Uitgelichte vensters:

Carrosseriefabriek Smit in Joure was ruim tachtig jaar een toonaangevend bedrijf in de Nederlandse busbouw. Het bedrijf werd in 1917 opgericht door Jan Alexander Smit, die de failliete wagenmakerij van zijn neef overnam. In de beginjaren produceerde Smit vooral karren, wagens en koetsen voor boeren en middenstanders. Dankzij vakmanschap, handelsgeest en soms een beetje geluk groeide het bedrijf snel. Vanaf de jaren twintig begon Smit met het bouwen van carrosserieën op gemotoriseerde voertuigen. De vraag naar vrachtauto’s en later bussen nam toe, waardoor in 1926 een smederij werd bijgebouwd. Grote opdrachten kwamen onder meer van transportbedrijf Libra en Douwe Egberts. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de productie grotendeels stil, maar Smit wist te overleven door voertuigen om te bouwen en gasgeneratoren te installeren. Na 1945 kwam de groei in een stroomversnelling. Smit bouwde trailers, ambulances en vanaf 1948 ook bussen, onder andere voor de LAB in Leeuwarden. In de jaren vijftig en zestig breidde het bedrijf uit naar een nieuwe fabriek aan de Vegelinswei. De bussen werden steeds luxer en groter, met voorzieningen als airco, verstelbare stoelen en ruime bagagecompartimenten. Op het hoogtepunt werkten er circa 95 medewerkers en werden er jaarlijks zo’n 70 bussen gebouwd. In totaal produceerde Smit ongeveer 3000 bussen. Smit exporteerde naar vele landen en ontwikkelde bekende modellen zoals de Eldorado, Comfortliner, Euroliner en Orion. Naast touringcars bouwde het bedrijf ook bijzondere voertuigen: rijdende winkels, mobiele bankkantoren, bibliobussen, hospitalitybussen en zelfs een rondvaartboot zonder wielen. In de jaren negentig werd modernisering noodzakelijk. In 1996 nam DAF het bedrijf over, maar besloot later de productie te verplaatsen. Dit betekende het einde van de fabriek: in 1999 sloten de deuren definitief. Daarmee kwam een einde aan een uniek stuk Jouster industriegeschiedenis Smit: Ruim 80 jaar tussen de Wielen Hieronder het complete verhaal Op de parkeerplaats Sinnebuorren staan nogal eens bussen geparkeerd. Die bussen vervoeren talloze bezoekers naar Museum Joure. De oplettende kijker ziet in vele ge­vallen de naam ‘Smit’ ergens op die bus­sen staan; niet zo opvallend trouwens. Je weet dan dat die bus gebouwd is bij de carrosseriebouwer Smit in Joure. Helaas bestaat dat bijzondere, boeiende en belang­rijke bedrijf niet meer. In 1999 werden de deuren van de fabriek aan de Vegelinswei voorgoed gesloten. De bussenbouw in Jou­re was geschiedenis geworden. Wel een geschiedenis die bewaard moet blijven. Dat moet ook de laatste directeur Jochem Willem Smit gedacht hebben. Hij liet een boek over zijn bedrijf schrijven. Het eerste exemplaar van dat boek werd op 10 juni 2005 hem door de auteur in ’t Haske aangebo­den onder het oog van vele oud werkne­mers en afnemers. Een prachtig kijk en leesboek! Gelukkig was er veel in het ar­chief bewaard gebleven en de rest wist de oud-directeur wel, die zélf de grote promotor van de bussen wordt genoemd. De auteur Albert van Huizen had dus volop de mogelijkheid er met de uitgeverij Aprilis (Zaltbommel) iets moois van te maken. Een interessant verhaal in 200 bladzijden en 450 foto’s. Verbazingwekkend wat daar aan de Vegelinswei allemaal in de loop der jaren werd gebouwd. Degelijk vakmanschap gepaard aan creativiteit en koopmanschap deed er een fraai bedrijf ontstaan. Er werden alleen al totaal zo’n 3000 bussen gebouwd en op z’n top werkten er een 95 medewerkers. Er kwam zelfs een moment dat de bussenbouwer Smit de grootste exporteur van Nederland werd. Maar…Niet slechts Smits bussenbouw verdween, van de ongeveer honderd bedrijven uit de jaren vijftig waren er in 1999 nog vier over! Lagelonenlanden namen de productie over zoals o.a. Polen, Turkije en Brazilië. Jan Alexander Smit begon in 1917 Jan Alexander Smit begon z’n bedrijf in 1917. De Eerste Wereldoorlog bracht toen in Europa veel misère. Economisch dus niet de beste tijd om een bedrijf op te zetten. Jan Smit deed dat echter wel. Hij nam de failliete wagenmakerij van z’n neef Uilke Smit over. Die neef kon het niet bolwerken in z’n pas drie jaar eerder nieuwgebouwde wagenmakerij aan wat nu de Tolhúswei heet.  Jan Smit had het vak goed geleerd in Oudeschoot. Zijn vader had er een wagenmakerij en de zoons hielpen mee. In die tijd had bijna iedere plaats een wagenmaker. Er waren heel wat karren en wagens nodig. Vooral de boeren waren belangrijke afnemers. Koetsen, brikken en tilbury’s behoorden ook tot het assortiment van ‘Smit’s Rijtuig- en Wagenmakerij’. Onder die naam werd het bedrijf in 1917 ingeschreven in het Handelsregister. Zo rond de jaren twintig ging het de wagenmakerij van Smit aardig voor de wind. Aanvankelijk was er veel reparatiewerk en handel in gebruikte wagens en rijtuigen, maar er konden nieuwe machines aangeschaft worden zodat de productie van nieuw rijdend materiaal beter kon gebeuren. Van alles werd gebouwd: kruiwagens, stort- en wipkarren, hooiwagens, karren voor de bakker, melkboer en kruidenier, sjezen met of zonder kap, barouchettes waarbij de koetsier op de hoge bok zat, brikken en glazen wagens. Zonder geluk vaart niemand wel. Behalve handelsgeest had Jan Smit soms ook geluk. Dat had hij eens bij het aankopen van een partij bomen in Gaasterland. Ieder dacht dat die hol waren. Daar was de prijs ook op gebaseerd. Bij het omzagen bleek dat verreweg de meeste exemplaren gaaf waren. “In stikje bûter yn’e brei”.  Carrosseriebouwen wordt belangrijk Het was de jonge ondernemer gelukt een goede naam voor zijn producten op te bouwen. Het eerste gemotoriseerde ‘rijtuig’ van Smit werd gebouwd zo ongeveer in 1921. Het was een fraai gebouwde cabine en laadbak op het chassis van een T-Ford. In 1932 kwam die in bezit van de Jouster bakker Valkema om er de klanten mee te bedienen. Dat betekende dat achter het pand in 1926 een grote smederij gebouwd moest worden. Maar goed ook, want in 1930 kwam de vraag van het Jouster transportbedrijf Libra om een grote trailer voor goederen en later een voor vee te bouwen. De eerste twee van de rij die volgde. De Libra (van Hendrik Kramer) stapte van de scheepvaart over op vrachtauto’s en had dagelijkse lijndiensten door heel Nederland. Ook Douwe Egberts (DE) plaatste later grote orders voor personen- en transportvervoer. Ook de bussen van Slof uit Joure werden bij Smit gebouwd. Carrosseriebouw werd voor Smit de belangrijkste activiteit. Maar het repareren en herstellen van voertuigen bleef een onderdeel, zoals ook de handel in gebruikte voertuigen. Zelfs had Smit een levendige handel in wielen, die wegens ruimtegebrek her en der in Joure lagen opgeslagen. Door deze activiteit van Carrosserie Smit ontstond in de volksmond de bijnaam ‘Jan Wiel’, een soortgelijke naamgeving deed zich voor bij DE door de bijnaam ‘Douwe Pypke’. De periode van WO II  was moeilijk. Het gemotoriseerde verkeer stagneerde. Er viel nog maar weinig te repareren aan wat er nog reed aan bussen en vrachtauto’s. Sommige vrachtauto’s werden weer omgebouwd tot wagens die door paarden getrokken konden worden. Soms moesten er gasgeneratoren in bussen of vrachtauto’s gebouwd worden, ook dat kon bij de firma Smid.  Na de Tweede Wereldoorlog  Na 1945 werd de carrosseriebouw beperkt door een toewijzingssysteem. Men wilde hierdoor vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. Herrijzend Nederland moest zo gauw mogelijk weer gemotoriseerd worden. Voldoende werk vond de firma Smit toen in het ombouwen van militaire transportmiddelen tot vrachtauto’s. Ook de eerste serie ambulances van De Vrij (Leeuwarden) waren oorspronkelijk legervoertuigen die omgebouwd werden. Langzamerhand kwam de productie van trailers en transportauto’s weer op gang. Ze vonden in het hele land aftrek. De echte bussenbouw kwam in en na 1948 op gang. De LAB (Leeuwarder Auto Bedrijf) bestelde een bus bij Smit i.p.v. bij Hainje in Heerenveen (ook bussenbouwer). Die bus viel zeer in de smaak en er volgden meer opdrachten. De relatie met Hainje vertroebelde hierdoor enige tijd. De laatste legde zich speciaal toe op stads- en lijnbussen voor het openbaarvervoer. Smit bouwde vooral touringcars en daarom (vanwege Hainje?) weinig lijnbussen. In de vijftiger jaren kwamen ook de orders van defensie, o.a. voor 60 lesvoertuigen met speciale, dubbele cabines en 150 laadbakken op vrachtwagens. De bestaande werkplaats aan wat nu Tolhúswei 2 is (waar Kanne z’n curiosa verhandelt), werd veel te krap. Uitbreiding kon met hulp van het gemeentebestuur even verderop op de hoek Slachtedijk en Vegelinswei gerealiseerd worden. Dat gebeurde in 1950. Er moest door de gemeente wel eerst met DE onderhandeld worden want daar wilde die firma in de toekomst zelf ook uitbreiden. Een flinke investering was nodig. Het aantal orders bleef stijgen. Defensie vroeg een serie van 60 personeelsbussen. De 50 werknemers in 1955 hadden volop werk. De groei zat er goed in. De naam Smit stond borg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. In datzelfde jaar moest het fabrieksgebouw nogmaals uitgebreid worden. Naast de bussen werden ook verhuiswagens gebouwd met luxe cabines voor 7 á 8 personen. De familie kon eventueel meeverhuizen! Luxer en luxer De bussen werden luxer en luxer. Ook groter. In 1988 verscheen er zelfs een dubbeldekker. Meer chroom en meer versieringen. Airco, koelkast, toilet, koffie-en frisdrankautomaat, een verhoogd achterdeel in de bus, beweegbare stoelen, veel ruimte voor koffers onderin en meer voorzieningen en snufjes die het reizen tot een waar genot moesten maken. Naar de wensen van de opdrachtgevers werd goed geluisterd. Dat alles moest uitgedacht en uitgetekend worden op de tekentafels. Op de tekenafdeling waren 3 á 4 mensen bezig. De afdeling financiën telde 5 á 6 man. V akbekwame medewerkers voerden de uitgewerkte ideeën uit. De verschillende afdelingen hadden hun eigen specialismen zoals de plaatwerkerij, de constructieafdeling en de spuiterij. Dan was er het magazijn en de afdeling reparatie. De bussenbouw vormde de hoofdmoot. Het aantal medewerkers steeg tot zo’n 95.  Eén van hen was Gosse Dalstra, hij begon op z’n vijftiende en eindigde op z’n zestigste. Hij was heel lang trouw aan het bedrijf. Geen uitzondering echter. Ook Jaap Kuiken en Lammert Fokkens gaven lange jaren hun beste krachten aan de bussenbouw. Zo waren er veel meer. Men stond voor een fraai product en dat gaf voldoening. Ook de vele kopers zagen het fraaie en degelijke product. Men kon de bussen o.a. zien op de RAI en op het ‘Concours d’élegance’ te Noordwijk waar de fa. Smit eens met dertien inzendingen drie eerste en twee tweede prijzen in de wacht sleepte. De bussen veranderden qua lijn en vorm. Maar ook het aan de fa Smit toegeleverde chassis. Dat werd veel zwaarder zodat ook de bussen groter konden worden. De chassismerken Bedford, Austin, Morris en Fiat maakten langzamerhand plaats voor het nieuwe type toerbus chassis van DAF. De afnemers zaten overal. Na 1960 vind je geregeld de namen van o.a. Harmanni (Assen), Paulusma (Drachten), Kras (Ammerzoden), Wiebenga (Siegerswoude), Slof (Joure), BBI (Emmen), HAVI (Rijssen), White Cars (Heerlen), LABO (Leeuwarden), LAB (idem), ZWH (Balk), Arke (Enschede), ESA (Marum), Sybesma (Sneek), OAD (Holten), Broere (Hendrik Ido Ambacht), Dalstra (Surhuisterveen) in de boeken. Behalve in eigen land sloeg de firma ook de vleugels uit in het buitenland zoals Bulgarije, Duitsland, België, Tsjechië, Scandinavië en Polen. De Smit modellen presenteerden zich met mooie namen zoals bijvoorbeeld de Eldorado (1960), de Comfortliner, de Euroliner en de Orion (1984). Het laatste model was een topper en had een aantal varianten: de Orion Highliner, Grand Luxe, Mercurius, Antares, Economy. Ondertussen ging ook de handel in gebruikte bussen onverminderd door. Die bussen gingen na een grondige opknapbeurt naar o.a. Afrika, de Oostbloklanden en soms naar Suriname.  Bijzondere producten Bijzondere producten die bij de firma Smit het licht zagen, waren de treintjes voor Burgers’ Dierenpark; die serie was bestemd voor rondritten door het wildpark. Meer dan tien jaar is er veel publiek mee vervoerd langs het daar lopende wild. De rijdende winkel aan huis was ook een bijzonder product. A & O bestelde er tachtig van. Deze winkels op wielen waren een nuttige vervanging voor de verdwenen buurtwinkels. Ook VIVO en SRV hadden belangstelling. Het bleek een succes te zijn. In 1972 hadden de afnemers de keuze uit een tiental types met een lengte die lag tussen 5.50 en 11 meter. Bijzonder waren ook de mobiele bankkantoren met kogelvrij glas en de informatiebus van Veilig Verkeer Nederland. Vier bibliobussen voor Gelderland vormden in 1979 een bijzondere opdracht. Veel zorg werd er besteed aan de bouw van de speciale ‘hospitalitybussen’ voor o.a. Philips en Heineken om er bobo’s of vips mee te verplaatsen. Ook de wielerploegen PDM en RABO beschikten over luxe bussen om als rustpunt en vervoersmiddel te dienen bij wieler manifestaties in binnen- en buitenland. De spelersbus van PSV werd eveneens in Joure gebouwd. Een bus die te water gelaten moest worden, lijkt een grap of een ongeluk. Dat was het niet. Het was een bus zonder wielen van de fa. Smit van het type Eldorado, die in gebruik werd genomen als rondvaartboot. Het einde. Een bijzondere industrie was het daar aan de Vegelinswei. De oprichter Jan Smit heeft er de scepter gezwaaid tot 1960. Zijn zoon Alexander Jacob werd in 1948 medevennoot. De jongste telg uit het geslacht Smit, Jochum Willem (ook wel Joop) schoof in 1952 aan. De beide broers zetten met enthousiasme hun schouders onder de moeilijke maar mooie taak om ‘Smit’s Carrosseriefabriek NV’ uit te bouwen en te laten groeien. Zij slaagden er met hun medewerkers in een jaarlijkse productie te realiseren van 70 bussen. Dat was in 1990. De vader Jan Smit heeft dat niet meer meegemaakt, hij overleed in 1969. Ondanks het succes bleek het bedrijf in de negentiger jaren toe te zijn aan modernisering. Dat vereiste enorme investeringen. Overnamegesprekken vonden er plaats met DAF Eindhoven. In 1996 werd de overname een feit. De gebroeders Smit trokken zich terug uit het bedrijf. Alexander Smit overleed twee jaar later. In Eindhoven nam men de leiding van de Jouster fabriek over. Dat leek aanvankelijk goed te gaan. Toch ging het anders. DAF Bus eigenaar Van der Leegte besloot de Jouster activiteiten te verplaatsen. Dat besluit werd rampzalig voor dat bijzondere, boeiende en belangrijke Jouster bedrijf. De deuren werden gesloten. De medewerkers verdwenen naar elders of naar huis. Het geluid van plaatwerkers en ronkende bussen verdween. Het onkruid begon tussen de stenen op het bedrijfsterrein te groeien want het was voorjaar 1999.      

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

It Nannewiid It Nannewiid, ook wel Haskerwide of it Wide genoemd, dankt zijn oorsprong aan de vervening. In de atlas van B. Schotanus uit 1685, staat op de plaats waar nu de golven van het Nannewiid kabbelen, alleen het woord ‘hooylanden’. Omstreeks 1750 kregen die hooilanden, nadat ze waren aangekocht door veenbazen uit Giethoorn een andere functie. Er werd turf gestoken. De turf werd met pramen via de Hogedijkstervaart naar Vierhuis vervoerd waar het vervolgens op grotere schepen werd overgeladen en naar Amsterdam werd verscheept. Eén van de verveners was de in 1724 geboren Nanne Dirks Drijfhout uit Heerenveen. Deze veenbaas kende het belang van goede aan- en afvoerwegen. Hij zorgde ervoor dat er wegen werden aangelegd, bruggen werden gebouwd en vaarten werden gegraven. Bij Vierhuis liet hij gedeelten uitdiepen om een betere doorvaart te krijgen. Ook liet hij een herberg bouwen aan de oevers van it Nannewiid op de plaats waar nu het witte bruggetje over de Veenscheiding ligt. Hij kon daar met zijn arbeiders afrekenen en men kon er een drankje nuttigen. De schippers konden er vanaf hun schip zo op de wal stappen. Zo werd it Nannewiid in de jaren na 1750 als onderdeel van de vele vergravingen langzamerhand van land in water veranderd. Het werd één van de vele vergraven landen rond Sintjohannesga. Na de inpoldering in 1870 heeft men overwogen om it Nannewiid ook droog te leggen en ge- schikt te maken voor landbouwgrond maar om financiële redenen is dit toen niet doorgegaan. It Nannewiid heeft zijn naam naar alle waarschijnlijkheid ontleend aan deze nijvere veenbaas Nanne Dirks Drijfhout. Het is jarenlang een heerlijk rustige waterplas geweest. Een uniek stukje natuur met een schitterende flora en fauna. Het meertje was er alleen voor de natuur en een enkele keer werd de rust door menselijke bedrijvigheid verstoord door een enkele visser of jager. In de jaren twintig en der tig komt het meertje steeds meer in de be- langstelling van recreanten. Met name het gebied ten zuidwesten van de plas oefende grote aantrekkingskracht uit op dagjes mensen Die huurden voor een dag of een middag een boot en vertoefden dan veelal een poosje op de zogenaamde Douwe Pôle. Dit was een gebied van omstreeks 10 hectare en bestond uit moeras, schraalland en bosjes. Het werd genoemd naar Douwe Postma tot wiens boerderij deze gronden rond 1900 behoorden. De ongerepte natuur was voor velen een lust voor het oog. Veel bijzondere planten en dieren kwam je hier tegen. Fonteinkruid, groot nimfkruid, de visotter, de blei, de kwabaal en de kleine modderkruiper. Het water was er zo helder dat je de snoeken kon zien zwemmen. De bramen van de Douwe Pôle waren bekend om hun voortreffelijke smaak Beroepsvisser Hotze de Jong uit Sintjohannesga had er een klein schuurtje, waar ‘s zomers thee en frisdrank was te verkrijgen. Vanaf 1947 tot 1958 was visser Hotze de Jong er beheerder en onbezoldigd veldwachter. Vooral in het broedseizoen was toezicht wel nodig om daarmee het roven van eieren tegen te gaan. Naast it Nannewiid lagen nog twee kleinere meertjes. lt Middelgat en it Lytse Wiide. lt Lytse Wiide is thans volledig verdwenen. lt Middelgat is er nog wel en wordt door de meesten it Lytse Wiide genoemd. (Daar waar het bankje op een verhoging staat). In 1926 werd er aan de kant van Oudehaske een natuurbad aangelegd. Een bassin met springtoren en badhokjes en een haventje met steigers zorgde voor een toename van het aantal recreanten in dit gebied. Vooral in de beginjaren was er veel animo voor. Het bestuur organiseerde regelmatig watersportfeesten. In 1928 landden er zelfs drie watervliegtuigen op it Nannewiid. Door de gemeentelijke herindeling van Schoterland en Haskerland in 1934 kwamen Oudehaske en Sintjohannesga in dezelfde gemeente te liggen. Dit deed de raad besluiten om een betere verbinding langs het Nannewiid aan te leggen. Voorheen was dit een slecht begaanbare zand- weg maar op 15 juni 1939 werd er een nieuwe verharde weg door freule Vegelin van Claerbergen geopend. De nieuwe weg kreeg de toepasselijke naam Badweg. It Nannewiid is voor Heerenveen en om streken een waardevol natuurgebied geworden. Het ligt in een mooi poldergebied en wordt omzoomd door riet en houtgewas. Ook is het nu nog steeds een belangrijke broed- en pleisterplaats voor diverse (water)vogel. De bloemen en de planten in de schraallanden tussen Lytsewiide en Nannewiid zijn zeer bijzonder. Bijvoorbeeld ‘krabbenscheer’ komt hier voor die zo karakteristiek is voor langzaam dichtgroeiende laagveenplassen. Daarnaast is it Nannewiid ook een belangrijk recreatiegebied geworden. ‘s Zomers wordt er gezwommen en gesurfd en ‘s winters kan er meestal gauw geschaatst worden. Toch bestond er al enige jaren onvrede over het meer. Het water was erg troebel, modderig en erg ondiep. Een initiatiefgroep o.l.v. Durk Kornelis, Henk Gemser en Kor Bloemsma stelden alles in het werk om it Nannewiid uit te baggeren. In de jaren negentig ging er een nieuw project van start, het zgn. Regiwa Project: Regionaal Integraal Wa- terbeheer. Daarin werd it Nannewiid op een natuurlijke manier schoongemaakt met behulp van een Helofytenfilter van rietplanten. Tegelijkertijd werd de waterhuishouding van en naar het meer grondig aangepakt. Het agrarisch gebied van zo’n 900 ha. rond het meer kreeg een peilverlaging en de visstand werd weer op peil gebracht. Het herstellen van de kwaliteit van het water vraagt enig geduld maar zeker is dat it Nannewiid op deze wijze alle eer krijgt die het toekomt en er vele generaties na ons nog van dit prachtige natuurgebied genoten kan worden. 

Vermaningband De Vermaningsband was een bekende straatmuziekgroep uit St. Johannesga en Rotsterhaule, in de volksmond ook wel ‘De Hutten’ genoemd. De bijnaam verwees naar leider Jan Vermaning, die op jonge leeftijd van huis wegliep en in de Haulsterbossen een hut bouwde. Jan, geboren in 1879, was een uitzonderlijk muzikant die viool, trompet en zingende zaag speelde. Door een oogspierziekte werd hij later blind, wat hem de bijnaam ‘bline Jan’ opleverde.  Jan had muzieklessen gevolgd bij de gebroeders De Rook en trad samen met Gradus Akkerman op in theater en circus Boltini. Zijn zonen Eise (1914), Jochum (1919), Siebolt (1923) en Jan jr. (1928) erfden zijn muzikale talent. Ze bespeelden uiteenlopende instrumenten, van accordeon en saxofoon tot gitaar, piano en wasbord. Samen vormden zij een compleet, zeer geliefd straatorkest. De familie reisde met woonwagen en auto langs kermissen, danstenten en circussen door heel Nederland. Ze traden op in onder meer Joure, Lemmer en Holten en werkten soms samen met de Baving Volendammers. De band had een grote schare fans, waaronder Roel Kwek van de Wolvedijk. Jan Vermaning overleed in 1964 op 85‑jarige leeftijd. Hun bekendste nummer was ’It Bankje’, dat op vele kermissen werd gespeeld.  VERMANINGSBAND (complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 2006)  Voor wie de Vermaningsband vroeger gezien en gehoord hebben, is het aardig wat meer van de geschiedenis van deze straatmuziekband te weten. Oudere mensen in St. Johannesga en Rotsterhaule zullen zich de band vast nog wel herinneren. In de volksmond werden die uitstekende straatmuzikanten ook wel ‘De Hutten’ genoemd. Hun leider Jan Vermaning had de bijnaam van ‘bline Jan’. Ze kwamen uit St. Johannesga. Jan z’n vader is vrij jong overleden en z’n moeder hertrouwde later met Siebolt van der Wal. Met z’n tweede vader kon Jan het slecht rooien. Op z’n twintigste liep hij dan ook weg van huis en bouwde voor zichzelf een hut in het bos aan de Wolvedijk. Daar bevinden zich de Haulsterbossen waar de jeugd van nu nog steeds hutten bouwt maar dan niet voor min of meer permanente bewoning. Dat ook Jan Vermaning daar toen een hut bouwde, was in die tijd niet ongewoon. De toen van turf en plaggen in de veenstreken opgetrokken veenhuisjes gaven amper meer gerief. Een vriend van hem Gradus Akkerman gaf hem toen de bijnaam Jan Hut, vandaar later ‘De Hutten’. Die bijnaam is Jan zijn leven lang niet kwijtgeraakt. Die Gradus Akkerman was verwant aan de circusfamilie Boltini. De vrouw van Boltini was zijn zuster. Boltini zelf kwam uit Italië en is nooit officieel getrouwd geweest met de vrouw die Akkerman heette. De bekende Tony en Jan Boltini hadden dan ook als familienaam Akkerman en zo stonden ze bij de burgerlijke stand ingeschreven. Jan Vermaning werd geboren op 31 juli 1879. Hij trouwde op jonge leeftijd en woonde een    poosje in een huisje in het ‘ûnlân’ aan de Wolvedijk, later in een woonwagen bij Rohel tegenover de plaats waar ‘De Wite Peal’ was. Nog weer later vestigde hij zich in de Boterstraat te Joure. Jan Vermaning was een zeer muzikaal man. Samen met de gebroeders De Rook uit Lemmer had hij muziekles gehad. Een van die De Rooks werd later dirigent van het vermaarde muziekkorps uit Lemmer. Na zijn muziekstudie speelde Jan samen met Gradus Akkerman bij theater Boltini. Na dat theater werd dat circus Boltini. Boltini kondigde de komst van zijn circus in de kranten aan met: ‘Wie komt, hij komt! Boltini Komt! De sterkste man ter wereld’. Om het publiek te trekken stonden er altijd enkele muzikanten op het bordes voor het theater. Dat waren Jan en Gradus. Twee supermuzikanten! Jan speelde viool, trompet en zingende zaag in 1922 toen hij 43 jaar was. Door een oogspierziekte was hij blind geworden. Lange tijd daarvoor had hij al met een slecht gezichtsvermogen gesukkeld. Vandaar zijn tweede bijnaam: ‘bline Jan’. De zonen uit het huwelijk van Jan waren eveneens zeer muzikaal. Eise uit 1914 werd een voortreffelijk accordeonist. Jochum uit 1919 ontpopte zich als een muzikale duizendpoot, hij speelde knop-accordeon, viool, trompet, gitaar, zingende zaag en piano. Siebolt geboren in 1923 (nog steeds in blakende gezondheid en woonachtig in Zwolle), speelde accordeon en was een tijdlang de drummer van de band. Hij geeft nog les aan enkele leerlingen en speelt met een vriend nogal eens voor bejaarden in tehuizen. Dan was er nog de jongste telg geboren in 1928, dat was Jan junior. Hij speelde saxofoon en klarinet. Alle vijf waren het topartiesten. Met z’n allen vormden ze een compleet straatorkest. De zaken gingen goed zodat ze een auto voor de woonwagen konden kopen. Daarmee reisden ze van de ene kermis naar de andere. Ze speelden in danstenten en in circussen zoals circus Tony Boltini. Later kwam er een dochter van broer Jochem bij.  Op zondagen traden ze op in allerhande hotels als er dansen was. Dat gebeurde vaak op zondagmiddag of -avond. Soms kregen ze versterking van de ‘Baving Volendammers’, ook een orkest van een familie met die naam uit Volendam.  De alom bekende Vermanings lieten met de Jouster Merke hun muziek natuurlijk in Joure horen. Ze stonden dan te spelen bij de inrit van garage Schootstra waar nu de Action zit. Later als ik iets in de Midstraat organiseerde, stonden de broers op het plein voor de Katholieke kerk. Hun vele fans, ook uit Zwolle, kwamen daaropaf. Roel de Jong van de Wolvedijk (Rohel) bijgenaamd Roel Kwek, was als ‘super’ fan steeds van de partij. Hij zorgde altijd voor een natje en een droogje voor de straatmuzikanten. Vader Jan Vermaning stierf in 1964 op 85-jarige leeftijd. Zelf ben ik nog in het bezit van een aantal cassettebandjes, opgenomen tijdens diverse optredens in Joure en bovendien heb ik een drietal grammofoonplaten van diverse Jouster muzikanten en natuurlijk van de Vermanings. Liefhebbers van die oude liedjes herinneren zich vast nog ‘het bankje’. Het liedje is meer dan 50 jaar oud en door de Vermaningband in heel Nederland op kermissen en straatfestivals ten gehore gebracht. Voor die liefhebbers volgt hier de tekst: ik weet hier in ons mooie Nederlandje ‘n Leuke, kleine houten bank te staan Daar zaten wij vaak uren hand in handje daar denk ik nu nog vaak met vreugde aan. Refrein: Want daar zat ik met het meisje van mijn dromen stil te vrijen in de maneschijn  Als we nu weer samen langs dat bankje komen ja, dan zou ik zo weer twintig willen zijn. ja,ja,ja,ja,ja dan zou ik zo weer twintig willen zijn. Met haar heb ik daar vaak en graag gezetenen luisterde naar de kleine nachtegaal. Haar kus deed mij de wereld dan vergeten haar lachen was voor mij 'n zonnestraal.

Het Gemengd Koor in Joure speelde meer dan een halve eeuw een centrale rol in het culturele leven van de gemeenschap. Hoewel er al in 1877 een koor met dezelfde naam bestond, werd het huidige koor in 1898 nieuw leven ingeblazen als Kroningskoor ter ere van de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Kort daarna kreeg het de blijvende naam Gemengd Koor, opnieuw onder leiding van Gjalt Brouwer. Zoals in het document staat: “Het nieuwe koor ging voortvarend van start.” Het koor kende vele hoogtepunten, vooral door de succesvolle uitvoeringen van zangspelen en operettes, waaronder Franchemont, De Meikoningin, Rose Marie en Het klokje van de Heremiet. De uitvoeringen trokken veel publiek en zorgden soms voor een tijdelijke groei van het ledental. Toch bleef dat ledental een terugkerend probleem: “Een vaste kern bleef het koor onder alle omstandigheden trouw, maar veel anderen haakten vrij snel weer af.” Daarnaast kampte het koor met een reputatie van elitair te zijn, wat potentiële leden afschrikte. De oprichting van arbeidersverenigingen zoals Nij Libben in 1920 versterkte de sociale scheidslijnen in Joure. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde het koor zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer en legde het de activiteiten stil tot 1945. Na de oorlog vervaagde het elitaire imago en bloeide het koor kortstondig op, mede dankzij de langdurige inzet van lokale dirigenten zoals Brouwer en Ids van Dijk. Na diens vertrek begon echter de neergang. Wisselende dirigenten, dalende motivatie en financiële problemen leidden uiteindelijk tot het einde van het koor rond 1959. Het zangkoor als tijdsbeeld (Het complete artikel) Langer dan een halve eeuw, van 1898 tot na 1950, is het gemengd koord een belangrijke steunpilaar geweest onder het culturele leven in de Vlecke Joure. Het was daar overigens niet het eerste zangkoor onder die naam. Reeds in 1877 moet een koor zijn opgericht dat de naam “Gemengd koor” kreeg. Uit een bewaard gebleven tekstboekje blijkt dat op tweede kerstdag 1879 door dit koor een uitvoering werd gegeven onder de noemer “Buitengewone vergadering”. Opvallend is dat bij die gelegenheid bijna uitsluitend Duitse liederen werden gezongen. Het koor stond onder leiding van Gjalt Brouwer, een bekende figuur in de Jouster gemeenschap van die tijd. Een lang bestaan is het koor niet gegund geweest. In 1889 werd nog wel opgewekt het 12½-jarig bestaan gevierd, maar ruim 4 jaar later viel het doek. Weer vier jaar later werd het koor nieuw leven ingeblazen. Aanvankelijk onder de naam Kroningskoor. Het nieuwe koor leverde een belangrijke bijdrage aan de Kroningsfeesten die op 6 september 1898 in Joure werden gehouden ter gelegenheid van de kroning van Koningin Wilhelmina. Ruim een maand later werd het gelegenheidskoor omgeturnd tot een blijvend koor onder de naam “Gemengd Koor”, met opnieuw Gjalt Brouwer als directeur. Het nieuwe koor ging voortvarend van start. Het 10-jarig bestaan werd op 29 en 30 juli 1908 gevierd met het organiseren van een “Nationale Wedstrijd voor Gemengde Koren en Fanfarekorpsen”. Aan het concours namen 11 zangkoren en 15 fanfarekorpsen deel, op een enkele uitzondering na allen afkomstig uit Friesland. De zangvereniging “Excelsior” uit Steenwijk zorgde voor het nationale tintje. Pieken en dalen Het bestaan van “Gemengd koor” is gekenmerkt door pieken en dalen. De zangspelen en operettes die in de loop der jaren ten gehore werden gebracht waren stuk voor stuk hoogtepunten. De serie begon in 1902 met “Franchemont| de Marskramer”. Later volgden “Marten de Dorpsviolist” (1905), “De Meikoningin” (1909), “Marijke van Scheveningen” (1917), “Rose Marie” (1918), “Marion de Marketentster” (1923), “Het klokje van de Heremiet” (1929), “De barbier van Straatsburg” (1932) en “Nelly” (1938). Sluitstuk was het Vlaamse zangspel “Lieveke van Hemel”, de bijdrage van het 50-jarige “Gemengd Koor” aan de Jubileumfeesten die van 14 tot en met 17 Juli 1948 werden gehouden samen met de eveneens jubilerende muziekvereniging “Concordia” (40) en de gymnastiekvereniging “Vriendschap & Kracht-Hygiëa” (65). Meermalen verleende het strijkorkest “De Dilletant” medewerking aan de uitvoeringen maar in andere gevallen zorgde een eenzame pianist(e) voor de muzikale ondersteuning. De uitvoeringen trokken veel belangstelling en dat vertaalden zich vaak in een tijdelijke toename van het aantal leden. Juist het ledental echter is dikwijls een bron van zorg geweest. Een vaste kern bleef het koor onder alle omstandigheden trouw, maar veel anderen haakten vrij snel weer af. Een vervelend etiket Het ledental werd bovendien ongunstig beïnvloed door een etiket dat het koor kreeg opgeplakt. Veel mensen vonden het koor wat elitair en dat weerhield hen ervan zich daarbij aan te sluiten. Bij het koor ging men uit van het principe dat iedereen die de toonladder beheerste, welkom was, maar men sloot de ogen niet voor de drempelvrees bij sommige mensen. Reeds enkele jaren na de oprichting van het koor pleitte directeur Gjalt Brouwer voor het houden van volksuitvoeringen, want - aldus de directeur - onder de werkende stand vindt men beste zangers. Het lukte echter nooit om veel twijfelaars over de drempel te trekken. Het gelukte al helemaal niet nadat in 1920 de arbeiderszangvereniging “Nij Libben” en het Arbeidersstrijkje waren opgericht.  Dat accentueerde alleen maar de standsverschillen tussen drie bevolkingsgroepen: de werkende stand, de middenstanders en andere middenmoters, en de burgerij alle drie nogal in zichzelf gekeerd. De meeste leden van “Gemengd Koor” behoorden tot de tweede groep. Uiteindelijk had het “Gemengd Koor” echter wel de langste adem. In het begin van de bezettingsjaren weigerde men zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer en ging men zogenoemd met vakantie. Die vakantie duurde tot september 1945. Met ruim 30 leden en met als directeur Ids Jacob van Dijk, die in 1925 het stokje van Gjalt Brouwer had overgenomen ging het koor opnieuw van start. “Nij Libben” en het “Arbeidersstrijkje”, om dezelfde reden ondergedoken, kwamen niet weer boven water. Het etiket dat “Gemengd Koor” ooit kreeg opgeplakt, begon inmiddels aardig te verbleken. Ook dat was een tijdsbeeld. Vooral in de eerste jaren na de bezetting was er sprake van toenemende saamhorigheid. Toch begon zich voor het koor ook een negatieve ontwikkeling af te tekenen. Het werd duidelijk waaraan jarenlang de stabiliteit van het zangkoor te danken was geweest; de inzet van directeuren uit de eigen, vertrouwde omgeving, voor wie bovendien de liefde voor de muziek en de gebondenheid aan de Vlecke zwaarder wogen dan de hoogte van een financiële tegemoetkoming. Met die instelling heeft Gjalt Brouwer ruim 20 jaar voor het koor gestaan en Ids van Dijk zelfs bijna 30 jaar. Het slotakkoord Na de periode Van Dijk werd het een komen en gaan van directeuren die van elders kwamen en de bevlogenheid van hun voorgangers misten. Onder die omstandigheden begon de teloorgang van het koor zich af te tekenen. In 1959 werd nog wel - zij: het een jaar te laat - het 60-jarig bestaan gevierd, maar daarna ging het snel bergafwaarts. De animo verslapte, het ledental slonk en omdat de kosten niet daalden, kwam de bodem van de schatkist in zicht. Kortom, de motivatie ontbrak om opgewekt het hoogste lied te blijven zingen. Na alweer een weinig inspirerende repetitie kwamen de leden dan ook tot de slotsom dat die avond in feite het slotakkoord voor “Gemengd Koor” had geklonken …

In de 19e eeuw waren de hygiënische omstandigheden in Joure nog zeer gebrekkig. Stromend water, riolering en moderne sanitaire voorzieningen ontbraken volledig. Veel mensen deelden één buitentoilet, vaak een eenvoudig houten ‘húske’ dat loosde op sloten of open water. Dit leidde tot ernstige gezondheidsproblemen, waaronder cholera en tyfus. In 1849 eiste een cholera-epidemie in Joure twintig doden in één week. Om de situatie te verbeteren, stelde de gemeente Haskerland in 1866 een gezondheidsverordening vast. Deze bepaalde onder meer dat elk huis een waterpomp moest hebben en dat secreten aan strikte eisen moesten voldoen. Toch bleef handhaving achter. In 1880 waarschuwde de Jouster Courant dat de gemeente nalatig was en dat “de sanitaire omstandigheden bij lange na niet voldoen”. Een ingezonden brief wees op een school waar fecaliën al zes jaar in een kuil lagen te rotten. Door een dreigende tyfusepidemie besloot de gemeenteraad in 1881 tot invoering van een nieuw tonnenstelsel met “reukeloze secreettonnen”. Er werden honderden houten tonnen en zinken trechters aanbesteed. De tonnen werden regelmatig geleegd door de gemeentelijke reinigingsdienst of door pachters die het recht op inzameling huurden. De inhoud werd per ‘beerschip’ afgevoerd en gebruikt als mest, vooral op de arme zandgronden in Drenthe en Zuidoost-Friesland. Tot ver in de 20e eeuw bleven de tonnen in gebruik, vooral in stegen en oudere buurten waar riolering ontbrak. Pas in de jaren 70 verdwenen de laatste húsketontsjes. De allerlaatste ton in de gemeente Skarsterlân werd rond 1986/87 vervangen door een watercloset. Het document sluit af met verhalen van de ‘tonneurs’, de mannen die de tonnen ophaalden. Hun werk bracht soms komische, soms onsmakelijke situaties met zich mee, variërend van verloren sieraden tot extreme stankoverlast en bijzondere taferelen in de stegen van Joure. De ‘Húsketontsjes’ in Joure (Het complete artikel) Het is algemeen bekend dat zo’n anderhalve eeuw geleden de hygiënische omstandigheden in Joure ietwat anders waren dan heden ten dage het geval is. Gas, water en elektriciteit bijv. in de vorm zoals wij die kennen, waren in die tijd volslagen onbekend. Ook in Nederland kwamen om die reden in de 19e eeuw nog veelvuldig besmettelijke ziektes voor zoals bijv. cholera en tyfus; ziektes veroorzaakt door gebrekkige sanitaire omstandigheden en slechte kwaliteit drinkwater. Dit alles mede als gevolg van slechte huisvesting. Vooral in de wat dichter bevolkte streken; in wat mindere mate op het platteland. Secreten Toiletten, destijds ”secreten” genoemd, waren alléén te vinden in de huizen van de gegoede burgers. En dan uiteraard nog zonder stromend water! Binnen de lagere bevolkingsklassen moesten vaak meerdere huisgezinnen gezamenlijk slechts één secreet met elkaar delen. Veel van die ”húskes” loosden bovendien op open water of sloten al of niet via een zinkput. Ook in Joure was dat nog tot ver in de 20e eeuw het geval. Lees er de verhalen van Marten Buis maar op na. Ook de oudere inwoners van thans kunnen zich dat nog zeer goed herinneren. In de eerste helft van de 19e eeuw begon de overheid in te zien dat dit zo niet langer kon met het oog op het gevaar van de verspreiding van besmettelijke ziektes. In 1849 heerste er in Joure nog een cholera-epidemie die veel slachtoffers eiste. De ziekte kwam voor in alle standen. In de week van 1 tot 8 september waren er 20 sterfgevallen. Zelfs éénmaal 6 mensen op één dag! Op provinciaal en gemeentelijk niveau begon men met het uitvaardigen van bouwvoorschriften en zogenaamde ‘bepalingen van gezondheidspolitie’ Om enigszins een beeld te krijgen hoe het zo’n 150 jaar geleden in Joure gesteld was met de sanitaire omstandigheden, heeft Hanneke Staal van het ”Geakundich Wurkferbân” in samenhang met de museumexpositie ”Poepgoed!” enig onderzoek verricht in het gemeentearchief van Haskerland naar gegevens betreffende de gemeentelijke reinigingsdienst en dan meer in het bijzonder naar de ‘húsketontsjes’. Uit de gevonden documenten is door ondergetekende het volgende samengevat. Verordeningen In Joure wordt in de gemeenteraadsvergadering van 30 mei 1866 de ‘Verordening met bepalingen van gezondheidspolitie in de gemeente Haskerland’ vastgesteld. In deze verordening staan allerlei bepalingen die betrekking hebben op het bouwen en renoveren van woningen en zaken die van invloed zijn op de openbare gezondheid. Specifiek golden deze bepalingen in bebouwde kommen. art. 11 elk huis te voorzien van één pomp of vergaderbak van water, tenzij binnen 30 ellen afstand van het huis een algemene pomp of bak beschikbaar is. (NB: 30 ellen komen ongeveer overeen met 20 meter). art. 12 de secreten mogen niet anders dan in of nabij de woningen worden geplaatst dan volgens opgave en aanwijzing van de gemeenteopzichter der gebouwen.   art. 32 t/m 39 In deze artikelen worden allerlei eisen gesteld m.b.t. de secreten, mestvaalten en andere stortplaatsen van vuil, bijv.: - het is verboden secreetmest te werpen in vaarten, sloten of kanalen. - mestvaalten opruimen of anders verbeteren met afdekking en opvang van weglopende gier in bakken. - secreten alleen te ledigen in door de gemeente beschikbaar gestelde vaartuigen, bakken of karren. Wat dit laatste punt betreft, staat in art. 36 aangegeven ”dat de aanwezigheid van deze vaartuigen of karren zal worden aangekondigd door het blazen op een hoorn”. Ook het wildplassen zoals wij dat heden ten dage noemen, was destijds al bij verordening geregeld!! art. 39 Tot slot nog een ”ijzersterk” artikel met de volgende bepaling: binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening moeten alle secreten die niet aan de eisen voldoen, zijn aangepast. art. 40: Het is verboden om tegen muren of omheiningen van kerken en openbare gebouwen of op of aan de openbare wegen, straten, voetpaden of pleinen te wateren of zijne natuurlijke behoefte te doen. Overtreding zal worden bestraft met een geldboete van 1 gulden. Een dergelijke boete was dus niet mis voor die tijd. Blijkbaar is dit een moeilijk te realiseren bepaling en was de termijn van 6 maanden iets té optimistisch ingeschat!! Een jaar later komt er n.l. een aanvulling op de verordening waarin de termijn van 6 maanden wordt gewijzigd in de volgende tekst: ‘Te beantwoorden aan de voorschriften op de eerste vordering van B&W en binnen de daarbij te bepalen termijn’. Reacties Dit laatste was blijkbaar weer een veel te rekbaar en te vrijblijvend begrip, gezien de artikelen in de Jouster Courant van november 1880 toen er in Joure een aantal gevallen van tyfus werd geconstateerd en er een epidemie dreigde uit te breken. In een ingezonden stuk van (graanhandelaar) T.G. Cath stelt deze dat de gemeenteraad met B & W in gebreke is gebleven m.b.t. het handhaven van de geldende verordeningen en eerder genomen besluiten t.a.v. de openbare gezondheid! Er is in de achterliggende jaren niet datgene gedaan wat volgens de verordening vereist was. Als voorbeeld noemt hij dan de nieuwgebouwde school bij het huidige D.E.-plein waar dan al 6 jaar lang - vanaf de nieuwbouw - de fecaliën in een diepe kuil worden verzameld en daar liggen te rotten en te stinken! Ook zet hij grote vraagtekens bij de kwaliteit van het water uit de pomp bij deze school. Deze bevindt zich n.l. in de directe nabijheid van de vroegere begraafplaats!! Ook de hoofdredacteur van de Jouster Courant schrijft in november 1880 in een hoofdartikel dat de sanitaire omstandigheden binnen de gemeente bij lange na niet voldoen aan de geldende verordeningen en dat door de overheid niet datgene is gedaan wat nodig is om de verspreiding van besmettelijke ziekten te helpen voorkomen. ”Voorts”, zo vervolgt de redacteur, ”was het niet alreeds de grote hygiënist uit de oudheid (Mozes S.B.) die aan het volk Israël als een Goddelijke inzetting het volgende voorschreef: “Gij zult een plek hebben buiten de legerplaats en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten. En gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en wanneer gij buiten gaat zitten daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken”. (Deut. 23:12-13). “Maar wij, kinderen der 19e eeuw, prat op onze beschaving”, aldus nog steeds de redacteur, ” wij slaan die eerste lessen van levenswijsheid in de wind, bevuilen het water om ons heen en verpesten de lucht rondom ons en zijn daarom zelf medewerkers aan besmettelijke volksziekten”. In deze trant gaat onze redacteur nog een poosje door maar doet daarnaast tevens nog een aantal voorstellen en zaken ter verbetering (die overigens al lang conform de verordening hadden moeten zijn uitgevoerd) -het dempen van sloten en vaarten die niet (meer) voor afwatering of scheepvaart worden gebruikt. -een betere doorstroming van water naar de veenpolder. -voorts het invoeren van een zodanig tonnenstelsel, en ik citeer letterlijk: “dat minder dan het tegenwoordige de naakte waarheid laat zien en ruiken”. Blijkbaar hadden de destijds in gebruik zijnde secreettonnen geen afdekking en gaven ze nogal aanleiding tot stankoverlast. Een nieuw tonnenstelsel, zo gaat de Jouster Courant verder, zal uiteraard geld kosten, maar het is beter dat geld hier aan uit te geven dan aan dokter, apotheker en kerkhof. De waarde van een mensenleven is niet in nog zo veel geld uit te drukken. In een kanttekening geeft de redacteur nog aan dat bij een goede exploitatie van secreetmest er door diverse gemeentes geld mee verdiend wordt bij het verpachten van de inzameling van secreetmest. Het tonnenstelsel Kennelijk zien nu ook gemeenteraad met B & W in dat er op korte termijn iets moet gebeuren om te voorkomen dat de tyfus zich nog verder zal uitbreiden: Op de gemeenteraadsvergadering van 4 april 1881 wordt o.a. besloten tot invoering van een “tonnenstelsel met reukeloze secreettonnen”, op kosten der gemeente en in werking te treden per 1 januari 1882. Er volgt nu snel actie: Bestek en voorwaarden worden opgesteld voor: “het maken en leveren van 275 privaattonnen. Te maken van Amerikaans grenen, 22 mm dik, beide zijden gladgeschaafd. Met 3 banden van gegalvaniseerd ijzer, ieder verbonden middels 3 roodkoperen klinknagels. Alsmede 2 ijzeren haken aan elke ton en een gegoten ijzeren ring in de boven bodem van de ton. Buitenwerkse diameter bovenzijde 34cm, diameter onderzijde 41cm, hoogt 43cm. Behalve deze tonnen nog 75 stuks tonnen met iets grotere afmetingen, resp. 38/44/48cm. De bodems onder en boven secuur passend in de kroozingen op te sluiten na vooraf goed in de menie gezet. De tonnen aan de binnenzijde over te verven met lijvige menie.  Bij oplevering testen op waterdichtheid. Voorts het maken en leveren van 140 stuks bijbehorende zinken trechters en deksels.” De aanbesteding De aanbesteding van deze werken heeft plaats op 25 mei 1881. Timmerman Pieter Thomasma uit Arum gaat de tonnen maken voor fl. 767,50. Trechters met deksels worden gegund aan Sybrandus Petrus Keverling uit Joure voor een bedrag van fl. 97,30. (S P was een neef van de bekende Jouster kopergieter Keverling) Op 31 augustus 1881 wordt een tweede aanbesteding gehouden. Pieter Thomasma is weer de laagste inschrijver. Hij gaat 400 tonnen maken voor een bedrag van fl. 960,- De 200 stuks bijbehorende trechters worden net als daarvoor gegund aan Sybrandus Petrus Keverling, voor een bedrag van fl. 109,90. (Per stuk gerekend valt de 2e aanbesteding dus nogal wat goedkoper uit). Enfin, vanaf 1 januari 1882 heeft de gemeente Haskerland de beschikking over een stelsel met “reukeloze secreettonnen”!!! De verordening wordt nog aangepast met de eis dat voortaan alléén van dit type secreetton gebruik mag worden gemaakt en dat de secreten van de bewoners hiervoor geschikt moeten worden gemaakt. Verpachting van de Gemeentereiniging In de 19e eeuw werd bij veel gemeenten de reiniging verpacht aan derden. Blijkbaar was het financieel aantrekkelijk om tegen betaling van een pachtsom ”het recht te verkrijgen tot inzameling en toe-eigening van haard as, vuilnis en secreetmest binnen de kom van het Vlek Joure”. Hetzelfde recht gold voor puin en stenen op de wallen der gemeente aangeboden. De ingezamelde materialen werden door de pachter verkocht aan derden en na aftrek van kosten kon de pachter aldus winst maken. De mest werd veel gebruikt om woeste grond in cultuur te brengen (ontginning). Het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap en materieel werd door de gemeente beschikbaar gesteld aan de pachter. Deze moest dit op eigen risico beheren en gebruiken en bij beëindigen van de pachttermijn (van 3 jaren) weer overdragen aan de volgende pachter. Naar de duur van de periode waarover de gemeente Haskerland de reiniging heeft verpacht, is geen verder onderzoek gedaan in het gemeentearchief. Alléén van een 3-tal pachtovereenkomsten uit de periode 1891 tot 1900 zijn de volgende gegevens bekend:  Periode 1891-1894: pachter was Gosling Tjebbes Vogelaar. Pachtsom: fl. 418,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij te betalen wegens het huren van kerkvoogdijterrein aan de Sluisdijk Periode 1894-1897: pachter was “Eerste Veenkoloniale Mestverzameling” Stadskanaal. Pachtsom: fl. 401,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij. Periode 1897-1900: pachter was Pieter Baukes Haagsma. Pachtsom: toelage ad. fl. 120,- te betalen uit gemeentekas. De betaling aan Kerkvoogdij werd blijkbaar door de gemeente gedaan (was uit pachtvoorwaarden gehaald). Uit deze gegevens blijkt dat de gemeente inmiddels op de exploitatie geld moet toeleggen in plaats van er geld aan over te houden! Wellicht de invloed van de kunstmest?  De Tonnetjes in de 20e eeuw Oorspronkelijk werden de tonnen vanaf de tonnenwagen bij de Slúsdyk overgezet in een bokvaartuig en dan vanaf de Hurdspytse naar de dwingel gevaren; ongeveer op de plek waar nu de Noordelijke rondweg ligt. Daar werden de tonnen geleegd in een gemetselde opslagbak. De lege tonnen werden omgespoeld met een beetje lysol erbij in het spoelwater ter desinfectering en waren aldus gereed voor een volgende ronde. Als de opslagbak vol was, kwam er een ”beerschip” om de ”beer” (half vloeibare fecaliën) op te halen voor verder transport. Meestal werd de beer vervoerd naar streken met een zanderige bodem om daar middels deze organische mest de bodemstructuur te verbeteren. Op deze manier is veel bijgedragen aan de ontginning van woeste gronden in Drenthe en zuidoost Friesland. Schrijver dezes kan zich nog uit zijn jeugdjaren herinneren dat er op gezette tijden (ca.1945-1950) een “beerschip” via de toen nog niet afgesloten Schoterlandse Compagnonsvaart naar Jubbega/Hoornsterzwaag kwam om daar zijn onwelriekende inhoud bij diverse boeren op het land af te leveren. De stank was dan gedurende een aantal dagen tot in wijde omgeving bijna niet te harden!! Het ”jiskelân” was voor de Jouster jeugd altijd een plek waar ze graag naar toe gingen. Je kon daar van alles vinden wat iemand anders als rotzooi had weggedaan. Maar ook wel overgebleven fruit van de groenteboer dat nog niet helemaal verrot was en nog best eetbaar was. Je kon daar ook leuk spelen. Uit zeer betrouwbare bron is mij verzekerd dat je, als je een beetje vlug en handig was, best wel over de drijflaag in de fecaliën opslagbak kon lopen! Het mislukte ook wel eens en hoe kom je dan thuis bij je moeder? Je kleren in de (oude) Schipsloot uitspoelen ging best, alleen de geur was er niet uit te wringen! In het kader van dit artikel valt nog te vermelden dat het vaste huisvuil en ander afval vroeger jarenlang werd gestort in petgaten iets verderop in de Haskerveenpolder. Die werden er deels mee gedempt en met een laag(je) teelaarde afgedekt zodat er grasland mogelijk werd. Door Cees Boersma, veehouder aan het Kanaal, is mij ooit verteld dat zijn koeien wel eens door die bovenlaag heen zakten en hun poten bezeerden aan scherpe stukken die daar in het verleden gestort waren. Tonnen die in de loop der jaren defecten vertoonden, werden nog heel lang gerepareerd door Willem Wiersma aan de Slachtedijk (de vader van accordeonist Gerard). In de Jouster Courant van 27 Juni 1952 wordt melding gemaakt van het dempen van de opvaarten aan de Boterstraat en de Vissteeg. Deze opvaarten stonken enorm en waren overbodig voor de scheepvaart. “Boter en vis zijn organische producten, die, wanneer ze tot ontbinding overgaan, geuren verspreiden die nu niet bepaald strelend zijn voor het menselijk reukorgaan”, aldus één der leden in de gemeenteraadsvergadering alwaar het besluit tot demping werd genomen. In de Jouster Courant van 6 Februari 1953 lezen we dat de reinigingsdienst van Haskerdijken is verpacht aan de heer S. Welles. Hij krijgt hiervoor 400 gulden per jaar. Omdat zijn ronde is uitgebreid, wil hij voor het komende jaar een vergoeding van 500 gulden. De raad toont begrip en gaat akkoord. Er komt een gemeentelijke subsidie van 25 gulden wanneer de privaatton wordt vervangen door een watercloset. Een belangrijke beslissing is het aanvaarden van een omvangrijk rioleringsplan. In de Beerskesteeg, Bloemsteeg, Gerben Martenssteeg, Vissteeg en Kakelsteeg heersen ”middeleeuwse toestanden”, met stinksloten en soms slechts enkele tonnen voor tientallen mensen en meer gezinnen. Dit is vragen om infectieziekten. Totale kosten van e.e.a. fl. 493.000, - Daarnaast nog een bedrag van fl. 207.000, - voor de aanleg van een Imhoff bezinktank als rioolwaterzuivering voordat het rioolwater op de Zijlroede wordt geloosd. Tot ongeveer begin 70-er jaren zijn in HASKERLAND de laatste tonnen in gebruik geweest. Het waren met name díe woningen die niet op het rioleringsstelsel waren aangesloten die nog van een privaatton gebruik moesten maken. In Joure waren dat woningen op ”Lyts Luchtenveld” (in 1968 afgebroken) en aan de Groenendalsteeg. Verder nog een aantal woningen in Haskerdijken /Oudehaske/ Haskerhorne/ Delfstrahuizen. De allerlaatste ton die in de gemeente, inmiddels samen met Doniawerstal SKARSTERLAN genoemd, nog in gebruik was, had zijn plaatsje in (of bij) de woning direct naast de kerk in Scharsterbrug. De ”tontsjeauto” was al lang niet meer in gebruik zodat de ton werd geleegd in de ”jiskewein” en vermengd met het gewone huisvuil. Zo rond 1986/87 kwam ook daar een W.C. de taak van het húsketontsjes overnemen. De inhoud van de tonnen werd in de nadagen van het stelsel geleegd in een betonnen kuilsilo bij boer Sytsma in de Haskerveenpolder omdat de dwingel onderhand was gesloten en op die plaats inmiddels de nieuwbouw van woningen richting ”Skipsleat” had plaatsgevonden. De kieviten en grutto’s op het land van boer Sytsma vonden zodoende goed nestmateriaal in de papierresten afkomstig uit de tontsjes. De tonneurs De laatste ”tonneurs” in Joure waren: Hendrik de Vries (uit de Vissteeg), Murk de Vries (uit de Kaekelsteeg), Siebren Vermaning (van de Scheen), Pier Postma      (voorman), Franke Borger (later brêgewipper), Wisse van der Meulen, Jetze Kamminga, Minne Bosma, Job Veenstra, Kees Postma en Lukas van der Molen, (alleen als invaller, werkte normaal bij de jiskewein) In St. Nyk waren de laatste medewerkers van de tonnenophaaldienst: Jappie Mink, Hessel Nijholt, Hendrik Draaier en Bouke de Jong (alleen als invaller). Wat beleefden de tonneurs? Enige wederwaardigheden uit het leven van de Jouster tonneurs opgetekend uit de mond van Lukas van der Molen: Het gebeurde wel eens dat bij de schoonmaakhandeling op het toilet een gouden ring of armband een verdieping lager terecht kwam. Dit overkwam ook een Jouster mevrouw. Bij de eerstvolgende tonnenwisseling vroeg ze dan ook heel timide aan de tonnenman of de inhoud van de ton ook kon worden overgegoten in een andere ton opdat het verloren sieraad kon worden teruggevonden. ”Nou, dat is niet nodig hoor”, zei Lukas, ”ik vind hem zo wel!” Hij stroopte de mouw van zijn overall op en diepte met blote handen de armband van de bodem op. Regelmatig kwam het voor dat tijdens het wisselen van de ton het toilet “bezet” was. Menige eerbare huisvrouw is zich tijdens een rustig zitje lam geschrokken door het gerammel van de heren tonneurs vlak onder haar achterste. Er werd niet altijd door de mannen gewaarschuwd. Vooral niet als er op bepaalde adressen wat jongere dames woonachtig waren. Wij kunnen ons dat heden ten dage maar moeilijk voorstellen maar als bij slager Brugt Zijlstra de ton werd gewisseld dan ging dat verkeer door de slagerij, rakelings langs de geslachte halve varkens die daar aan de haken hingen. Tijdens het ”skoft” zo rond de middag, zaten de tonnenmannen regelmatig lekker van hun gebakken visje te genieten op de treeplank van hun tonnenauto bij de visboer. Die combinatie met de bekende penetrante geuren rond de auto deed menig Jouster passant griezelen. De tonnenauto werd in zijn nadagen enigszins wrakkig. Ook de motor had z’n beste tijd gehad. Dat het gebeurde eens op een rit naar Delfstrahuizen dat de radiateur begon te koken en nogal wat water verloor. Het koelwater moest worden bijgevuld ergens bij een poldersloot. Vraag: Hoe krijg je water uit de sloot in de radiateur? Antwoord.: Schep met een lege privaatton water uit de sloot en schenk het met de drinkbeker van de thermosfles - met koffie - in de (nauwe) opening van de radiateur. Schud de beker goed leeg en ga dan pas koffiedrinken. Opm. S.B.: Aan de hand van bovengeschetste bezigheden behoeft het geen verder betoog dat de mensen van de reinigingsdiensten op die manier wel een flinke mate van weerstand tegen ziekten opbouwden en dus vrij weinig ziek waren. Hetzelfde geldt overigens ook voor mensen die op rioolwaterzuiveringen werken. Er werd door de Jouster tonneurs ook wel eens meegewerkt aan statistisch onderzoek bij de bevolking. De toentertijd welbekende NVSH (Ned. Ver. voor Seksuele Hervorming) was ook in Joure als verspreider van anticonceptiva niet onbekend; dat op deze manier werd de frequentie van de activiteiten tijdens het liefdesspel van menig Jouster echtpaar regelmatig in kaart gebracht door de heren tonneurs middels het tellen van het aantal aanwezige condooms in de ton. (De uitkomsten van deze tellingen werden dan op straat meteen maar even luidop besproken en geanalyseerd). Ergens aan de Keakelsteech stond een húske waar na het doen van de grote boodschap géén húskepapier meer voorradig was. Vraag: Hoe wordt de uitlaatopening gereinigd…?? Antwoord.: Met je blote handen natuurlijk! Ja, en hoe dan verder? Antwoord: Aan de wand afvegen, niet zo moeilijk doen! Aldus werd dit de standaardprocedure in húske Keakelsteech. Na verloop van tijd begon de kleur van het húske-interieur dus enigszins te veranderen. Dat echter niet alléén, maar ook de directe omgeving van húske Keakelsteech begon ook heel anders te geuren.  Dit nu in zodanige mate dat de heren tonneurs er niet meer wensten te tonneren wegens de onprettige reuk nabij het húske. De húske-bezitter toog daarop naar de chef-tonneur en deed daar zijn beklag over de werkweigering van diens ondergeschikten. Dadelijk ging de chef mee naar het etablissement aan de Kakelsteeg om ter plaatse de zaak in ogenschouw te nemen. Na de zaak te hebben bekeken en de geur kort maar heftig op zich te hebben laten inwerken, verklaarde de chef-tonneur dat zijn personeel alléén verplicht was de ton mee te nemen als deze door de eigenaar van het húske buiten was gezet op minstens 5 meter afstand van het húske (of daarbij nog met de windrichting rekening moest worden gehouden, vermeldt de geschiedenis niet). Aldus werd dit de vervolgprocedure bij húske Keakelsteech. Als het soms wat laat was geworden bij de tonnenophalerij werd een scherpe bocht in de weg wel eens met ietwat te hoge snelheid van de tonnen auto genomen. De deksels op de tonnen, maar ook de inhoud daaronder, bleven dan niet altijd op hun plaats. De definitie van ”reukelooze” tonnen was dan, duidelijk te ruiken, niet meer   van toepassing.

De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal Het artikel beschrijft de geschiedenis van de melkboeren in Haskerland en Doniawerstal, met een centrale rol voor Piet Hoekstra, Sjoerd Hoekstra en Ruurd van der Heide. Na de Tweede Wereldoorlog besloten melkhandelaren hun belangen te bundelen. Op 19 februari 1946 werd in Café Teernstra te Joure de’ Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. Het bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, Harm Oppewal en Siebe Brouwer. De afdeling bleef actief tot 1973 en fuseerde daarna met Heerenveen. Een terugkerend probleem waren de ‘zwarte venters’: boeren die melk onder de prijs verkochten. Hoewel de bond aandrong op het doorgeven van namen, weigerden de Jouster venters dit aanvankelijk uit solidariteit met boeren die tijdens de oorlog hadden geholpen. Pas later werd strenger opgetreden. Het document geeft een levendig beeld van de moeilijke economische omstandigheden vlak na de oorlog. Zo klaagde secretaris Oppewal over de strenge winter en de strakke rantsoenering: “Doch gelukkig is het voorjaar gekomen…”. De overheid bepaalde prijzen en rantsoenen, wat de venters zwaar trof. Rond 1950 werd de wijksanering ingevoerd: elke melkventer kreeg een eigen wijk, met regels voor omzetverdeling, ziektevervanging en klachtenafhandeling. De bezorging ontwikkelde zich van handkar en hondenkar naar bakfiets, elektrische wagens en uiteindelijk de rijdende winkel. In 1966 verscheen de eerste echte SRV-wagen; in 1973 reden er al 300 in Friesland. De concurrentie van supermarkten nam vanaf de jaren zestig sterk toe. Waar venters ooit 100% marktaandeel hadden, daalde dit landelijk naar 50%. De Friese Bond probeerde via inkooporganisaties zoals de ZHM de positie van venters te versterken. Het artikel sluit af met anekdotes die het sociale karakter van het beroep tonen, zoals klanten die op basis van geloof de melk verdeelden en de melkboer die als eerste merkte wanneer er gezinsuitbreiding op komst was. De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal  ‘Friesche Bond’ (Het complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 uit 2006) Zoals zoveel ondernemers die in eenzelfde branche werkzaam waren, namen na 1945 ook de melkhandelaren het initiatief om hun gezamenlijke belangen beter te behartigen door hun krachten te bundelen in één organisatie. De eerste vergadering van melkventers werd op 19 februari 1946 gehouden in Café Teernstra (later Café Swart en nu Café 't Hert) te Joure. Ondanks het geringe aantal van 5 aanwezigen werd ‘De Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. De Friese Bond bestond overigens al sinds 1934. Het eerste bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, voorzitter; Harm Oppewal secretaris en Siebe Brouwer penningmeester. De contributie werd vastgesteld op 50 ct (guldens!) per maand en de secretaris kreeg opdracht om ook de andere collega's uit Joure, St. Nicolaasga, Terkaple en Idskenhuizen te bewegen lid te worden. Uit de notulen blijkt niet direct wat de aanleiding was tot de oprichting of wat men concreet in de toekomst wilde bereiken. Ze zijn bondig en zakelijk zonder uitgebreid de discussies weer te geven die er ongetwijfeld geweest zijn en de frequentie van vergaderen lag niet hoog. Veelal twee keer per jaar en soms werd ook een jaar overgeslagen. Ook werden de vergaderingen eerlijk verdeeld over de cafés in de gemeente. Jaarverslagen of regelmatige rapportages over de financiële stand van zaken zijn in het notulenboek niet terug te vinden. Desondanks komen toch in de loop der jaren wel een aantal zaken naar voren die de moeite waard zijn om weer eens in herinnering te roepen of bekend te maken. De Afdeling Joure heeft van 1946 tot 1973 bestaan en is daarna gefuseerd met Heerenveen; drijvende krachten waren Sjoerd Hoekstra die tot het einde voorzitter is geweest; Harm Oppewal, eerst secretaris en later de vertegenwoordiger naar de Friese Bond en Ruurd van der Heide die jarenlang secretaris is geweest. Piet Hoekstra werd in 1953 als penningmeester benoemd en nam na het aftreden van Sjoerd Hoekstra het initiatief om met de afdeling Heerenveen te gaan praten over samengaan. Het is wellicht aardig om de namen van de venters die ooit lid zijn geweest (voor zover nog te achterhalen) te vermelden: J. Boelsma Scharsterbrug,   J. Bosgra Joure, D. Brouwer Joure, H. Brouwer Joure, J. Ekas Joure, L. Eppinga Langweer, J. Fluitman St. Nicolaasga, E. Haagsma St. Nicolaasga, R. van der Heide Joure, P. Hoekstra Joure, S. Hoekstra Joure, Sj. Hoekstra Joure, Hogeterp Joure, J. Horjus Joure, R. de Jong Ouwsterhaule, D. Kamminga Terkaple, H. Oppewal Joure, Pekema Joure, Van der Ploeg Joure, Pol Joure, S. Postma St. Nicolaasga, H. Schmitt Joure en P. Sijbesma Idskenhuizen In 1975 werden Ruurd van der Heide en Piet Hoekstra en in 1977 H. Brouwer benoemd tot Bondsridder van de Friese bond wegens een 25-jarig lidmaatschap. Zwarte venters Eén van de zaken die steeds weer terugkeert op de agenda is het probleem van de ‘zwarte’ venters. Er waren nogal wat boeren in Haskerland  die melk verkochten aan particulieren onder de prijs die de melkhandelaren rekenden. Direct al in 1946 werd door de provinciale organisatie aan de afdelingen gevraagd namen van de zondaars door te geven. Dat werd in Joure geweigerd omdat men vond dat de boeren die in de bezettingstijd zoveel mensen hadden geholpen, daardoor in moeilijkheden konden komen. Men besloot een brief te schrijven waarin werd gesteld dat vrijwel alle boeren melk verkochten maar dat men geen namen wenste te verstrekken. Maar het probleem bleef toch bestaan want in 1949 wordt "na een lange discussie" besloten om de politie te vragen die boeren te bezoeken die "clandestien" melk verkopen en in 1950 vraagt de Friese Bond aan de afdeling om namen door te geven van ventende boeren "en de zaak komt o.k.’  Het werkte kennelijk niet want in 1953 komt het punt nog eens in de notulen voor en in 1955 wordt besloten een lijst van verkopende boeren op te stellen en deze aan de VMO (de landelijke Verenigde Melkhandelaren Organisatie) te sturen. In begin 1957 is het probleem nog niet uit de wereld en dringt de Friese bond er bij de afdeling op aan om de namen van boeren aan haar door te geven zodat ze in handen gesteld kunnen worden van de Rijkspolitie "die haar volle medewerking heeft toegezegd." Eind 1957 wordt letterlijk in de notulen vermeld: "Hierna weer het aloude onderwerp: melk halen bij de boer. Hier is maar één oplossing voor: geef toch de namen door van de boeren die dit doen. In Joure is gebleken dat dit prima helpt." In de jaren daarna wordt er niets meer over genotuleerd en is het probleem kennelijk opgelost. Aardig is ook een ontboezeming van secretaris Oppewal in 1946 waarbij hij tussen de verslagen door in het notulenboek een aantekening maakt en klaagt over de strengste winter "die wij allen zolang we melkventers zijn hebben meegemaakt" en over de krappe economische omstandigheden waarin de melkventers verkeerden. Een letterlijk citaat laat daar wat van zien: "Doch gelukkig is het voorjaar gekomen en was de winter spoedig vergeten en we dachten dat ook daarmee alle ellende over zou zijn. Maar helaas, alle onze pogingen om iets te bereiken, de melk vrij of althans enige verruiming van rantsoenen te krijgen, mislukten. Een klein percentage karnemelk, kleiner dan in 1946, kregen we zonder bon. Een kleine verbetering trad in op 25 Februari 1947 toen de provisie met 0,4 verhoogd werd. Al was het niet veel, toch was het een stap in de goede richting. Maar er waren geruchten dat eerlang de omzetbelasting zou verdwijnen en dan zou zeer zeker de verlaagde belasting ten goede komen aan de venters.  Doch in Den Haag was men even beter bedacht op het vasthouden dan we in de verste verte konden verwachten. Per 1 juli verdween de omzetbelasting op melk/karnemelk en wij moesten 0,30 per liter meer betalen en de belasting op pap werd met 1% verhoogd, te betalen door de venter. Leek het aanvankelijk dat we de vrije karnemelk zouden behouden, in de loop van de zomer werd dit reeds gehalveerd en in September werd alles ingetrokken. Op 4 oktober werd de prijs der pap met 1 ct. per liter verhoogd. Midden november was reeds door de radio bekend gemaakt dat de prijzen van sommige levensmiddelen moesten worden verhoogd en ja hoor, 22 november werden alle prijzen der melk- en melkproducten met 2 ct. per liter verhoogd en de prijs der boter met 96 ct. per kilo. Maar het sluitstuk der drama's van dit jaar kwam wel midden december toen de Minister van Voedselvoorziening bepaalde dat de melkrantsoenen noodzakelijk moesten worden verlaagd en het kwam, al was het niet veel, toch genoeg om de melkhandelaren een strop te bezorgen. Gelukkig dat de natuurelementen deze winter niet zo erg woedden als de vorige wat voor ons werk vrij wat gemakkelijker is. We zullen hopen dat het komende jaar een goed jaar voor ons moge zijn, gezondheid en arbeid, alsmede loon, voldoende loon op die arbeid." Einde citaat. Bedacht moet worden dat in die tijd de rijksoverheid de inkoop- en verkoopprijzen vaststelde en dat vele levensmiddelen "op de bon" waren. Wijksanering Vóór 1950 waren er nog geen eigen wijken en trokken de venters noodgedwongen door het hele dorp. Gestimuleerd door de overheid en de noodzaak om efficiënter te werken werd een sanering gestart en in de grotere plaatsen kreeg iedere venter zijn eigen wijk waarin de producten bezorgd werden. Wanneer de wijken veranderden of er nieuwe bijkwamen, moest de verdeling aangepast worden om de omzet gelijkmatig over de venters te verdelen. In Joure werd hiervoor een aparte commissie benoemd bestaand uit de voorzitter, secretaris en Piet Hoekstra die regelmatig bijeenkwam om zowel de eerste opzet van de wijken als latere correcties te regelen. Er werd tegelijkertijd een reglement opgesteld dat niet alleen de wijkindeling regelde maar ook de onderlinge verhoudingen tussen de melkboeren. Zo werd een vertrouwenscommissie ingesteld om klachten van consumenten te behandelen; werd de klacht vastgesteld dan kon ook een boete worden opgelegd (waarvan de hoogte door de collega's werd vastgesteld!). Bij ziekte dienden de collega's de betreffende wijk over te nemen en aan de zieke over de eerste 10 weken een vergoeding van 2 ct per eenheid af te dragen en in de volgende 10 weken van 1 ct. Er werd een basisomzet vastgesteld; afwijkingen werden maandelijks vastgesteld; het teveel kwam in een gezamenlijke pot en tekorten werden ook hieruit betaald. Men werd ook verplicht om 1 week vakantie op te nemen. Een raadselachtige bepaling is dat alle in de handel voorkomende producten door de deelnemers kunnen worden verkocht met de toevoeging: "Hieronder zijn ook de Nutriciaproducten begrepen".  De melkkar De bezorging op zich onderging ook de nodige veranderingen. Waar de vader van Piet Hoekstra vroeger met 4 of 5 producten op de handkar door de buurt trok en later met de hondenkar, kwamen daarna paard en wagen en weer later de bakfiets in beeld. Piet Hoekstra bijvoorbeeld heeft tot 1962 de bakfiets gebruikt. Met het einde van de verkoop van losse melk en melkproducten en de groei van het assortiment kwam de vraag naar grotere wagens. In 1961 werden door de Friese Bond 165 Creusen electrobezorgwagens aangeschaft. Ze waren nog vrij klein en daarom alleen geschikt voor de bezorging van producten in flessen en een beperkt aantal bijproducten. In 1966 werd de eerste echte rijdende winkel in gebruik genomen; in 1973 waren er in Friesland 300 stuks op de weg. De voormalige melkventers verkochten ook groente, fruit en brood en hadden ze een assortiment van minstens 400 producten!  De leveranciers In Joure werd de melk na W.O. II eerst geleverd door Hollandia in Scharsterbrug, daarna door de zuivelfabriek in Akmarijp en later door die in Haskerhorne. Rond W.O. II werd de melk voor Joure aangeleverd in de Torenstraat en daar door de venters opgehaald. De bestelbriefjes voor de melk van de volgende dag werden 's ochtends in een fles ingeleverd. Het gaf in de winter problemen om de producten niet te laten bevriezen en dan werden deze tijdelijk bewaard in het Armenhuis of in de scheerwinkel van Otter. De karnemelkse pap werd bij vriezend weer warm in bussen aangeleverd. Piet Hoekstra nam bij vorst dekens mee op de kar om met name de flessen niet te laten bevriezen. Het overkwam hem echter een keer dat de vorst hem verraste toen hij in Noord-Broek zonder dekens op ronde was en dat had 30 kapotgevroren flessen tot gevolg. Piet Hoekstra herinnert zich ook nog dat hij in de winter bij sneeuw een slee leende van Stroosma aan de Vegelinsweg en dat het in de zeventiger jaren een keer zo gesneeuwd had dat de Slachtedijk dicht was gewaaid en hij met de slee over het ijs (waar wel een baan was schoongehouden) naar Noord-Broek moest. De melk die men overhield ging 's middags retour naar de fabriek. Eén keer per week werd met de fabriek afgerekend. Sociale ondernemersaspecten Ook op sociaal terrein was men actief, zowel in de Afdeling als bij de Friese Bond. Zo werd geprobeerd om een vakantie- en ziekteregeling te treffen door wekelijks een bedrag daarvoor af te dragen. In 1952 werd door de landelijke bond een ziekte- en ongevallen- en overlijdensverzekering opgezet en in 1955 een pensioenregeling. Maar er was ook tijd voor gezamenlijke uitstapjes zoals uit onderstaande foto blijkt. Soms had men ook gastsprekers op de vergaderingen en meestal waren dit afgevaardigden van de Friese Bond. Een regelmatige aanwezige was C. Boonstra, melkboer uit Leeuwarden, de vader van de voormalige voorzitter van de Raad van Bestuur van Philips, oprichter van de Friese bond van Zelfstandige Melkhandelaren en later voorzitter daarvan. Hij was de drijvende kracht achter de Friese organisatie. Maar er kwamen ook wel eens vertegenwoordigers van een bedrijf die probeerden hun producten bij de melkventers onder te brengen. Zo kwamen ook eens twee heren van Sterovita hun koffiemelk aanprijzen. Als lokkertje was met de Friese bond overeengekomen dat per verkochte 1/2 liter fles 1 cent in de kas van de oudedagsvoorziening zou worden gestort. Na het verkooppraatje werden tijdens de vergadering 6 flessen koffiemelk verloot. Maar ook Boonstra propageerde wel eens een product zoals bijvoorbeeld de keer dat hij adviseerde om Nutricia koffiemelk op de kar te houden doch ook om Friese Vlag te leveren als daarom gevraagd werd. Dit laatste om de goede relatie met de leverancier in stand te houden. De marges Ook een terugkerend onderwerp op de vergaderingen waren natuurlijk de prijsontwikkelingen en met name de marges voor de venters. Hierin hadden de provinciale- en landelijke organisaties een belangrijke rol tegenover de zuivelfabrieken. Boonstra was ook de man die het initiatief nam om in 1963 een centrale inkooporganisatie, de ZHM (Zuivel Handel Maatschappij) op te richten. Hiervoor werd in Irnsum een pand neergezet dat in mei 1965 door de Commissaris der Koningin Mr. Linthorst Homan werd geopend. Achtergrond voor deze stap was de opkomende concurrentie van de grootwinkelbedrijven. Maar er zat ook achter dat via afspraken met leveranciers er meer financiën beschikbaar kwamen voor de algemene voorzieningen voor overlijden, ziekte en de oude dag. Boonstra dringt er dan ook op aan om zoveel mogelijk bij de ZHM te bestellen. De latere leverancier van zelfbedieningswagens, de firma Spijkstaal droeg ook bij in de sociale kassen van de Friese Bond. Naast het meerderheidsbelang van de Friese bond had de CCF een minderheidsbelang in de ZHM. Schaalvergroting Een eerste dreiging van de winkelbedrijven komt naar voren op een vergadering in 1965 waar ervoor gepleit wordt om op één dag in de week voor twee dagen uit te venten zodat er wekelijks een vrije dag aan kan worden overgehouden. Boonstra waarschuwt ervoor dat er papierverpakkingen op komst zijn die gemakkelijk in de winkel verkocht kunnen worden waardoor de omzet van de melkventers terug zal lopen. In 1968 wordt gemeld dat men in Joure nog geen last heeft van de kruidenierwinkels maar in St. Nicolaasga wel. In 1969 is er voor het eerst op de vergadering sprake van zelfbedieningswagens die blijkens informatie van Zondervan (de 2de voorzitter van de Friese Bond) goed draaien. De ‘Cash en Carry bedrijven’ zullen naar zijn mening zichzelf wegconcurreren en voor melkproducten in de supermarkten hoeft men als venter niet bang te zijn behalve als deze vlak bij hoogbouw gevestigd zijn.  SRV In 1972 valt voor het eerst de term ‘SRV’ (Samen Rationeel Verkopen, een coöperatie ontstaan door fusie van inkooporganisaties). In datzelfde jaar wordt de VEGE winkel in Langweer op de vingers getikt omdat deze normaal Frico melk verkoopt maar tegelijkertijd met DOMO-melk stunt en dat mocht niet. In 1973 (nog maar 4 jaar na de geruststellende woorden van Zondervan) komt naar voren dat de concurrentie van de supermarkten ernstig wordt. In de notulen valt zelfs de term “vermoorden”. In Friesland is het marktaandeel van de venters teruggelopen van 100 % naar 86 %; landelijk is er zelfs een daling naar 50 %. Tijdens de laatste genotuleerde vergadering op 3 april 1973 wordt afscheid genomen van Sjoerd Hoekstra als voorzitter omdat hij zijn melkhandel heeft afgestoten en geen lid meer is van de Friese Bond. In een naschrift van de secretaris wordt vermeld dat Hoekstra gedurende 27 jaar voorzitter is geweest. Hierna stoppen de notulen abrupt; er wordt met geen woord gerept over het samengaan met de afdeling Heerenveen. Anekdotes Tot slot nog enkele leuke ervaringen die uit de gehouden gesprekken naar voren kwamen zoals de gewoonte in de detailhandel om geloofsgenoten te begunstigen met de klandizie. Een mooi voorbeeld daarvan is dat een gereformeerde klant 's ochtends een emmer klaarzette waarin achtereenvolgens de gereformeerde, de hervormde en de atheïstische melkventer resp. 1 ½, 1 en een 1/2 liter melk mochten deponeren. De melkboer was soms ook eerder op de hoogte van gezinsuitbreidingen dan anderen doordat er plotseling karnemelk werd gekocht. En ik weet niet of de term u bekend is maar Meester de Haan van de Wumkesschool bestelde altijd 1 pegel karnemelk (ofwel ¼ liter). In de tijd dat Piet Hoekstra een SRV wagen had, werd hem het brood geleverd door bakker Breimer. Op een gegeven moment kwam het regelmatig voor dat het aantal broodjes minder was dan Breimer in rekening bracht. Volgens Breimer lag de fout niet bij hem en dat bleek later waar te zijn toen Hoekstra erachter kwam dat hij 's ochtends te maken had met een hongerige krantenjongen.