Welkom in Oud Joure

Oud Joure vormt het levendige hart van de Vlecke Joure – een term die aangeeft dat Joure historisch gezien geen dorp, maar een bijzondere nederzetting is, groter dan een dorp en kleiner dan een stad. Een plek doordrenkt van historie, herinneringen en het karakter van vroeger... {Lees meer over Oud Joure}.

Via deze website ontdekt u alles over Oud Joure. Hoe zag de Vlecke er vroeger uit? Waar lagen de steegjes en opvaarten? Waar stonden de fabrieken en boerderijen? Wie waren de markante bewoners en wat maakte hen bijzonder? Welke onvergetelijke gebeurtenissen vonden hier plaats? U vindt het binnenkort allemaal op deze website.

Binnenpaden en Buitenbeentjes

Soms moeten we dankbaar zijn voor de mensen die in het verleden de tegenwoordigheid van geest hadden om het belang van geschiedenis vast te leggen. Mensen die inzagen dat verhalen, herinneringen en kleine details anders misschien voor altijd verloren zouden gaan. Dankzij hun inzet kunnen wij vandaag de dag nog steeds terugkijken, begrijpen en waarderen waar we vandaan komen en waar we ons bevinden.

Een van die mensen was Marten Buis. In 1991 schreef hij het boek Binnenpaden en Buitenbeentjes, waarin hij met zorg en toewijding verhalen verzamelde over Oud Joure. Zijn werk is meer dan een opsomming van feiten; het is een levendige weerspiegeling van een gemeenschap, van mensenlevens en van het karakter van een bijzondere plek. Dankzij zijn inzet is er een waardevolle schat aan herinneringen en illustraties bewaard gebleven, die ons verbinden met het verleden en het verhaal van Joure levend houdt voor de generaties na ons. Het werk van Marten Buis vormt de basis voor deze website.

Een Jouster feuilleton

De beheerders van deze website willen iedere werkdag minimaal één nieuw verhaal publiceren (op deze website heet dit een 'venster'). De aftrap is voor het venster van Westermeer. Nieuwe verhalen worden telkens als uitgelicht verhaal op de homepage gepubliceerd. Er liggen honderden verhalen te wachten. Kortom, het loont de moeite om morgen gewoon weer een kijkje te nemen op deze website.

Oproep

Deze website wordt volledig gebouwd en beheerd door vrijwilligers. Jouster bedrijf DeeEnAa, Online City- en Regiomarketing in de Boterstraat sponsort de website. De site is gebouwd met ErfgoedCMS, een 'content management systeem' speciaal voor erfgoedcollecties zoals stads- en dorpsarchieven en collecties van oudheidkamers en streekmusea. Wil je als vrijwilliger meewerken aan deze website of heb je materiaal dat er niet op mag ontbreken? Neem dan contact op via het contactformulier of direct met Max Buis (Boterstraat 30, 06-20187087) of Bauke Folkertsma van DeeEnAa (Boterstraat 9, bauke@deeenaa.nl).




Uitgelichte vensters:

In de 17e eeuw vestigde de invloedrijke familie Van Baerdt zich in Joure en liet het statige Oud Hof bouwen. Deze buitenplaats bevond zich op een strategische locatie aan de zuidkant van het dorp, met directe toegang tot het water via de Jentjesvaart en de Jonkersvaart. Deze waterwegen verbonden het landgoed met het open vaarwater, waardoor de familie goederen kon vervoeren zonder afhankelijk te zijn van andere routes of tolposten. Het Oud Hof was omgeven door zorgvuldig aangelegde tuinen, vijvers en grachten, die niet alleen dienden als sierlijke elementen, maar ook als praktische waterwegen. De hoofdingang van het landgoed bevond zich vermoedelijk ter hoogte van de huidige Heidensingel, waar vroeger een bruggetje lag dat toegang gaf tot het terrein. Na verloop van tijd verloor het Oud Hof zijn oorspronkelijke functie en werd het uiteindelijk afgebroken. Op het terrein zijn later woningen en instellingen gebouwd, waaronder het Theresiahuis. Toch herinneren straatnamen zoals de Hobbe van Baerdtstraat en de aanwezigheid van oude waterlopen aan de rijke geschiedenis van het landgoed. Reconstructie van de omgeving van het Oud Hof Op basis van historische kaarten en overleveringen kunnen we de omgeving van het Oud Hof als volgt reconstrueren: Locatie: Het Oud Hof bevond zich aan de zuidzijde van Joure, nabij de huidige Heidensingel en Hobbe van Baerdtstraat. Waterwegen: De Jentjesvaart en Jonkersvaart liepen langs het landgoed en verbonden het met het Kromme Var en andere open wateren. Toegang: De hoofdingang lag vermoedelijk bij de Heidensingel, waar een bruggetje toegang gaf tot het terrein. Omgeving: Het landgoed was omgeven door tuinen, vijvers en grachten, die zowel decoratief als functioneel waren. Hoewel het Oud Hof zelf niet meer bestaat, blijft de invloed ervan zichtbaar in het huidige Joure. Straatnamen, waterlopen en de structuur van de wijk herinneren aan het eens zo prominente landgoed van de familie Van Baerdt.

Marten Buis werd in 1914 geboren in Borbeck, vlakbij Oberhausen in Duitsland, als kind van Friese ouders. Zijn ouders waren rond 1913 naar het Ruhrgebied vertrokken als gastarbeiders, op zoek naar werk en een beter bestaan. De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten, waardoor het gezin rond 1918 terugkeerde naar Friesland en zich vestigde in Joure, eerst in de Kaekelsteeg en later op het Patrimonium. Hoewel hij in Duitsland werd geboren, had Marten de Nederlandse nationaliteit en hoefde hij daardoor tijdens de Tweede Wereldoorlog niet op te komen voor Hitler-Duitsland. Marten Buis begon zijn loopbaan als stoffeerder bij de Jouster firma Van Achteren, gevestigd aan de Midstraat, in het pand waar tegenwoordig Van der Wiel accountants is gevestigd. Tijdens zijn werk volgde hij een opleiding etaleren in Amsterdam, waarmee hij zijn creatieve vaardigheden verder ontwikkelde. Later opende hij een antiekwinkel aan de Midstraat 32 in Joure. Een hardnekkige rugkwaal maakte dat hij zijn werk als stoffeerder en winkelier moest opgeven. Hij vond echter een nieuwe uitlaatklep in tekenen en schrijven. Buis trok door het dorp, legde het dagelijks leven vast in tekeningen en documenteerde zijn observaties in verhalen. Zijn liefde voor Joure en zijn oog voor detail leverden hem lokale bekendheid op, mede dankzij zijn maandelijkse bijdrage aan het MOB-krantje (Midstraat Op z’n Breedst), in samenwerking met Sjouke Kuindersma. Tot op hoge leeftijd bleef Marten Buis tekenen en schrijven. In 1991 bracht hij zijn verzamelde verhalen uit in het boek Binnenpaden en Buitenbeentjes, een ode aan het oude Joure. Hij overleed in 1994, maar zijn werk blijft een waardevolle bron voor de geschiedenis en het karakter van de Vlecke Joure.

Er is al zo veel geschreven over de Jouster Toer dat er voor historici nauwelijks nog iets nieuws te ontdekken valt. Toch denken veel oudere inwoners van Joure met weemoed terug aan de levendige taferelen rondom de toren. Daarom hier alsnog een verhaal vol alledaagse herinneringen, waarin de toren als stille getuige fungeert. Een bijzondere herinnering is die aan het dagelijkse klokluiden. Elke werkdag, klokslag twaalf uur, luidden een paar mannen uit het Armhuis de klokken. Voor de jeugd was het een dagelijks spektakel om hen aan de touwen te zien hangen. Vooral als Homme, een joviale man, erbij was, mochten kinderen soms zelf even aan het touw hangen om een paar keer op en neer te zwaaien. Bij andere klokkenluiders moest je dat maar laten, anders liep je het risico een straal tabakssap over je heen te krijgen. Eén dag per jaar bleef het stil om twaalf uur: dan gingen de Armhuisbewoners op hun jaarlijkse uitstapje. Bij begrafenissen klonk een ander, meer gedragen klokgeluid. Sommige Jousters meenden daarin de woorden te horen: "de-man-’n-mingel ... de-man-’n-mingel ..." en als de klok van Westermeer het overnam: "kom...no, kom...no, kom...no." De ‘toershoeke’ – de hoek bij de toren – was dé ontmoetingsplek. Vooral op zaterdagavond, als de winkels tot tien uur open waren, was het er gezellig. Soms stond er een koopman met allerlei snuisterijen. Op de achtergrond sierde jarenlang een groot gemeentelijk aanplakbord de torenmuur. Ook de boeren van de Sluisdijk ontdekten deze plek: zij zetten er hun melkbussen neer. Niet iedereen was daar blij mee; het onderwerp haalde zelfs de gemeenteraad. Soms mochten kinderen met Albert Mast mee de toren in om de vlag te hijsen. Een hele onderneming: de vlag moest via een gat in het bovenste koepeltje omhoog gehesen worden. In de toren lagen ook antieke lansen uit de 17e en 18e eeuw – houten stokken met ijzeren punten, beschilderd in verschillende kleuren om rangen aan te geven. Helaas zijn bijna alle lansen verdwenen. De torenhoek was bovendien een rustplek voor waterhalers. Ze kwamen uit de Torenstraat met twee zware emmers water, meestal gehaald bij de gemeentepomp tegenover het Armhuis, in de volksmond de ‘Armhuispomp’ genoemd. Wie liever regenwater wilde, haalde dat bij de grote regenputten (‘tsjerkebakken’) achter de kerk, waar schoon water van de kerkdaken in stroomde. Het werd liefkozend ‘Trinus-Aaltsjewetter’ genoemd, naar het echtpaar Trinus en Aaltje. Aaltje hield toezicht op het putgebruik en incasseerde voor elke emmer één cent – handig opgeborgen onder haar rokken. Ze lette scherp op jongens die in de regenbak wilden spugen om vervolgens triomfantelijk te roepen: "De hele Jouwer drinkt mijn spuug!" Met de aanleg van de waterleiding in 1928 kwam een einde aan deze tradities. De meeste inwoners zagen de waterleiding als een enorme vooruitgang, al weigerden sommigen koppig om hun huis aan te sluiten. Een voormalig armmeester, Wielenga, verhuisde zelfs naar Sneek om daar in een huis mét waterleiding te wonen. Zoals eerder genoemd, bleef het tijdens het jaarlijkse uitstapje van het Armhuis stil rond de toren. ’s Avonds werd de thuiskomst feestelijk gevierd met muziek van het corps "Concordia", wat veel mensen op de been bracht. De uitstapjes gingen met auto’s van particulieren naar bestemmingen als Paterswolde, Frederiksoord en Gaasterland. Op woensdag 9 juli 1930 werd zelfs een groepsfoto gemaakt in Assen. Na 1932 kwam een eind aan de dagelijkse klokluiden. Uit zuinigheid besloot de gemeenteraad ermee te stoppen. Het leverde de gemeente nog geen 200 gulden per jaar op...

Vrij vertaald betekent "Buorkje yn de Buorren" boerderijen aan de Midstraat. Na de opvaarten is het passend om aandacht te besteden aan de boeren, die immers de waterwegen naar hun boerderijen hebben gegraven of laten graven. Hoewel het exacte tijdstip hiervan onbekend is, is het aannemelijk dat er al eeuwenlang boerenactiviteiten plaatsvonden in het Jouster gebied, ook in de omgeving die later de Midstraat zou worden. In het begin was er waarschijnlijk weinig bijzonders aan. Maar naarmate handel en scheepvaart zich ontwikkelden en de bevolking van Joure groeide, kwamen de boeren letterlijk in de verdrukking. Steeds vaker kochten handelaren delen van boerenerven of voorhuizen, vooral als deze gunstig aan de Midstraat lagen, om zich daar te vestigen. Zo werden de boeren en hun boerderijen "achteruit geduwd". De twee boerderijen aan de Brouwersteeg stonden oorspronkelijk ook aan de Midstraat. Tot na 1970 was dit duidelijk zichtbaar. De laatste boer daar was Durk van der Zee. Hij had geen land bij huis en moest alles per roeiboot of praam aan- en afvoeren. Een moeizame en arbeidsintensieve manier van boeren, zoals veel meer ingesloten boeren hun bedrijf moesten uitoefenen. Ook in de Kruissteeg, in het achterste gedeelte, werden koeien gehouden. Van veel panden aan de noordkant van de Midstraat is door mondelinge overlevering bekend dat er vee werd gehouden. Eén daarvan was de boerderij aan de Krim, die destijds ook is teruggezet. Veel boerenbedrijven zijn in de loop der tijd verdwenen, maar soms blijkt uit oude documenten dat ze er wel degelijk waren. Zo vermeldt een oude koopakte dat voor elke koe die de steeg naast de gortpellerij van Joh.Th. Schaap passeerde (later Torenstraat 51), een kwartje aan de naastliggende eigenaar moest worden betaald. Een teruggezette boerderij was ook die van de familie De Jong achter het pand aan de Midstraat 88. Een bijzonderheid is dat de zolder boven de stal van 1835 tot 1837 dienst deed als parochiekerk, omdat de oude katholieke kerk bouwvallig was en vervangen moest worden. Veel oudere Jousters herinneren zich boer Hendrik Gouma, die jarenlang met zijn paardje Hannie door de Midstraat reed. Het ging stapvoets, want het dier was bijna 40 jaar oud toen het stierf. Hendrik Gouma was zo gehecht aan zijn paard dat hij in de Jouster Courant een advertentie plaatste: "Heden overleed ons trouw paard Hannie, bijna 40 jaar oud." Zijn bedrijf lag aan de opvaart naast de Lijnbaanstraat. De herinnering aan de boerderij van de familie Holtrop, die pas in de jaren zeventig werd afgebroken, is nog lang niet vervaagd. Ook dat bedrijf was erg arbeidsintensief; alles moest van grote afstand worden aan- en afgevoerd. Als volle hooiwagens vanuit de Midstraat via de smalle steeg naar de schuur moesten worden geduwd, mochten de bewoners van de woningen achter in de steeg door het huis van de familie Holtrop lopen om thuis te komen. Aan de Midstraat stond het winkeltje, waar men melk "vers van de koe" kon kopen. Gedurende meer dan zestig jaar verkocht Ruurdje Holtrop daar bovendien onder meer peulvruchten, die in grote witte zakken in de winkel stonden opgeslagen. Achter in de Kakelsteeg stond tot 1881 de boerderij van de weduwe W.J. Wielinga. Deze boerderij ging vrijwel geheel verloren bij de grote brand die in de nacht van 14 op 15 oktober 1881 het centrum van Joure trof. Ook in het pand waar de kruidenierswinkel van de familie Van der Meulen gevestigd was, heeft vee gestaan. Even verder in oostelijke richting wordt door de "Haskerfiifgea-pleats", waarin restaurant "De Grietman" is gevestigd, een mooi opgeknapte herinnering aan het boerenleven bewaard. De ingang van deze boerderij lag aan de Midstraat. In de Houtmolensteeg stond de boerderij van de familie Hooghiemstra, later afgebroken om plaats te maken voor een parkeerterrein. Tot zover de boerderijen aan de noordkant van de Midstraat. Aan de zuidkant van Joure zijn vrijwel alle boerderijen verdwenen. Een paar die overbleven, schuilen achter een nieuwe autoweg en zijn slechts langs omwegen bereikbaar. De boerderijen van Baayma en Landman moesten wijken voor de aanleg van de Prins Willem Alexanderstraat en omgeving. Alle andere bedrijven aan het voormalige Binnenpad gingen dezelfde weg.

Oud Joure, de historische kern van het huidige Joure, was eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met het omliggende agrarische landschap. Hoewel het dorp zich gaandeweg ontwikkelde tot een regionaal centrum van handel en ambacht, lagen de wortels stevig verankerd in de landbouw. Deze agrarische achtergrond was niet alleen voelbaar, maar ook zichtbaar in het straatbeeld van de vlecke. Boerderijen stonden niet alleen in het buitengebied, maar ook midden in het dorp. Aan de Midstraat – tegenwoordig bekend als winkelstraat – stonden vroeger boerenbedrijven met koeienstallen, hooizolders en mestvaalten. Sommige panden hadden een voorhuis waar de familie woonde, terwijl het achterhuis dienstdeed als stal of opslag. Tussen de huizen lagen smalle stegen die toegang gaven tot de erven, waar het boerenwerk plaatsvond. Opvaarten – smalle watergangen – zorgden voor aan- en afvoer van goederen zoals hooi, mest en vee, vaak per praam. Deze verwevenheid van dorpsleven en boerenbedrijf was typerend voor Joure. Terwijl aan de voorkant van het huis melk, eieren of peulvruchten werden verkocht aan dorpsgenoten, werd aan de achterkant het boerenwerk voortgezet. De geur van koeien en het geluid van klompen op de keien waren alledaags in de vlecke. Zelfs religieuze gebouwen vonden tijdelijk onderdak op boerenzolders, zoals bij de familie De Jong, waar een parochiekerk werd ingericht boven de stal. De groei van Joure en de opkomst van handel, nijverheid en verkeer leidden er uiteindelijk toe dat veel van deze boerenbedrijven verdwenen of naar buiten het dorp werden verplaatst. Toch zijn er nog sporen van deze agrarische geschiedenis zichtbaar: oude stegen, teruggezette gevels, en verhalen die voortleven in de herinneringen van oudere Jousters. Oud Joure is daarmee niet alleen een plek van historie, maar ook een tastbare herinnering aan een tijd waarin het boerenleven en het dorpsleven hand in hand gingen – midden in de vlecke.

Veel verhalen over de oude land- en waterwegen zijn gebaseerd op overlevering én eigen ervaring. Eén van de belangrijkste bronnen is Pietje de Jong-Vermaning (1840–1923), de overgrootmoeder van schrijver Marten Buis. Pietje woonde met haar man Tamme in het Onland en had als kind al een grote interesse in de geschiedenis van de streek. Ze leerde veel van haar schoonvader, geboren in 1776, die ook allerlei oude verhalen kende. Marten Buis herinnert zich nog levendig een gesprek met zijn overgrootmoeder toen hij acht jaar oud was, op haar 82e verjaardag in 1922. Tijdens een wandeling naar haar huis vroeg hij: "Beppe, zijn er ook wolven op de Wolvedijk?" Pietje legde uit dat er nooit wolven zijn geweest; de naam Wolvedijk kwam van de man die de dijk ooit had aangelegd. Vroeger liep de oude dijk veel verder door, zelfs tot in Duitsland, en langs die route trok veel vreemd volk. ’s Nachts brandden er vuren en er waren soms vechtpartijen. Het was een gevaarlijke reis, niet voor iedereen weggelegd. Later ontdekte Marten dat zijn beppe verwees naar een eeuwenoude handelsweg: de route van Coevorden naar Staveren, bekend als de "Groote Friesche Weg." Deze weg en andere handelsroutes zijn vaak onderzocht, maar historici waren het niet altijd eens over de exacte ligging. Volgens de “Geschiedenis van Friesland” liep deze handelsroute via St. Nicolaasga, Tjerkgaast en Sloten naar Gaasterland – precies zoals Pietje het vertelde. Mr. SJ. Fockema Andreae schrijft in het hoofdstuk “Dijken of Wijken” namelijk onder meer het volgende:>>>>> “Naast vier waterwegen - het Vlie, de Eems, de Wezer en de Elbe - kent de negende van de zeventien keuren drie landwegen van internationale betekenis; de weg van Oldenburg naar Jever (wat toen een zeestad was en lang zou blijven), de weg van Münster langs de Eems naar Emden en de weg van Koevorden naar Staveren. Deze weg moet ons even bezig houden. Wij geloven niet dat hij, zoals nog Woebcken wil, langs de Vecht en de kust zou hebben gelopen; veeleer zocht ook deze weg het “over het hoog”, door de Wouden en dan over St. Nicolaasga, Tjerkgaast en Sloten naar Gaasterland. Na de tijd van de oude Friese wetten verneemt men niets meer van deze weg; hij was geheel verdrongen.” De Haulstersingel, het Bospad en de Wolvedijk in Joure vormen waarschijnlijk samen een stukje van deze oude route: een natuurlijke weg, ontstaan door eeuwenlang gebruik. Er zijn ook sporen van oude waterwegen. Ten zuiden van de Haulstersingel en de Hoge Zomerdijk moet vroeger een vaarroute hebben gelopen. Bewijs daarvoor kwam aan het licht in 1938, toen bij graafwerkzaamheden voor Rijksweg 43 scheepsresten werden gevonden, zoals een stuk roer en een zwaard. Volgens Roel Piters de Jong liep deze vaarweg vanuit de Veenscheiding, langs De Kooi, via Ooster- en Westersijpen naar de Langweerder Wielen. Door de aanleg van snelwegen is het landschap rond de Haulstersingel flink veranderd. De bouw van de rotonde vóór Pasen 1975 sneed de directe verbinding naar de bosgebieden af. Ook de aanleg van de snelweg Joure–Lemmer en later Joure–Sneek verdeelde de oude singel in twee aparte stukken. Daarmee ging een deel van de rust en de wandelmogelijkheden in dit historische gebied verloren. Noot van de redactie: U vraagt zich tijdens het lezen van dit verhaal mogelijk af waar het Onland was, of de Wolvedijk de Haulstersingel, het Bospad, de Veenscheiding, de Kooi en Ooster- en Westersijpen. Dit gaan we u allemaal vertellen in afzonderlijke verhalen en laten zien op de Google Maps kaart.

Waar veel boeren zijn, ontstaat handel. In Joure gebeurde dat heel natuurlijk. De eerste boeren streken neer op het hogere zand tussen het moeras. Ze verbouwden vlas, boekweit en aardappelen, en later ook graan. Voor hun koeien staken ze turf en hooi uit de lager gelegen veengebieden. Het veen werd gebruikt om te verbranden en leverde bovendien waardevolle weidegrond op. Toen er steeds meer boeren kwamen, ontstond ook behoefte aan ruilhandel: de ene boer had graan, de ander boter of eieren. Zo groeide Joure langzaam uit tot een dorp waar boeren, ambachtslieden en later ook schippers samenkwamen. In de loop van de 16e eeuw ontstond er een echte markt. Boterstraat De naam Boterstraat herinnert aan die begindagen. Vermoedelijk begon daar de botermarkt. Zeker weten doen we het niet, want schriftelijke bronnen ontbreken, maar de aanwijzingen zijn sterk. Bijvoorbeeld het pand dat later bekend stond als de aardappelhandel Walma. Rond 1550 zou het pand er ongeveer zo hebben uitgezien als nu: een hoge voorkant, een kelder en een zijdeur. Boeren zouden via die zijdeur hun botervaten naar binnen hebben gebracht om ze te laten keuren en wegen. Daarna werd de boter via de brede voordeur naar buiten gebracht, richting de schepen. Speciaal voor de boterhandel werd de Boterstraatvaart gegraven, zodat de botervaten rechtstreeks vanuit de Jordaan konden worden aangevoerd. Op oude kaarten, zoals die van 1881, is te zien dat de Jordaan toen nog een open vaarwater was. Pas rond 1949 werd het gedempt. De boterhandel in Joure groeide, mede doordat alles makkelijk bereikbaar was via het water. De Boterstraat was waarschijnlijk niet de enige plek waar boter werd verkocht. Ook bij de Vissteeg, niet ver van de Midstraat, vond handel plaats. Vissteeg De Vissteeg, tegenwoordig Visstraat genoemd, verwijst naar de vismarkt die daar gevestigd was. Er werd niet alleen vis verhandeld, maar volgens oude overlevering ook boter. Vandaar de uitdrukking "boter bij de vis". Boter en vis lagen destijds letterlijk naast elkaar op de markt. Later werden de markten gescheiden. De vismarkt bleef bestaan, maar voor de boter kwam er een aparte waag. Toch bleef de uitdrukking hangen, zelfs toen de situatie veranderde. Toen de nieuwe waag aan de Torenstraat kwam, verhuisde de botermarkt naar die locatie. De vismarkt bleef op het plein aan de Torenstraatvaart. Zo lagen boter en vis nog steeds vlak bij elkaar. Boterwaag Rond 1600 werd een nieuwe waag gebouwd aan de Torenstraat. Deze was oorspronkelijk bedoeld voor vlas en wol, maar na verloop van tijd werd de boterhandel hier net zo belangrijk. De strijd tussen steden en dorpen over het recht om goederen te wegen speelde op de achtergrond. Steden als Sneek hadden officiële waagrechten; dorpen als Joure niet. Toch ging de handel hier gewoon door. Vanaf 1832 werd boter officieel verhandeld in standaardmaten, zoals fjirders (kwarttonnen) en kynsens. Voor elke fjirder betaalde de verkoper 7,5 cent waaggeld aan de gemeente. Het waaggeld leverde zo een bescheiden maar constante inkomstenbron op. De groei van de botermarkt kreeg een extra impuls dankzij de familie Vegelin van Claerbergen. Toen zij als eerste grootafnemer boter gingen inkopen via de waag, durfden pachtboeren niet achter te blijven. Daarmee was het succes van de Jouster botermarkt verzekerd. De markt groeide zo snel dat in 1853 de waag moest worden uitgebreid. Drie huisjes achter de waag werden gesloopt om ruimte te maken. De bewoners waren Antje Cornel, Lys Lontjes – die een kleine molentjesfabriek had – en Rouke, die bekend stond als "skilige Rouke" en in turf handelde. Maar ook dat bleek niet genoeg. In 1865 werd besloten om een stuk van de Torenstraatvaart te dempen om een groter marktplein te maken. Er werden tienduizenden klinkers gelegd en een grote overkapping gebouwd om de botermarkt tegen regen en zon te beschermen. Op maandagochtend was het een drukte van jewelste rond de waag. Karren en schepen brachten de boter aan. Eerst werd alles gewogen, daarna vond de kaashandel plaats. Rond de waag stonden soms zestig tot zeventig rijtuigen geparkeerd, terwijl de Torenstraatvaart vol lag met schepen. De pakhuizen rond de Sluisdijk waren open; de sfeer deed denken aan een schilderij van Anton Pieck. Marktdag was niet alleen een dag van handel. Boerinnen en hun dochters gebruikten het ook om te winkelen: hoedjes passen, stoffen kopen, misschien een nieuwe japon uitzoeken. De markt in Joure was meer dan economie; het was het kloppende hart van het sociale leven. Tot ver in de 20e eeuw bleef de botermarkt belangrijk. Pas met de komst van moderne transportmiddelen en veranderende handelsmethoden verloor de waag zijn oorspronkelijke functie. Toch blijft het verhaal van boter en vis nog altijd leven in Joure – zichtbaar in de straatnamen en voelbaar in de sfeer.

Voorwoord door Marten Buis (1914-1994) Op een koude middag in de winter van 1953 kwam de Leeuwarder kunstschilder Joh. Elsinga bij ons op bezoek. Hij had net wat schilderopdrachten in Joure afgerond en maakte – voor zijn eigen plezier – een schets van de besneeuwde Kakelsteeg. Deze schets zou later de basis vormen voor een mooie ets. Tijdens de koffie vertelde hij over een man die hem op straat had aangesproken. “Ik zet dit er nog maar even op,” zei hij in het Liwadders dialect, “want ook hier in de bouw verdwijnt de mooie oude sfeer.” De reactie van de man was nuchter: “Mooie oude sfeer, zegt u? U bedoelt de armoede, de rotzooi en de stank? Dat mag van mij zo snel mogelijk verdwijnen. Onze ouders en grootouders zaten er ook al in vast. Eeuwenlang geen verandering.” In de zomer van 1954 werd de bovenbouw van de Tolhuisbrug afgekeurd, afgezaagd en nooit meer hersteld. Het water van de Kolk kwam tot stilstand. Datzelfde jaar veranderde ook sociaal Nederland: de komst van “Drees” betekende dat ouderen niet langer arm hoefden te zijn. Een nieuwe tijd brak aan – en met die tijd kwamen veel veranderingen in ons dorp. Door al die ontwikkelingen ontstond het idee om herinneringen aan het oude Joure vast te leggen, in woord en beeld. Dat idee heeft nog even moeten rijpen, maar uiteindelijk ligt het resultaat nu voor u. Ik hoop dat Binnenpaden en Buitenbeentjes u fijne momenten zal bezorgen en herinneringen oproept aan een tijd die velen van ons nog helder voor de geest staat. In het eerste hoofdstuk – “Oude land- en waterwegen” – heb ik een jeugdherinnering verwerkt die veel indruk op mij maakte. Ook andere verhalen in dit boek zijn gebaseerd op persoonlijke ervaringen. Toch heb ik geprobeerd ze zo te vertellen dat ze herkenbaar zijn voor u als lezer – want ik geloof dat veel van mijn leeftijdgenoten soortgelijke herinneringen koesteren. Tot slot wil ik mijn dank uitspreken aan iedereen die heeft geholpen bij de totstandkoming van dit boek. Dankzij bijdragen van onder meer Douwe Egberts, de Friesland Bank, Kultuerried Skasterlân, het N.M.B., het Nutsdepartement, Stichting Westermeer, de Verenigde Jouster Drukkerijen en de heer P.R. van der Zee, is dit boek mogelijk geworden. Zonder hen zou dit project niet van de grond zijn gekomen. Addendum door Max Buis, zoon van Marten Buis Met het verschijnen van dit boek op internet wordt een wens in vervulling gebracht die mijn vader ongetwijfeld zou hebben gewaardeerd. Hij vond het belangrijk om herinneringen aan het oude Joure levend te houden – niet alleen voor zijn generatiegenoten, maar juist ook voor jongere mensen die via deze verhalen een beeld krijgen van hoe het leven vroeger was. Dat zijn werk nu online beschikbaar is, maakt het mogelijk om een geheel nieuw en internationaal publiek te bereiken. Het geeft zijn woorden een tweede leven – iets waar hij met trots en dankbaarheid op zou hebben teruggekeken.



Locatie