Douma State
Het artikel onderzoekt de oorsprong van Doumastate en de naam Spannenburg, waarbij nieuwe gegevens worden gebruikt om eerdere aannames te corrigeren. Lange tijd werd gedacht dat predikant Tjebbe Laas Spannenburg, door Roel Pieters ‘de preekfeint’ genoemd, de bouwer was van Doumastate. Uit nieuwe informatie blijkt echter dat zijn zoon, Laas Tjebbes Spannenburg, de daadwerkelijke bouwer was. In het document staat letterlijk: ‘Niet de ‘preekfeint’ (…) bouwde Doumastate (…) maar zijn zoon deed dat.’ Laas Tjebbes werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn vader predikant was. Het gezin verhuisde in 1810 naar Ouwsterhaule, waar de predikant tot 1840 diende. De periode was zwaar: eerst de Franse tijd met financiële en geestelijke problemen, later de grote overstroming van 1825. De vader werd in 1837 ziek en ging in 1840 met emeritaat. Hij overleed in 1869, waarschijnlijk in Sneek. De vraag waarom een zieke predikant een state zou bouwen, wordt hiermee beantwoord: hij deed het niet. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) bevestigt dat Laas Tjebbes Spannenburg Doumastate bouwde in 1845–1846, deels met afbraakmateriaal van de oudere Doumastate in Langweer. Tijdens restauraties in 1974 bleek dat veel onderdelen — kozijnen, balken, betimmeringen — daadwerkelijk hergebruikt waren. De oorspronkelijke Doumastate in Langweer was een voornaam landhuis, beschreven in de Tegenwoordige Staat van Friesland (1785–1789) als ‘een zeer vermaaklijk Landhuis (…) welk een fraay gezigt heeft over de Wielen’ Het stond op de plek waar ooit de stins van de invloedrijke familie Douwma had gestaan. Toen J. Craandijk Langweer bezocht (1875–1882), was het huis al gesloopt; het frontespies met wapens was toen zichtbaar op de herberg Spannenburg. Laas Tjebbes was van oorsprong zilversmid. Hij werkte achtereenvolgens in Joure, Balk en Sint Annaparochie, tot hij zich in 1846 liet uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem aanwezig. Hij trouwde in 1832 met Katarina Hendriks van der Goot, met wie hij vijf kinderen kreeg. Na haar overlijden in 1840 hertrouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. Met haar begon hij in 1845 aan de bouw van zijn ‘droomhuis’. Doumastate werd een logement en boerderij, strategisch gelegen aan drukke routes. Later, door de aanleg van het Prinses Margrietkanaal en de hoge brug, raakte het gebouw uit het zicht. Toch bleef het een markant punt, en gaf Laas Tjebbes zijn naam aan de huidige buurtschap Spannenburg. Doumastate blijft, zoals de auteur besluit, ‘altijd een foto waard’.
Douma Stins/State
(Het complete artikel)
Het boek De historie gaat door het eigen dorp van schrijver A. Algra meldt dat de oude stins (stins betekende meestal ‘sterkte’) in de veertiende eeuw in Langweer stond. Niet bekend is of de adellijke woning destijds Douma‑stins of Douwema‑stins werd genoemd. Vermoed wordt dat het gebouw aan het eind van de veertiende eeuw, dus tussen 1375 en 1400, is verrezen. De stins was opgetrokken van oude friezen (kloostermoppen, middeleeuwse bakstenen) en bestond uit twee verdiepingen, met daaronder een kelder en gewelven. Tussen twee topgevels bevond zich een zadeldak. Een brede gracht om de woning moest aanvallen van buitenaf weren. De enige toegang was een houten brug. Voor de stins stond een gebouw dat de naam Veythuys droeg. Van daaruit kon een eventuele aanval worden afgeslagen.
Jancko Douma
Het geslacht Douma woonde in de vijftiende eeuw in Langweer. Een zekere Ocke Gerritsma had een zoon Douwe Douwema, die eigenlijk Douwe Ockama heette. Douwe trouwde omstreeks 1430 met Foeck Fockema uit Langweer en stierf rond 1450. Haar vader, Jancko Fockema, woonde destijds in Langweer. Douwe Douwema zou toen het wapen van zijn vrouw hebben overgenomen en op de stins van zijn schoonvader zijn gaan wonen. De zoon van Douwe, Jancko Douwema, die meestal ‘de Âlde’ werd genoemd, woonde er ook. Dit was een neef van Jancko Douwema uit Oldeboorn, die in tegenstelling ‘de Jonge’ werd genoemd en bekend was uit de tijd van de Vetkopers en wiens werkzame leven eindigde op het schavot. Jancko Douwema uit Langweer was betrokken bij de Donia‑oorlog, die uitbrak in 1458 en werd veroorzaakt door Agge Donia uit Sloten. Jancko stierf in 1476. Door het regentschap van de hertog van Saksen, die het beheer over het onder elkaar vechtende Friesland had gekregen, werd een nieuwe belasting ingevoerd: de Saksische jaartax, ook wel floreinbelasting genoemd. Deze werd in 1500 aangekondigd en in 1501 als eerste in Friesland ingevoerd, omdat hier nauwelijks een belastingsysteem bestond. In 1504 eiste de hertog dat de Friese adel hun eigendommen aan hem overdroegen en die vervolgens als ‘lening’ terug konden krijgen. Bijna de hele Friese adel tekende een protestbrief. De eis werd afgekocht, maar de jaartax bleef. Onder de ondertekenaars was ook Idzert, de zoon van Jancko. In die roerige tijd sloot de Gelderse hertog in het geheim een overeenkomst met de Friese adel om Friesland binnen te vallen en de Saksen te verdrijven. De Geldersen kwamen in Gaasterland aan wal en nadat ze Sloten hadden ingenomen, viel geheel Zuid‑ en Midden‑Friesland in hun handen. ‘Lytse Jancko’, de oudste zoon van Idzert, werd toen aangewezen als slotvoogd van Sloten.Toen de Saksische hertog ook in Groningen in conflict kwam met de Gelderse hertog, werd het regeren van Friesland hem te veel. Hij verloor de moed en onderhandelde met de Bourgondiërs over overdracht van Friesland. In 1515 stond hij zijn rechten op Friesland af aan de Bourgondiërs voor 100.000 gulden. Ondertussen was de strijd tussen de Geldersen en Bourgondiërs nog hevig. In november 1517 trokken de Bourgondiërs naar het zuiden, ook naar Langweer, waar vele huizen werden platgebrand. Ook de Douma‑stins bleef niet gespaard. De stins werd in de jaren daarop herbouwd en rond 1525 kwam Idzert Janckes (Douwema) uit Langweer op de stins wonen. Hij had een zoon Jancko, die op zijn beurt drie zoons had: Idzert, Foppe en Erasmus. Idzert woonde later in Britsum, Foppe in of bij Leeuwarden. Erasmus woonde op de stins en werd in 1577 grietman van Doniawerstal. Later werd hij gevangengenomen door Spaanse benden die Friesland binnenvielen. Ook zijn opvolger, grietman Tiete van Hettinga, viel in handen van de plunderaars. Van 1610 tot 1615 woonde grietman Joh. van Clant op de stins; zijn moeder was een Douma. In 1635 woonde er een Saepck, weduwe van Barthold Douma. In 1722 werd bij een tekening vermeld dat Ansck Doys Barthols van Douma, weduwe van Jonker Caler Doys, eigenares was. De Doys‑familie woonde hier in 1748 nog. Een zoon uit dit huwelijk, Jonker Gerlich Willem Doys, trouwde met Juliana van Haersma. Later trouwde zij met J. Baron van Geusau.
Douma State
Waarschijnlijk werd de stins vlak voor 1793 gesloopt. Aan het eind van de achttiende eeuw schreef men dat in de tuin van het slot een stuk grond was waarop de oude stins van Jancko Douma had gestaan. In 1787 schreef men over de Douma State met het uitzicht over de Wielen. Het was toen de zomerwoning van mevrouw de weduwe Geusau Haersma. In 1793 werd op deze plaats een nieuw huis gebouwd met twaalf, zowel grote als kleine kamers, elk voorzien van een marmeren schoorsteenmantel en wat verder in een deftig herenhuis past. Dit landhuis is kleiner geweest dan de oude stins. Waarschijnlijk is de stins in het bezit geweest van de Vegelins, want op 26 december 1817 stierf op Douma State Christine Ansck van Burmania, de echtgenote van Jonkheer Assuerus Vegelin van Claerbergen. Haar man stierf op 15 januari 1820. Douma State is eveneens in het bezit geweest van de familie Queastius, die later naar Dronrijp verhuisde, namelijk naar ‘Schatzenburg’. Zij hebben veel goed gedaan voor Dronrijp; nog altijd spreekt men daar van het ‘Queastius-bosk’. In 1787 werd tevens geschreven dat zich in de hovinge van de state een vierkant stuk grond bevond met grachten omgeven, waar vroeger de stins van Jancko Douma had gestaan. Tot 1906 bleef bedoeld stuk grond bewaard. Dit was toen in het bezit van de familie De Beaufort en is aangekocht door Durk Tjebbes Hepkema, die daar een renteniershuis liet bouwen. Dit huis kreeg de naam ‘de stins’ en is nu het eigendom van dokter Van Leusden. De state zelf zal gestaan hebben waar in 1909 een nieuwe zuivelfabriek was gebouwd, dat nu hotel ‘De Wielen’ is (en ook dat al niet meer, fmr). Bij deze zuivelfabriek stond de directeurswoning, dat nu de zeilschool van Boertjens is. Tussen de Douwema State en ‘de stins’ stond vroeger nog een zogenaamd Vechthuis (Veythuys).
Tjebbe Laas Spannenburg
Op donderdag 20 maart 1845 werd Douma State voor afbraak verkocht. Volgens een advertentie uit de Leeuwarder Courant van 8 maart 1845 bestond de state uit twaalf kamers, twee keukens, een waskelder, een grote kelder en zolders met beschoten dak. De oude stins moet uit nog veel meer kamers hebben bestaan, namelijk 24. De officiële koop vond plaats op 21 maart 1845, toen dominee Tjebbe Laas Spannenburg uit Ouwsterhaule voor 1600 gouden guldens in het bezit kwam van de state. Hij was op 3 november 1782 geboren te Harlingen en was getrouwd met Antje IJsbrands Stuurwold en later met Gerrytje van der Weide. Van hem is verder bekend dat hij vanaf 1807 ook als predikant in Goingarijp is geweest. Het schijnt dat de man daarnaast goudsmid en jachtmeester was. Op 1 januari 1840 ging Tjebbe Laas Spannenburg met emeritaat. Hij woonde tot die tijd in een haveloze pastorie in Ouwsterhaule. De ongetwijfeld niet onbemiddelde dominee liet het gebouw verplaatsen naar de plaats die nu Spannenburg heet. De verhuizing vond plaats over het water, via de Koevorde, het Slotermeer, de Gaestfeart en de Tilfjordensloot naar de huidige plaats. De weg via Legemeer en Finkebuorren was er in die tijd nog niet. Het water dat nu ‘Prinses Margrietkanaal’ heet, werd tussen 1910 en 1914 gegraven. Over de herbouw van de woning heeft men ongeveer vijf jaar gedaan. Dominee Spannenburg bouwde het huis oorspronkelijk als jachthuis. Ook moeten er rond die tijd bossen rondom de woning zijn geweest. Later werden de bossen gekapt en wegen aangelegd, waardoor de State aan de kruising Lemmer‑Sneek‑Joure‑Sloten kwam te liggen.
Laas Tjebbes Spannenburg
Niet de predikant Tjebbe Laas Spannenburg bouwde Doumastate op het kruispunt van de wegen Lemmer‑Sneek en Sloten‑Joure, maar zijn zoon Laas Tjebbes Spannenburg. Hij werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn ouders toen de pastorie bewoonden. In 1810 verruilden zij die plaats voor Ouwsterhaule. De vader van Laas Tjebbes bleef daar tot 1 januari 1840 in het ambt. Het was geen gemakkelijke tijd voor het domineesgezin: eerst de Franse tijd met geestelijke en financiële zorgen, daarna in 1825 de grote overstroming. De predikant stond toen vaak alleen voor het pastorale werk in de gemeente, omdat de kerkenraad, bestaande uit boeren, in die periode genoeg had aan de eigen beslommeringen. In 1837 werd de predikant ziek en daarom ging hij in 1840 met emeritaat. Hij sleet de rest van zijn leven in Harlingen, zijn geboorteplaats, en stierf op 2 maart 1869, waarschijnlijk in Sneek. Laas Tjebbes, de bouwer van de nieuwe Doumastate, was zilversmid van beroep. In 1828 werd hij zilversmid in Joure. Drie jaar later oefende hij dat beroep uit in Balk tot 1843 en vanaf dat jaar tot 1846 in Sint Annaparochie. In dat laatste jaar liet hij zich uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem te vinden en in particulier bezit bestaan nog zilveren breinaalddoppen van zijn hand. Op 12 februari 1832 trouwde Laas Tjebbes met Katarina Hendriks van der Goot. Zij kregen vijf kinderen, waarvan er twee de moeder overleefden, die in 1840 stierf. In datzelfde jaar trouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. In 1845 begon hij met zijn tweede vrouw aan de bouw van zijn ‘droomhuis’, de nieuwe Doumastate bij Spannenburg. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) vermeldt dat de bouwer van Doumastate Laas Tjebbes Spannenburg heet en dat dit gebeurde in 1845/1846. Het boek zegt dan: “Eigenlijk is hier sprake van een gedeeltelijke herbouw van de Doumastate Langweer, welke dateerde uit 1793. Het pand was toen echter aan beide zijden één venster breder, terwijl de ramen van kleine ruitjes waren voorzien. Het pand bevatte toen 12 kamers. Tijdens de restauratie in 1974 is inderdaad gebleken dat bij deze herbouw veel materiaal van de Doumastate (Langweer) is hergebruikt, zoals kozijnen, balken en allerlei betimmeringen.” Zijn uitspanning lag op een gunstige plek. Veel volk op weg naar markten, feesten, begrafenissen en andere gebeurtenissen kwam erlangs en gebruikte het logement als pleisterplaats. Die strategische ligging bleef ook toen in 1910–1914 het Prinses Margrietkanaal werd gegraven. Door de latere hoge brug werd Doumastate helaas voor een groot deel aan het zicht onttrokken.
Herberg
Vanaf 1888 werd het pand bewoond door Minke v/d Meer, die enkele kamers heeft benut als logement. Vanaf 1904 werd het pand verhuurd aan de gezusters Jantsje en Lolkje Schurer. Tot 1923 zwaaiden zij de scepter in de herberg ‘Het Wapen van Friesland’, ook wel ‘Huize Spannenburg’ genoemd, die bekend werd tot in de wijde omtrek. In 1923 werd het pand gehuurd door Jan Hendrik Schutter uit Harich, die samen met zijn vrouw de herberg voortzette. Via een advertentie in de Balkster Courant vroegen zij een boerenhulp, en op 12 mei 1923 kwam de zestienjarige Piet Mandemaker bij de Schutters in dienst. Naast de herberg had Schutter een stalhouderij. Omdat de herberg op een knooppunt van wegen lag, was het altijd een drukte van belang. In die tijd waren er nauwelijks fietsen of auto’s en vond het vervoer plaats door middel van de diligence. Veel boeren staken op dinsdag en vrijdag aan, nadat zij van de markt in Sneek of Leeuwarden kwamen. Ook na begrafenissen werd de herberg druk bezocht. Piet Mandemaker moest op de tilbury’s passen, terwijl de boeren even een hapje aten of aan het wandelen waren. Ook de postkoets kwam regelmatig langs. De post vanuit Lemmer, Joure, Sneek en omgeving werd uitgeladen en klaargelegd om overgeheveld te worden in een andere postkoets, die naar het dorp van bestemming reed. Vooral met de Jouster Merke was het ontzettend druk; dan waren er soms wel honderd rijtuigen. Piet Mandemaker heeft ongeveer twaalf jaar, met een tussentijdse onderbreking van twee jaar, bij Schutter gewerkt. Woorden van Mandemaker: “Al wat der barde, want it gong betiden rûch, Schutter bleau de baas yn syn eigen hûs.” Het echtpaar Schutter had twee dochters, Klaasje en Coba. Hun beide mannen, Date Snijder en Tjeerd de Jong, zetten later de zaak voort. Bij de herberg hoorde ook een groot stuk land. Schutter begon met twaalf koeien. Zijn beide schoonzoons hadden er later zo’n veertig, omdat zij meer land konden bijkopen. Tot 1965 zetten Tjeerd de Jong en zijn vrouw Coba de zaak voort. In die jaren was de klandizie sterk teruggelopen. Tijdens de oorlog hadden de Duitsers de draaibrug bij Spannenburg opgeblazen, wat met zoveel geweld gepaard ging dat door de klap alle ruiten in ‘Huize Spannenburg’ sprongen. Daarmee ging een uniek stuk historie verloren, want in de ruiten waren alle namen van de bewoners van de woning gegrift. Ook een gat in de zolder herinnert nog aan de Duitse bezetting: een Duitse soldaat schoot zijn geweer leeg door het plafond in de gelagkamer. Na de oorlog werd een nieuwe brug gebouwd. Daardoor was de herberg moeilijk te bereiken. In 1954 kwam het pand in het bezit van baron Van Holten tot Echten, die gehuwd was met een afstammelinge van de familie Feltz. De State werd toen bewoond door Tjeerd de Jong. Tussen 1972 en 1973 is Seviardus Johannes Galama nog eigenaar geweest.
Johannes Visser
In 1973 kocht Johannes Visser, samen met zijn maat Ynze Leenstra uit Teroele, de oude stins. “It wie in útwenne pand,” vertelde Johannes in 1984 in een interview. “En it moast taksearre wurde. Ik wie der daalik wei fan. Ûnder de kofje ha’k it kocht. Myn frou seach it letter pas, mar dy wie der fuortendaliks fereale op.” Voor 2 ton (guldens) werd het pand onder Monumentenzorg gerestaureerd en in zijn oude glorie hersteld. Het vakmanschap en de liefde voor monumenten van Johannes Visser hebben de Douma State laten worden zoals het er heden voorstaat. De schoorstenen kregen nieuwe borden, de pleisterlaag op de state werd vervangen en de ramen werden weer schuifbaar gemaakt. “Hwat bin ik in gelokkich man; it is myn earste en twadde hûs tagelyk.” Bij de verbouwings werkzaamheden ontdekte Johannes nog een stuk fundering naast het huis. Kennelijk heeft Laas Tjebbes Spannenburg na de verhuizing vanuit Langweer de bedoeling gehad er nog een stuk bij aan te bouwen. In alle kamers van het pand zijn de oude kleuren rood en groen terug te vinden. Op aanwijzing van Piet Mandemaker zijn nog enkele zaken aangepast, zoals een bedstee die altijd in de gelagkamer is geweest, maar tijdens de periode dat Schutter herbergier was, eruit verwijderd werd om meer ruimte te scheppen. De bedstee bij de woonkeuken is in de tijd van baron Van Harinxma Thoe Slooten altijd beslapen door de huishoudster. Nu wordt deze bedstee gebruikt als opslagruimte. Men bereikt de woonkeuken vanuit de gang via een trap naar beneden. Ook is de oude wijnkelder bewaard gebleven. In de periode Langweer moet hier een nooduitgang in hebben gezeten, via waar men onder de ophaalbrug over de gracht terechtkwam. Deze nooduitgang werd later dichtgemaakt. In de woonkeuken liggen prachtige oude zandstenen plavuizen van 55 bij 55 centimeter, die volgens kenners vijf eeuwen oud moeten zijn. Uit de periode van baron Van Harinxma Thoe Slooten dateert nog een zogenaamde geweerkast van bijna twee meter hoog en een decimeter breed bovenaan de trap bij de woonkeuken, waar destijds de geweren werden bewaard. In de woning zijn nog talloze karakteristieke plekjes. De drempel van de gelagkamer is finaal uitgesleten door de vele klompen die er jarenlang overheen zijn gegaan. Ook een gedeelte van de houten vloer achter de tapkast is uitgesleten over een oppervlakte van een meter bij dertig centimeter (lengte van de voet), door het heen en weer schuifelen van de herbergier. In het huis is slechts één slaapkamer. Dit kamertje werd in de tijd van de dames Schurer en de familie Schutter gebruikt voor toneelploegen die zich moesten verkleden voordat zij op het podium van de aangrenzende dorpszaal konden verschijnen. Deze ruimte wordt nu niet meer als zodanig gebruikt. Op het erf, waar alleen een eeuwenoude put aan de geschiedenis van de Douma’s herinnert, zijn grote overdekte opslagruimtes voor hout en machines geplaatst. Verder is er een modern zwembad, dat op ingenieuze wijze wordt verwarmd. De houtspaanders uit het aannemingsbedrijf worden door een tientallen meterslange buis vervoerd en komen, evenals het andere afvalhout, terecht in een grote brandende haard, die ooit in het Parochiehuis in Sint Nyk heeft gestaan. Via andere buizen wordt het water van het zwembad verwarmd. In de hoek van het moderne overdekte zwembad aanschouwt een heiligenbeeld, met een badmuts over de oren getrokken, de verrichtingen van de zwemmende Tjerkgaasters. Geen baron of grietman die dat ooit had durven dromen.
In ieder geval blijft Douma State, zoals dat pand er nu bij staat, zo onderaan de brug bij Spannenburg, een waardevol, fraai en groot huis. Wij hebben de uitgesleten drempel gezien en ook de oude plavuizen in de eetkelder. De gelagkamer is nog vrijwel intact.