Dit deed de raad besluiten om een betere verbinding langs het Nannewiid aan te leggen. Voorheen was dit een slecht begaanbare zand- weg maar op 15 juni 1939 werd er een nieuwe verharde weg door freule Vegelin van Claerbergen geopend. De nieuwe weg kreeg de toepasselijke naam Badweg. It Nannewiid is voor Heerenveen en om streken een waardevol natuurgebied geworden. Het ligt in een mooi poldergebied en wordt omzoomd door riet en houtgewas. Ook is het nu nog steeds een belangrijke broed- en pleisterplaats voor diverse (water)vogel. De bloemen en de planten in de schraallanden tussen Lytsewiide en Nannewiid zijn zeer bijzonder. Bijvoorbeeld ‘krabbenscheer’ komt hier voor die zo karakteristiek is voor langzaam dichtgroeiende laagveenplassen. Daarnaast is it Nannewiid ook een belangrijk recreatiegebied geworden. ‘s Zomers wordt er gezwommen en gesurfd en ‘s winters kan er meestal gauw geschaatst worden. Toch bestond er al enige jaren onvrede over het meer. Het water was erg troebel, modderig en erg ondiep. Een initiatiefgroep o.l.v. Durk Kornelis, Henk Gemser en Kor Bloemsma stelden alles in het werk om it Nannewiid uit te baggeren. In de jaren negentig ging er een nieuw project van start, het zgn. Regiwa Project: Regionaal Integraal Wa- terbeheer. Daarin werd it Nannewiid op een natuurlijke manier schoongemaakt met behulp van een Helofytenfilter van rietplanten. Tegelijkertijd werd de waterhuishouding van en naar het meer grondig aangepakt. Het agrarisch gebied van zo’n 900 ha. rond het meer kreeg een peilverlaging en de visstand werd weer op peil gebracht. Het herstellen van de kwaliteit van het water vraagt enig geduld maar zeker is dat it Nannewiid op deze wijze alle eer krijgt die het toekomt en er vele generaties na ons nog van dit prachtige natuurgebied genoten kan worden. 

Bakker Van der Brug in de Midstraat Nu iets fijns, nu iets nieuws! t.g.v. de officiële opening (dus alleen die dag) 250 gr. Goudse moppen en 10 fijne spritskoeken voor Fl.1,20…. Met deze aanbieding in de Jouster Courant opende Meinte van der Brug op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel in Joure aan de Midstraat. Alweer meer dan zeventig jaar geleden. De bakkerij en winkel zijn er nog. Nu zwaait de familie Lenes er de scepter. Meinte werd in 1919 in Oosterend geboren. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren. Om zelfstandig bakker te kunnen worden heb je diploma’s nodig. Dat kon gebeuren op de bakkersvakschool in Leeuwarden. Na verloop van tijd ging ook Meinte naar die school: twee jaar voor broodbakker en een jaar voor banketbakker. Nadat Meinte en Mina in het huwelijksbootje waren gestapt vestigde het jonge paar zich in een bakkerij in Nes (Dongeradeel). Dat was in 1945. Ze bleven er zes en een half jaar en kregen er twee kinderen. Ze zagen in dat ze daar op den duur geen goed bestaan konden opbouwen. Dat hadden ze goed gezien.  Vroeg opstaan maar de wet… Het was hard werken in de bakkerij en de winkel. Om half vijf ’s morgens uit de veren. Op zaterdag zelfs om twee uur in alle vroegte. Het was wettelijk bepaald dat je ’s morgens door de week, niet voor vijf uur mocht bakken en dat er voor tien uur geen vers brood verkocht mocht worden. Dit om nachtarbeid tegen te gaan. De politie controleerde dat. Van der Brug herinnert zich dat de politieman Van der Veen hem één keer heeft bekeurd omdat hij na een nogal laat geworden feestje alvast was begonnen in de bakkerij. Slapen lukte in die paar uurtjes toch niet. De napret van het feestje werd door de bekeuring wel enigszins bedorven. Dat wetsartikel bestaat al een aantal jaren niet meer. Voor dat het broodbakproces begon moest er nog heel wat gebeuren. Het deeg moest gemengd en gewogen worden, het rijzen in de rijskast duurde zo’n drie á vier uur, de oven moest aangezet worden. Daar werden kolen voor gebruikt en later gas. Meng-, afweegmachines en automatische rijskasten maakten het werk wat makkelijker. Na het broodbakken kon de bakker beginnen met het banket, de koek, het roggebrood en andere bakproducten. Het meel kwam uit een meelfabriek (vroeger een molen) in Uithuizermeden en later ook uit Heerenveen. Lange dagen waren het van ’s morgens heel vroeg tot laat in de middag. Dat betekende vroeg naar bed zodat het sociale leven er vaak bij in schoot. Dus weinig samenkomsten in verenigingsverband. Het contact tussen de Jousters bakkers beperkte zich tot een overleg over de vakantieregeling. De avonden van de Fryske Krite vormden daarom bijna de enige ontspanning voor het bakkersechtpaar.  Een bakkerij doe je niet alleen In het begin had Van der Brug enkele venters in dienst o.a. in St Nicolaasga. In Joure was het o.a. Van der Heide die er met de venterskar op uit trok. Zij werkten voor een vast loon met provisie van hun verkoop. Op die venterskarren stond eens als reclame: ‘Van der Brugs brood maakt sterk en groot’, maar dat verdween weer omdat de venters daar niet zo gecharmeerd van waren. Ook leverde hij wel bakkerswaren aan losse venters die op eigen risico ventten. Omdat er moeilijk venters te vinden waren was het in de zeventiger jaren afgelopen met het venten of ‘súteljen’. De klanten werd verzocht hun bakkersspullen zelf in de winkel op te komen halen. In de bakkerij had Van der Brug twee medebakkers, in de winkel een winkelmeisje en ook zijn vrouw hielp veel in de winkel. Zijn vrouw deed ook de boekhouding. Een paar verbouwingen maakten o.a. de winkel en de etalage groter en meer bij de tijd. De woonkamer aan de straat werd opgeofferd. Achter de winkel was leefruimte en boven nog een aantal kamers. De klokgevel verloor door de storm in 1953 helaas zijn oorspronkelijk aanzien.   Tijd voor hobby’s? Tijd voor hobby’s had de bakker niet. Zijn enige hobby was bakken en vooral banket had zijn voorliefde. Veel plezier had hij aan het maken van bruidstaarten. De mooiste had een hoogte van vijf lagen. Speciaal zijn suikerbrood, oranjekoek en hazelnootpunten werden geroemd. Wat wij altijd bijzonder lekker vonden waren zijn sukadekoeken. In de Sinterklaastijd lag er op een grote tafel in de winkel allerlei sinterklaasgoed uitgestald. Zo omstreeks de Kerst maakte hij wel eens een miniatuur kerk van suikergoed voor de etalage. Een indrukwekkende hoeveelheid prijzen en diploma’s kan hij nog laten zien. Kwaliteit stond immer hoog in z’n vaandel. In 1979 dacht de familie Van der Brug lang genoeg gewerkt te hebben. De opkomst van de supermarkten had het er voor de kleine zelfstandigen niet gemakkelijker opgemaakt. Hun zaak draaide goed maar het was (soms te) hard werken voor wat je er in de portemonnee voor terug zag. Ze deden de zaak over aan hun zoon Jan, één van de vijf kinderen die ze hadden. Jan en zijn vrouw Lia maakten in 1995 een carrièreswitch. De gebroeders Hallema namen de zaak over. Op hun beurt gaven zij het bedrijf per januari 2026 weer door aan bakker Lenes. Schilderen een jongensdroom Over de vraag of hij weer bakker zou zijn geworden als hij voor die keuze gesteld zou kunnen worden, moest Van der Brug even denken. Hij antwoordde even later glimlachend: “Ja, as dat kinne soe, mar dan wol mei deselde frou sij wie tige saaklik en ik wie foaral fakman, dat wie in prima kombinaasje”. En daar had hij gelijk aan. In zijn vrij nieuwe woning aan de Kolkstraat spraken we over zijn bakkersverleden van meer dan vijftig jaar. Bij de koffie aten we oranjekoek!  “Ut deselde bakkerij as froeger”, zei Van der Brug er met pretogen bij. Nog steeds prima van smaak. Zijn hobby is nu tekenen en schilderen. Dat was te zien. Er hingen en stonden enkele niet onverdienstelijke voorbeelden van zijn kunnen in z’n woning. Zelfs volgt hij nog schilderles en dat is kras voor een 85-jarige. Eigenlijk een jongensdroom maar in het schilderen en tekenen was in zijn jeugd geen ‘droog brood’ te verdienen, vond zijn vader. Dus dan toch maar liever bakker. Hij woont nu alleen want zijn vrouw Mina van der Brug overleed in 1999. Samen hebben ze nog 20 jaar ‘stil’ in hun nieuwe huis kunnen wonen aan de Kolk…. Buiten in de ren liepen enkele gevederde vrienden van hem rond. ‘Och, in pear hintsjes der hew ik wol aerdichheid oan’, zei Meinte van der Brug. Meinte overleed in 2012.

De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal Het artikel beschrijft de geschiedenis van de melkboeren in Haskerland en Doniawerstal, met een centrale rol voor Piet Hoekstra, Sjoerd Hoekstra en Ruurd van der Heide. Na de Tweede Wereldoorlog besloten melkhandelaren hun belangen te bundelen. Op 19 februari 1946 werd in Café Teernstra te Joure de’ Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. Het bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, Harm Oppewal en Siebe Brouwer. De afdeling bleef actief tot 1973 en fuseerde daarna met Heerenveen. Een terugkerend probleem waren de ‘zwarte venters’: boeren die melk onder de prijs verkochten. Hoewel de bond aandrong op het doorgeven van namen, weigerden de Jouster venters dit aanvankelijk uit solidariteit met boeren die tijdens de oorlog hadden geholpen. Pas later werd strenger opgetreden. Het document geeft een levendig beeld van de moeilijke economische omstandigheden vlak na de oorlog. Zo klaagde secretaris Oppewal over de strenge winter en de strakke rantsoenering: “Doch gelukkig is het voorjaar gekomen…”. De overheid bepaalde prijzen en rantsoenen, wat de venters zwaar trof. Rond 1950 werd de wijksanering ingevoerd: elke melkventer kreeg een eigen wijk, met regels voor omzetverdeling, ziektevervanging en klachtenafhandeling. De bezorging ontwikkelde zich van handkar en hondenkar naar bakfiets, elektrische wagens en uiteindelijk de rijdende winkel. In 1966 verscheen de eerste echte SRV-wagen; in 1973 reden er al 300 in Friesland. De concurrentie van supermarkten nam vanaf de jaren zestig sterk toe. Waar venters ooit 100% marktaandeel hadden, daalde dit landelijk naar 50%. De Friese Bond probeerde via inkooporganisaties zoals de ZHM de positie van venters te versterken. Het artikel sluit af met anekdotes die het sociale karakter van het beroep tonen, zoals klanten die op basis van geloof de melk verdeelden en de melkboer die als eerste merkte wanneer er gezinsuitbreiding op komst was. De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal  ‘Friesche Bond’ (Het complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 uit 2006) Zoals zoveel ondernemers die in eenzelfde branche werkzaam waren, namen na 1945 ook de melkhandelaren het initiatief om hun gezamenlijke belangen beter te behartigen door hun krachten te bundelen in één organisatie. De eerste vergadering van melkventers werd op 19 februari 1946 gehouden in Café Teernstra (later Café Swart en nu Café 't Hert) te Joure. Ondanks het geringe aantal van 5 aanwezigen werd ‘De Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. De Friese Bond bestond overigens al sinds 1934. Het eerste bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, voorzitter; Harm Oppewal secretaris en Siebe Brouwer penningmeester. De contributie werd vastgesteld op 50 ct (guldens!) per maand en de secretaris kreeg opdracht om ook de andere collega's uit Joure, St. Nicolaasga, Terkaple en Idskenhuizen te bewegen lid te worden. Uit de notulen blijkt niet direct wat de aanleiding was tot de oprichting of wat men concreet in de toekomst wilde bereiken. Ze zijn bondig en zakelijk zonder uitgebreid de discussies weer te geven die er ongetwijfeld geweest zijn en de frequentie van vergaderen lag niet hoog. Veelal twee keer per jaar en soms werd ook een jaar overgeslagen. Ook werden de vergaderingen eerlijk verdeeld over de cafés in de gemeente. Jaarverslagen of regelmatige rapportages over de financiële stand van zaken zijn in het notulenboek niet terug te vinden. Desondanks komen toch in de loop der jaren wel een aantal zaken naar voren die de moeite waard zijn om weer eens in herinnering te roepen of bekend te maken. De Afdeling Joure heeft van 1946 tot 1973 bestaan en is daarna gefuseerd met Heerenveen; drijvende krachten waren Sjoerd Hoekstra die tot het einde voorzitter is geweest; Harm Oppewal, eerst secretaris en later de vertegenwoordiger naar de Friese Bond en Ruurd van der Heide die jarenlang secretaris is geweest. Piet Hoekstra werd in 1953 als penningmeester benoemd en nam na het aftreden van Sjoerd Hoekstra het initiatief om met de afdeling Heerenveen te gaan praten over samengaan. Het is wellicht aardig om de namen van de venters die ooit lid zijn geweest (voor zover nog te achterhalen) te vermelden: J. Boelsma Scharsterbrug,   J. Bosgra Joure, D. Brouwer Joure, H. Brouwer Joure, J. Ekas Joure, L. Eppinga Langweer, J. Fluitman St. Nicolaasga, E. Haagsma St. Nicolaasga, R. van der Heide Joure, P. Hoekstra Joure, S. Hoekstra Joure, Sj. Hoekstra Joure, Hogeterp Joure, J. Horjus Joure, R. de Jong Ouwsterhaule, D. Kamminga Terkaple, H. Oppewal Joure, Pekema Joure, Van der Ploeg Joure, Pol Joure, S. Postma St. Nicolaasga, H. Schmitt Joure en P. Sijbesma Idskenhuizen In 1975 werden Ruurd van der Heide en Piet Hoekstra en in 1977 H. Brouwer benoemd tot Bondsridder van de Friese bond wegens een 25-jarig lidmaatschap. Zwarte venters Eén van de zaken die steeds weer terugkeert op de agenda is het probleem van de ‘zwarte’ venters. Er waren nogal wat boeren in Haskerland  die melk verkochten aan particulieren onder de prijs die de melkhandelaren rekenden. Direct al in 1946 werd door de provinciale organisatie aan de afdelingen gevraagd namen van de zondaars door te geven. Dat werd in Joure geweigerd omdat men vond dat de boeren die in de bezettingstijd zoveel mensen hadden geholpen, daardoor in moeilijkheden konden komen. Men besloot een brief te schrijven waarin werd gesteld dat vrijwel alle boeren melk verkochten maar dat men geen namen wenste te verstrekken. Maar het probleem bleef toch bestaan want in 1949 wordt "na een lange discussie" besloten om de politie te vragen die boeren te bezoeken die "clandestien" melk verkopen en in 1950 vraagt de Friese Bond aan de afdeling om namen door te geven van ventende boeren "en de zaak komt o.k.’  Het werkte kennelijk niet want in 1953 komt het punt nog eens in de notulen voor en in 1955 wordt besloten een lijst van verkopende boeren op te stellen en deze aan de VMO (de landelijke Verenigde Melkhandelaren Organisatie) te sturen. In begin 1957 is het probleem nog niet uit de wereld en dringt de Friese bond er bij de afdeling op aan om de namen van boeren aan haar door te geven zodat ze in handen gesteld kunnen worden van de Rijkspolitie "die haar volle medewerking heeft toegezegd." Eind 1957 wordt letterlijk in de notulen vermeld: "Hierna weer het aloude onderwerp: melk halen bij de boer. Hier is maar één oplossing voor: geef toch de namen door van de boeren die dit doen. In Joure is gebleken dat dit prima helpt." In de jaren daarna wordt er niets meer over genotuleerd en is het probleem kennelijk opgelost. Aardig is ook een ontboezeming van secretaris Oppewal in 1946 waarbij hij tussen de verslagen door in het notulenboek een aantekening maakt en klaagt over de strengste winter "die wij allen zolang we melkventers zijn hebben meegemaakt" en over de krappe economische omstandigheden waarin de melkventers verkeerden. Een letterlijk citaat laat daar wat van zien: "Doch gelukkig is het voorjaar gekomen en was de winter spoedig vergeten en we dachten dat ook daarmee alle ellende over zou zijn. Maar helaas, alle onze pogingen om iets te bereiken, de melk vrij of althans enige verruiming van rantsoenen te krijgen, mislukten. Een klein percentage karnemelk, kleiner dan in 1946, kregen we zonder bon. Een kleine verbetering trad in op 25 Februari 1947 toen de provisie met 0,4 verhoogd werd. Al was het niet veel, toch was het een stap in de goede richting. Maar er waren geruchten dat eerlang de omzetbelasting zou verdwijnen en dan zou zeer zeker de verlaagde belasting ten goede komen aan de venters.  Doch in Den Haag was men even beter bedacht op het vasthouden dan we in de verste verte konden verwachten. Per 1 juli verdween de omzetbelasting op melk/karnemelk en wij moesten 0,30 per liter meer betalen en de belasting op pap werd met 1% verhoogd, te betalen door de venter. Leek het aanvankelijk dat we de vrije karnemelk zouden behouden, in de loop van de zomer werd dit reeds gehalveerd en in September werd alles ingetrokken. Op 4 oktober werd de prijs der pap met 1 ct. per liter verhoogd. Midden november was reeds door de radio bekend gemaakt dat de prijzen van sommige levensmiddelen moesten worden verhoogd en ja hoor, 22 november werden alle prijzen der melk- en melkproducten met 2 ct. per liter verhoogd en de prijs der boter met 96 ct. per kilo. Maar het sluitstuk der drama's van dit jaar kwam wel midden december toen de Minister van Voedselvoorziening bepaalde dat de melkrantsoenen noodzakelijk moesten worden verlaagd en het kwam, al was het niet veel, toch genoeg om de melkhandelaren een strop te bezorgen. Gelukkig dat de natuurelementen deze winter niet zo erg woedden als de vorige wat voor ons werk vrij wat gemakkelijker is. We zullen hopen dat het komende jaar een goed jaar voor ons moge zijn, gezondheid en arbeid, alsmede loon, voldoende loon op die arbeid." Einde citaat. Bedacht moet worden dat in die tijd de rijksoverheid de inkoop- en verkoopprijzen vaststelde en dat vele levensmiddelen "op de bon" waren. Wijksanering Vóór 1950 waren er nog geen eigen wijken en trokken de venters noodgedwongen door het hele dorp. Gestimuleerd door de overheid en de noodzaak om efficiënter te werken werd een sanering gestart en in de grotere plaatsen kreeg iedere venter zijn eigen wijk waarin de producten bezorgd werden. Wanneer de wijken veranderden of er nieuwe bijkwamen, moest de verdeling aangepast worden om de omzet gelijkmatig over de venters te verdelen. In Joure werd hiervoor een aparte commissie benoemd bestaand uit de voorzitter, secretaris en Piet Hoekstra die regelmatig bijeenkwam om zowel de eerste opzet van de wijken als latere correcties te regelen. Er werd tegelijkertijd een reglement opgesteld dat niet alleen de wijkindeling regelde maar ook de onderlinge verhoudingen tussen de melkboeren. Zo werd een vertrouwenscommissie ingesteld om klachten van consumenten te behandelen; werd de klacht vastgesteld dan kon ook een boete worden opgelegd (waarvan de hoogte door de collega's werd vastgesteld!). Bij ziekte dienden de collega's de betreffende wijk over te nemen en aan de zieke over de eerste 10 weken een vergoeding van 2 ct per eenheid af te dragen en in de volgende 10 weken van 1 ct. Er werd een basisomzet vastgesteld; afwijkingen werden maandelijks vastgesteld; het teveel kwam in een gezamenlijke pot en tekorten werden ook hieruit betaald. Men werd ook verplicht om 1 week vakantie op te nemen. Een raadselachtige bepaling is dat alle in de handel voorkomende producten door de deelnemers kunnen worden verkocht met de toevoeging: "Hieronder zijn ook de Nutriciaproducten begrepen".  De melkkar De bezorging op zich onderging ook de nodige veranderingen. Waar de vader van Piet Hoekstra vroeger met 4 of 5 producten op de handkar door de buurt trok en later met de hondenkar, kwamen daarna paard en wagen en weer later de bakfiets in beeld. Piet Hoekstra bijvoorbeeld heeft tot 1962 de bakfiets gebruikt. Met het einde van de verkoop van losse melk en melkproducten en de groei van het assortiment kwam de vraag naar grotere wagens. In 1961 werden door de Friese Bond 165 Creusen electrobezorgwagens aangeschaft. Ze waren nog vrij klein en daarom alleen geschikt voor de bezorging van producten in flessen en een beperkt aantal bijproducten. In 1966 werd de eerste echte rijdende winkel in gebruik genomen; in 1973 waren er in Friesland 300 stuks op de weg. De voormalige melkventers verkochten ook groente, fruit en brood en hadden ze een assortiment van minstens 400 producten!  De leveranciers In Joure werd de melk na W.O. II eerst geleverd door Hollandia in Scharsterbrug, daarna door de zuivelfabriek in Akmarijp en later door die in Haskerhorne. Rond W.O. II werd de melk voor Joure aangeleverd in de Torenstraat en daar door de venters opgehaald. De bestelbriefjes voor de melk van de volgende dag werden 's ochtends in een fles ingeleverd. Het gaf in de winter problemen om de producten niet te laten bevriezen en dan werden deze tijdelijk bewaard in het Armenhuis of in de scheerwinkel van Otter. De karnemelkse pap werd bij vriezend weer warm in bussen aangeleverd. Piet Hoekstra nam bij vorst dekens mee op de kar om met name de flessen niet te laten bevriezen. Het overkwam hem echter een keer dat de vorst hem verraste toen hij in Noord-Broek zonder dekens op ronde was en dat had 30 kapotgevroren flessen tot gevolg. Piet Hoekstra herinnert zich ook nog dat hij in de winter bij sneeuw een slee leende van Stroosma aan de Vegelinsweg en dat het in de zeventiger jaren een keer zo gesneeuwd had dat de Slachtedijk dicht was gewaaid en hij met de slee over het ijs (waar wel een baan was schoongehouden) naar Noord-Broek moest. De melk die men overhield ging 's middags retour naar de fabriek. Eén keer per week werd met de fabriek afgerekend. Sociale ondernemersaspecten Ook op sociaal terrein was men actief, zowel in de Afdeling als bij de Friese Bond. Zo werd geprobeerd om een vakantie- en ziekteregeling te treffen door wekelijks een bedrag daarvoor af te dragen. In 1952 werd door de landelijke bond een ziekte- en ongevallen- en overlijdensverzekering opgezet en in 1955 een pensioenregeling. Maar er was ook tijd voor gezamenlijke uitstapjes zoals uit onderstaande foto blijkt. Soms had men ook gastsprekers op de vergaderingen en meestal waren dit afgevaardigden van de Friese Bond. Een regelmatige aanwezige was C. Boonstra, melkboer uit Leeuwarden, de vader van de voormalige voorzitter van de Raad van Bestuur van Philips, oprichter van de Friese bond van Zelfstandige Melkhandelaren en later voorzitter daarvan. Hij was de drijvende kracht achter de Friese organisatie. Maar er kwamen ook wel eens vertegenwoordigers van een bedrijf die probeerden hun producten bij de melkventers onder te brengen. Zo kwamen ook eens twee heren van Sterovita hun koffiemelk aanprijzen. Als lokkertje was met de Friese bond overeengekomen dat per verkochte 1/2 liter fles 1 cent in de kas van de oudedagsvoorziening zou worden gestort. Na het verkooppraatje werden tijdens de vergadering 6 flessen koffiemelk verloot. Maar ook Boonstra propageerde wel eens een product zoals bijvoorbeeld de keer dat hij adviseerde om Nutricia koffiemelk op de kar te houden doch ook om Friese Vlag te leveren als daarom gevraagd werd. Dit laatste om de goede relatie met de leverancier in stand te houden. De marges Ook een terugkerend onderwerp op de vergaderingen waren natuurlijk de prijsontwikkelingen en met name de marges voor de venters. Hierin hadden de provinciale- en landelijke organisaties een belangrijke rol tegenover de zuivelfabrieken. Boonstra was ook de man die het initiatief nam om in 1963 een centrale inkooporganisatie, de ZHM (Zuivel Handel Maatschappij) op te richten. Hiervoor werd in Irnsum een pand neergezet dat in mei 1965 door de Commissaris der Koningin Mr. Linthorst Homan werd geopend. Achtergrond voor deze stap was de opkomende concurrentie van de grootwinkelbedrijven. Maar er zat ook achter dat via afspraken met leveranciers er meer financiën beschikbaar kwamen voor de algemene voorzieningen voor overlijden, ziekte en de oude dag. Boonstra dringt er dan ook op aan om zoveel mogelijk bij de ZHM te bestellen. De latere leverancier van zelfbedieningswagens, de firma Spijkstaal droeg ook bij in de sociale kassen van de Friese Bond. Naast het meerderheidsbelang van de Friese bond had de CCF een minderheidsbelang in de ZHM. Schaalvergroting Een eerste dreiging van de winkelbedrijven komt naar voren op een vergadering in 1965 waar ervoor gepleit wordt om op één dag in de week voor twee dagen uit te venten zodat er wekelijks een vrije dag aan kan worden overgehouden. Boonstra waarschuwt ervoor dat er papierverpakkingen op komst zijn die gemakkelijk in de winkel verkocht kunnen worden waardoor de omzet van de melkventers terug zal lopen. In 1968 wordt gemeld dat men in Joure nog geen last heeft van de kruidenierwinkels maar in St. Nicolaasga wel. In 1969 is er voor het eerst op de vergadering sprake van zelfbedieningswagens die blijkens informatie van Zondervan (de 2de voorzitter van de Friese Bond) goed draaien. De ‘Cash en Carry bedrijven’ zullen naar zijn mening zichzelf wegconcurreren en voor melkproducten in de supermarkten hoeft men als venter niet bang te zijn behalve als deze vlak bij hoogbouw gevestigd zijn.  SRV In 1972 valt voor het eerst de term ‘SRV’ (Samen Rationeel Verkopen, een coöperatie ontstaan door fusie van inkooporganisaties). In datzelfde jaar wordt de VEGE winkel in Langweer op de vingers getikt omdat deze normaal Frico melk verkoopt maar tegelijkertijd met DOMO-melk stunt en dat mocht niet. In 1973 (nog maar 4 jaar na de geruststellende woorden van Zondervan) komt naar voren dat de concurrentie van de supermarkten ernstig wordt. In de notulen valt zelfs de term “vermoorden”. In Friesland is het marktaandeel van de venters teruggelopen van 100 % naar 86 %; landelijk is er zelfs een daling naar 50 %. Tijdens de laatste genotuleerde vergadering op 3 april 1973 wordt afscheid genomen van Sjoerd Hoekstra als voorzitter omdat hij zijn melkhandel heeft afgestoten en geen lid meer is van de Friese Bond. In een naschrift van de secretaris wordt vermeld dat Hoekstra gedurende 27 jaar voorzitter is geweest. Hierna stoppen de notulen abrupt; er wordt met geen woord gerept over het samengaan met de afdeling Heerenveen. Anekdotes Tot slot nog enkele leuke ervaringen die uit de gehouden gesprekken naar voren kwamen zoals de gewoonte in de detailhandel om geloofsgenoten te begunstigen met de klandizie. Een mooi voorbeeld daarvan is dat een gereformeerde klant 's ochtends een emmer klaarzette waarin achtereenvolgens de gereformeerde, de hervormde en de atheïstische melkventer resp. 1 ½, 1 en een 1/2 liter melk mochten deponeren. De melkboer was soms ook eerder op de hoogte van gezinsuitbreidingen dan anderen doordat er plotseling karnemelk werd gekocht. En ik weet niet of de term u bekend is maar Meester de Haan van de Wumkesschool bestelde altijd 1 pegel karnemelk (ofwel ¼ liter). In de tijd dat Piet Hoekstra een SRV wagen had, werd hem het brood geleverd door bakker Breimer. Op een gegeven moment kwam het regelmatig voor dat het aantal broodjes minder was dan Breimer in rekening bracht. Volgens Breimer lag de fout niet bij hem en dat bleek later waar te zijn toen Hoekstra erachter kwam dat hij 's ochtends te maken had met een hongerige krantenjongen.

Wonen en werken in de Pottenbakkerssteeg Achter in de Pottenbakkerssteeg stond een blokje van vier witgepleisterde woningen waar niet alleen werd gewoond, maar ook gewerkt. Tot circa 1869 waren er pottenbakkers actief. In 1870 startte timmerman Riemer Roels Dijkstra er een kalkblusserij. De eerste steen werd gelegd op 1 november 1870, een emotioneel moment voor de familie, omdat in datzelfde jaar een zoon Jan werd geboren, terwijl een eerder kind met dezelfde naam in 1868 was overleden. De gevelsteen met de initialen R D herinnerde aan deze gebeurtenissen. De familie Dijkstra woonde er decennialang, tot minstens 1903. In 1949 werd de vervallen muur vervangen; meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries redde de gevelsteen en hield deze in de familie. Zijn zoons Nico en Wiebe werkten er later als meubelmakers. In 1980 verhuisden de broers naar het Skûtsje waar Nico de steen mee naar toe nam. Uiteindelijk schonk hij deze aan het Museum Joure. De Pottenbakkerssteeg (Het complete artikel) Dat blokje van 4 woningen met witgepleisterde muren, achter in de Pottenbakkerssteeg, grenzend aan de Overspitting en met rechts om de hoek ‘de grutte dwingel’-oudere Jousters kunnen dat beeld nog wel in hun herinnering terughalen. Hun gedachten zullen dan ongetwijfeld vooral uitgaan naar de mensen die daar hebben gewoond. Dat beeld is dan evenwel niet volledig want in het blokje woningen werd niet uitsluitend gewoond maar ook gewerkt. Om te beginnen door elkaar opvolgende pottenbakkers. De overlevering wil dat omstreeks 1869 de laatste pottenbakker de deur van zijn werkplaats achter zich heeft dichtgetrokken. In 1870 kwam er nieuwe bedrijvigheid. De timmerman Riemer Roels Dijkstra vroeg en kreeg vergunning om te beginnen met een kalkblusserij. Op 1 november 1870 werd daartoe de eerste steen gelegd. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Jouster Museum. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Jouster Museum. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Museum Joure.