Boerderijen in en rondom Joure (deel 1)


Boerderijen in en rondom Joure (deel 1)
© Foto voorblad: Stichting Ut Eigen Gea, gepubliceerd onder de licentie/disclaimer: Rechthebbende bij ons onbekend

Boerderijen in en rondom Joure

Deze herinneringen van Henk Minnema (2000) schetsen een levendig beeld van de vele boerderijen en koemelkerijen die in de twintigste eeuw in en rond Joure stonden. Het verhaal volgt de oude wegen, stegen en paden, en beschrijft per locatie welke boeren er woonden, hoe zij leefden en hoe de omgeving veranderde door ruilverkaveling en woningbouw. Aan de oostkant van  Joure stonden diverse kleine en middelgrote bedrijven, zoals de boerderij van Bertus Visser, die later een eethuis werd. Achter stegen en werkplaatsen bevonden zich stolpen en stallen van onder meer Johannes Hooghiemstra en Eelke de Boer. Veel boeren haalden hun melkgeld zelf op in het dorp, zoals Liuwe Mulder en Ype van Keimpema. Van deze laatste werd de boerderij later gesloopt en in oude stijl herbouwd als dokterspraktijk. Verderop lagen bedrijven van families als Bergsma, De Jong, Van der Zee en Yntema. Over Douwe Yntema vertelt Minnema een persoonlijke anekdote over de brug bij Remagen: “Zie Henk, die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen.” Veel van deze boerderijen verdwenen door uitbreiding van Joure of brand, of werden verplaatst naar de Haskerveenpolder. Ook aan de noordkant van de Midstraat en langs de Scheen stonden talrijke bedrijven, vaak met hooibergen, kleine stallen of kop-hals-rompboerderijen. Namen als Huitema, Klompmakker, Minnema, Ypma en Grondsma komen voorbij. Sommige boeren hielden slechts enkele koeien of paarden; anderen hadden loonwerk of veekoopmanschap erbij. In Westermeer, het oude hoofddorp, stonden eveneens meerdere boerderijen, waaronder die van Sjoerd Minnema, de familie Landman en Ymke Baaiema. Het gebied veranderde sterk door de aanleg van autowegen en ruilverkaveling, waardoor veel bedrijven verdwenen of verplaatst werden.

Samen vormt het document een warm, gedetailleerd tijdsbeeld van het agrarische leven rond Joure, vóórdat modernisering en uitbreiding het landschap ingrijpend veranderden.

Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure

(Complete artikel Deel 1)

Hendrik Cornelis Minnema, (Henk) geboren 22 oktober 1926 te Blauwhuis en overleden op 22 maart 2003 te Heerenveen. Gedurende het grootste deel van zijn jeugd woonde hij aan het Binnenpad op de boerderij achter het kerkhof van Westermeer. Na zijn diensttijd die hij in Nederlands-Indië doorbracht, trouwde hij en werd boer in Vegelinsoord, aan het kanaal. (Meenscharweg). Na de ruilverkaveling aan de Vegelinsweg op een nieuwe boerderij.  Toch lag zijn belangstelling uiteindelijk ergens anders: het toneel en wel Tryater, waar hij diverse functies heeft vervuld en ook een aantal keren een rol toebedeeld kreeg. Hij had een brede belangstelling en na zijn pensionering begon hij te schrijven o.a. over de boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure. Zijn weduwe, mevrouw T. Tuinstra te Drachten, heeft mij toestemming gegeven dit artikel te publiceren met vermelding van zijn naam Theo Mulder.

Is Joure een oude naam, een oude plaats? Och, vergeleken met een mensenleven wel, maar in vergelijking tot de natuur en leven nog maar een nieuwe plaats. Trouwens het dorp Westermeer nu dat niet meer bestaat, was nog iets ouder. Daar woonden de mensen vroeger omdat daar wat hogere zandgronden waren. Daar konden ze droge voeten houden omdat de gronden daar boven de zeespiegel lagen. In 1825 had het zeewater bijna tot Joure gestaan. Toen lag de Hoge Zomerdijk daar al die het zeewater keerde. De dijk liep tot aan de Slachtedijk en zo verder naar het noorden zodat een flink deel van oostelijk Friesland niet overstroomde. Dat lag trouwens ver boven de zeespiegel nadat het hoogveen verveend was. Op die gronden was het volgens de bewoners daar niet te boeren. In Westermeer dan wel? Och de boekweit, de haver en korenvelden lagen op de hogere gronden Daar tussenin werd het vee geweid en stonden de boerderijen, veelal aan het Binnenpad zoals dit pad later werd genoemd. De hooilanden lagen verder weg in de tegenwoordige Haskerveenpolder. Vaak was er wel heel veel land bij die boerderijen soms wel 200 pondemaat (1 pondemaat=36,74 are).

Boze tongen zeiden wel eens, dat als er genoeg hooi was en het weer werkte niet mee, de boer niet alle jaren in het verste land kwam. Het vervoer was vroeger wel eens een probleem, vooral 's winters. De zandpaden, dat ging nog wel. Maar om van Haskerhoarne naar Nijehaske te gaan (nu Heerenveen) was moeilijk in de winter, door de weke veenpaden in Oudehaske. Over het water was dan een uitkomst en ja, tot het eind van Westermeer, zover kwam het water. Op de laatste zandkop bij Westermeer hadden de mensen destijds een kerk neergezet met natuurlijk een kerkhof er omheen. Ook in die tijd gingen de mensen al dood. Van de eerstgenoemde staat alleen de toren nog, wat het andere betreft daar ligt iedereen nog even rustig. De boeren wilden de dingen die ze over hadden natuurlijk wel verkopen, zoals vee, boter en kaas, maar ook boekweit en haver. Omdat de infrastructuur in die tijden niet optimaal was, zetten ze hun haver en zo in de buurt van het water aan bulten, dan kon het als het gedorst werd, afgevoerd worden. Er zijn altijd mensen die handel ruiken, ook vroeger al. ”In gat in de merk” en gingen wonen in de buurt van die haverbulten. Waar er één is, komen er meer, zoals ambachtslieden. Een smid, een timmerman en zo meer, mooi op een rijtje en tegenover elkaar. Dat pad er tussenin noemen ze tegenwoordig de Midstraat. Omdat het vervoer nog meestal over het water ging, zorgden de mensen wel dat aan beide kanten achter het huis een flinke brede sloot gegraven werd. Velen bouwden ook een stal achter hun huis. Het hele jaar door was er niet altijd handel en dan hadden ze tenminste nog een paar koeien om van te leven in de slappe tijd. Zo door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen wonen. Er kwamen ook stegen bij, die natuurlijk dood liepen bij de sloot of kolk. In zulke stegen konden ze voor een paar centen een kamer met een klompenhokje neerzetten, waar ze de arbeider onderdak geven konden. Ook de arbeidersmensen van de boeren uit Westermeer woonden zoals het schijnt liever op de Joure. De naam Haverkamp was te lang, dus hadden ze het kamp al vallen laten. Veel arbeiderswoningen stonden er later in Westermeer ook niet meer. Allen trokken naar de Joure. Zelfs kerkgangers, dus werd er ook een kerk gebouwd en ze lieten de eigen kerk ‘fertutearzje’. De kermis en de cafés kwamen op de Joure. Het café op de Seewei heeft het trouwens nog lang volgehouden. (‘It heerlijk zitje’, red.)

De toren van het kerkhof in Westermeer is het enige dat nog over is van de kerk. Vroeger en ook nog na de laatste wereldoorlog werd de klok buiten een begrafenis twee keer overdag geluid: om 11 uur `s morgens en om 4 uur ‘s middags. Om 11 uur kon de arbeider naar huis toe te eten en om 4 uur was het theedrinkers- en vervolgens melkerstijd. De werktijden begonnen ca. 1940 al te veranderen. De arbeider ging toen al om 12 uur naar huis. Ook het boerenleven in en om  Joure begon na de oorlog te veranderen. Ik ben zo eens nagegaan wie in mijn jonge jaren, dat waren de dertiger jaren, nog een boerderij hadden in en om de Joure. Dat waren heel wat. Winkeliers van de Joure moesten er voor een groot deel van bestaan, al was D.E. en meer industrie  in opkomst in de 19e eeuw. Ook  botenbouw, klokkenmakerijen en meubelmakerijen waren begonnen op de Joure. Daardoor werd de boerensector minder belangrijk. Zodoende zochten steeds meer boeren ander werk  of stopten met werken. Ze gingen ook naar grotere bedrijven en die kleine boerderijtjes waren vrij arbeidsintensief. Zoiets kon niet langer. Later was er veel land nodig om huizen te bouwen en straten aan te leggen. Ook kwamen er meer fabrieken. Er woont nu - en dan gepraat ik over de 90er jaren van de vorige eeuw geen boer meer in de Joure.

Wie boerden er voor, in en na de oorlog in en om de Joure?

Om te beginnen: de boer van Heremastate, zoals het gezegd werd. Niet dat deze man hereboer was, Hofstra, achter de winkel van IJsselmuiden aan de Appelwijk. In de steeg bij het DE-plein, richting de Kolk, boerde Durk van der Zee, kleine Durk; geen voet grond bij huis. De strontpream lag ‘s winters in de Kolk, en daar werd mest in gemengd. Van der Zee kwam altijd met veel nieuws uit de dorpskom thuis. In de regio tot aan de Torenstraat waren er wel meer met een veestalling, maar of er nog meer boerden in die tijd weet ik niet. Ale Bosma aan het water op de Krim had ook zo’n veestalling met hooiberging. Hij had er wel eens vee staan, meen ik. Verder boerde die met zijn broer Aise aan de Sluisdijk; dat werd later overgenomen door twee jongens van Aise. Dat waren ook de laatsten die er boerden; ze hielden op in de 80er jaren.
Op de Sluisdijk zaten diverse boeren; of het er allemaal nog Sluisdijk heette, weet ik niet. Om te beginnen: Sipke Bosma woonde er op het spul waar eerst zijn vader Jan woonde. Via de verkaveling is S. Bosma na de Meenscharweg verhuisd, waar een nieuwe boerderij gebouwd is. Dan boerde er Sikke Soeting en later zijn zoon Germ. Ook hij verhuisde via de ruilverkaveling naar de Oude Geeuw. Zijn broer Gerrit werd kippenboer. Ytsen Stilma boerde er tot aan het eind van zijn boerzijn, met een ‘pôltsje’ land bij huis en verder alles ver weg. Hij haalde ook wel schillen en oud brood op in Joure. “Altijd zie ik het na op scheermesjes en zo”, zei hij wel eens. “Anders erg goed vreten voor de dieren”, was hij van mening. Ook Geert Jongsma woonde er; hij is via de ruilverkaveling verhuisd naar de Wyldehoarnstersingel. Dan nog voor de brug in de Slûsdyk: Piet van der Laan en later zijn zoon Roel. Roel van der Laan ging later na het wonen en boeren naar de Skarren. Er moet ook een de Jong in de steeg bij Marten Bosma, de winkelier op ‘t Zand voor de Torensteegbrug, gewoonde hebben. Die zat aan het eind bij het water van de Schipsloot en had land in de Haskerveenpolder. Dan op naar Eigen Haard. Eerst Oene Loopstra, met zijn zoon Rienk, die wat slecht lopen kon. Ze hadden een stuk of zes koeien, die een beste sloot melk gaven. Oene had het wel over de middelste stal, over de tweede stal van boven en dan weer over de tweede stal van onderen, maar dat was wel altijd dezelfde stal. En dat die koeien een sloot melk gaven; maar dat waren dan wel altijd dezelfde koeien. Een eindje verder boerde Boudewijn van der Werf, bij de Penninga`s molen. Deze boer stond bekend om zijn stevig gebouwde dochters. Dan naar de Slachtedyk, waar Bernardus Holtrop boerde en later zijn zoon Gerrit. Deze boer en koopman is later door D.E. naar de Woudfennenn ‘gedacht’. D.E. wilde wel wat meer ruimte hebben voor fabrieksuitbreiding. In de Wâldfinnen wonen de Holtrops ook niet meer. Die boerderij is later verbouwd tot sauna. D.E. in de persoon van oude meneer Kees de Jong, beter bekend als ‘meneer He’, heeft zelf in de laatste oorlog ook nog aan de Slachtedijk geboerd. Dat ging vooral, omdat de bezetter bevolen had, dat boerenland in boerenhand moest, zodat alleen een praktiserend boer land mocht kopen. Dus werd meneer de Jong ook boer. Verderop naast de Zwagemervaart woonde en boerde nog Jan Hooghiemstra; zijn boerderij is ook door D.E ingelijfd. Bij Jan Hooghiemstra achter het huis een eindje de polderdijk langs met een bruggetje  over de Zwagemervaart boerde Rindert Brouwer nog. Vroeger stond ‘s winters het land eromheen meestal onder water. Deze Brouwer ging voor geen enkele hond aan de kant! Even buiten de Joure, aan de hedendaagse Vegelinsweg, stond vroeger de stolp waar Joost de Jong boerde; een gewaardeerde man en goede boer. Hij had als schooljongen met een paar maten, zo werd er gezegd, van de Tolhûsbrug af geprobeerd wie het verst kon pissen en dat had Joost gewonnen. Er zo kunt u daar een naam aan overhouden..... Wybren, zijn zoon, boerde er later, tot de gemeente de boerderij van het land afzonderde met een nieuwe weg. Daardoor vertrokken Wybren met zijn huishouding en vee. Van de boerderij is toen een bowlingcentrum gemaakt, maar een brand veranderde de zaak weer. Er moest weer opnieuw gebouwd worden en dat is ook gebeurd. Dan komt de hoek van de Torenstraat af naar het oosten aan de beurt. Bij Terra in de steeg, de Baanstege, stond de boerderij van Hendrik Gouma, ook wel Hendrik van Nuttert genoemd. Vele ouderen zullen hem/haar die vriendelijke man voor ogen halen kunt met zijn kedde voor de wagen. Dat beest werd meer dan 35 jaar oud en het was een groot verlies voor Hendrik toen het stierf. Midden in de Midstraat, tussen de beide torens in, stond de winkel van de dames Holtrop, met de bel aan de deur en waar de zakken met erwten en bonen langs de kant stonden met omgerolde boveneinden. Alles was er volgens de klanten sfeervol. Achter die winkel en woning was de boerderij van hun broer Wobbe en zijn zoon Herman (Manus). Wobbe Holtrop herinner ik mij, niettegenstaande zijn tegenslagen in het leven, als een fleurig man. Als het tegenzat met het weer in de hooitijd, dan was zijn opmerking, dat hij het hooi niet eerder nodig had dan in november. Ook zijn bijbelkennis verliet hem nooit. Als hij met een koe bij onze stier kwam en laatstgenoemd beest kwam, zoals gewenst was, omhoog, dan hoor ik hem nog zeggen: “Klimt op tot de bergen van Sion en luidt de klokken van Jericho!”. Van Herman werd gezegd, dat als het in de herfst koud was hij lang de wanten aanhield. Ook deze boerderij is in samenwerking met de ruilverkaveling buiten de Joure gebracht.

© Tekst: Henk Minnema
Lees meer

Gerelateerde informatie


Foto’s



Reageren

Via onderstaand formulier kunt u een reactie achterlaten voor de auteur of de eigenaar van het item. (Stichting Ut eigen Gea)