Uitgelichte vensters:

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

Bakker Van der Brug in de Midstraat Nu iets fijns, nu iets nieuws! t.g.v. de officiële opening (dus alleen die dag) 250 gr. Goudse moppen en 10 fijne spritskoeken voor Fl.1,20…. Met deze aanbieding in de Jouster Courant opende Meinte van der Brug op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel in Joure aan de Midstraat. Alweer meer dan zeventig jaar geleden. De bakkerij en winkel zijn er nog. Nu zwaait de familie Lenes er de scepter. Meinte werd in 1919 in Oosterend geboren. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren. Om zelfstandig bakker te kunnen worden heb je diploma’s nodig. Dat kon gebeuren op de bakkersvakschool in Leeuwarden. Na verloop van tijd ging ook Meinte naar die school: twee jaar voor broodbakker en een jaar voor banketbakker. Nadat Meinte en Mina in het huwelijksbootje waren gestapt vestigde het jonge paar zich in een bakkerij in Nes (Dongeradeel). Dat was in 1945. Ze bleven er zes en een half jaar en kregen er twee kinderen. Ze zagen in dat ze daar op den duur geen goed bestaan konden opbouwen. Dat hadden ze goed gezien.  Vroeg opstaan maar de wet… Het was hard werken in de bakkerij en de winkel. Om half vijf ’s morgens uit de veren. Op zaterdag zelfs om twee uur in alle vroegte. Het was wettelijk bepaald dat je ’s morgens door de week, niet voor vijf uur mocht bakken en dat er voor tien uur geen vers brood verkocht mocht worden. Dit om nachtarbeid tegen te gaan. De politie controleerde dat. Van der Brug herinnert zich dat de politieman Van der Veen hem één keer heeft bekeurd omdat hij na een nogal laat geworden feestje alvast was begonnen in de bakkerij. Slapen lukte in die paar uurtjes toch niet. De napret van het feestje werd door de bekeuring wel enigszins bedorven. Dat wetsartikel bestaat al een aantal jaren niet meer. Voor dat het broodbakproces begon moest er nog heel wat gebeuren. Het deeg moest gemengd en gewogen worden, het rijzen in de rijskast duurde zo’n drie á vier uur, de oven moest aangezet worden. Daar werden kolen voor gebruikt en later gas. Meng-, afweegmachines en automatische rijskasten maakten het werk wat makkelijker. Na het broodbakken kon de bakker beginnen met het banket, de koek, het roggebrood en andere bakproducten. Het meel kwam uit een meelfabriek (vroeger een molen) in Uithuizermeden en later ook uit Heerenveen. Lange dagen waren het van ’s morgens heel vroeg tot laat in de middag. Dat betekende vroeg naar bed zodat het sociale leven er vaak bij in schoot. Dus weinig samenkomsten in verenigingsverband. Het contact tussen de Jousters bakkers beperkte zich tot een overleg over de vakantieregeling. De avonden van de Fryske Krite vormden daarom bijna de enige ontspanning voor het bakkersechtpaar.  Een bakkerij doe je niet alleen In het begin had Van der Brug enkele venters in dienst o.a. in St Nicolaasga. In Joure was het o.a. Van der Heide die er met de venterskar op uit trok. Zij werkten voor een vast loon met provisie van hun verkoop. Op die venterskarren stond eens als reclame: ‘Van der Brugs brood maakt sterk en groot’, maar dat verdween weer omdat de venters daar niet zo gecharmeerd van waren. Ook leverde hij wel bakkerswaren aan losse venters die op eigen risico ventten. Omdat er moeilijk venters te vinden waren was het in de zeventiger jaren afgelopen met het venten of ‘súteljen’. De klanten werd verzocht hun bakkersspullen zelf in de winkel op te komen halen. In de bakkerij had Van der Brug twee medebakkers, in de winkel een winkelmeisje en ook zijn vrouw hielp veel in de winkel. Zijn vrouw deed ook de boekhouding. Een paar verbouwingen maakten o.a. de winkel en de etalage groter en meer bij de tijd. De woonkamer aan de straat werd opgeofferd. Achter de winkel was leefruimte en boven nog een aantal kamers. De klokgevel verloor door de storm in 1953 helaas zijn oorspronkelijk aanzien.   Tijd voor hobby’s? Tijd voor hobby’s had de bakker niet. Zijn enige hobby was bakken en vooral banket had zijn voorliefde. Veel plezier had hij aan het maken van bruidstaarten. De mooiste had een hoogte van vijf lagen. Speciaal zijn suikerbrood, oranjekoek en hazelnootpunten werden geroemd. Wat wij altijd bijzonder lekker vonden waren zijn sukadekoeken. In de Sinterklaastijd lag er op een grote tafel in de winkel allerlei sinterklaasgoed uitgestald. Zo omstreeks de Kerst maakte hij wel eens een miniatuur kerk van suikergoed voor de etalage. Een indrukwekkende hoeveelheid prijzen en diploma’s kan hij nog laten zien. Kwaliteit stond immer hoog in z’n vaandel. In 1979 dacht de familie Van der Brug lang genoeg gewerkt te hebben. De opkomst van de supermarkten had het er voor de kleine zelfstandigen niet gemakkelijker opgemaakt. Hun zaak draaide goed maar het was (soms te) hard werken voor wat je er in de portemonnee voor terug zag. Ze deden de zaak over aan hun zoon Jan, één van de vijf kinderen die ze hadden. Jan en zijn vrouw Lia maakten in 1995 een carrièreswitch. De gebroeders Hallema namen de zaak over. Op hun beurt gaven zij het bedrijf per januari 2026 weer door aan bakker Lenes. Schilderen een jongensdroom Over de vraag of hij weer bakker zou zijn geworden als hij voor die keuze gesteld zou kunnen worden, moest Van der Brug even denken. Hij antwoordde even later glimlachend: “Ja, as dat kinne soe, mar dan wol mei deselde frou sij wie tige saaklik en ik wie foaral fakman, dat wie in prima kombinaasje”. En daar had hij gelijk aan. In zijn vrij nieuwe woning aan de Kolkstraat spraken we over zijn bakkersverleden van meer dan vijftig jaar. Bij de koffie aten we oranjekoek!  “Ut deselde bakkerij as froeger”, zei Van der Brug er met pretogen bij. Nog steeds prima van smaak. Zijn hobby is nu tekenen en schilderen. Dat was te zien. Er hingen en stonden enkele niet onverdienstelijke voorbeelden van zijn kunnen in z’n woning. Zelfs volgt hij nog schilderles en dat is kras voor een 85-jarige. Eigenlijk een jongensdroom maar in het schilderen en tekenen was in zijn jeugd geen ‘droog brood’ te verdienen, vond zijn vader. Dus dan toch maar liever bakker. Hij woont nu alleen want zijn vrouw Mina van der Brug overleed in 1999. Samen hebben ze nog 20 jaar ‘stil’ in hun nieuwe huis kunnen wonen aan de Kolk…. Buiten in de ren liepen enkele gevederde vrienden van hem rond. ‘Och, in pear hintsjes der hew ik wol aerdichheid oan’, zei Meinte van der Brug. Meinte overleed in 2012.

Boerderijen in en rondom Joure Deze herinneringen van Henk Minnema (2000) schetsen een levendig beeld van de vele boerderijen en koemelkerijen die in de twintigste eeuw in en rond Joure stonden. Het verhaal volgt de oude wegen, stegen en paden, en beschrijft per locatie welke boeren er woonden, hoe zij leefden en hoe de omgeving veranderde door ruilverkaveling en woningbouw. Aan de oostkant van  Joure stonden diverse kleine en middelgrote bedrijven, zoals de boerderij van Bertus Visser, die later een eethuis werd. Achter stegen en werkplaatsen bevonden zich stolpen en stallen van onder meer Johannes Hooghiemstra en Eelke de Boer. Veel boeren haalden hun melkgeld zelf op in het dorp, zoals Liuwe Mulder en Ype van Keimpema. Van deze laatste werd de boerderij later gesloopt en in oude stijl herbouwd als dokterspraktijk. Verderop lagen bedrijven van families als Bergsma, De Jong, Van der Zee en Yntema. Over Douwe Yntema vertelt Minnema een persoonlijke anekdote over de brug bij Remagen: “Zie Henk, die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen.” Veel van deze boerderijen verdwenen door uitbreiding van Joure of brand, of werden verplaatst naar de Haskerveenpolder. Ook aan de noordkant van de Midstraat en langs de Scheen stonden talrijke bedrijven, vaak met hooibergen, kleine stallen of kop-hals-rompboerderijen. Namen als Huitema, Klompmakker, Minnema, Ypma en Grondsma komen voorbij. Sommige boeren hielden slechts enkele koeien of paarden; anderen hadden loonwerk of veekoopmanschap erbij. In Westermeer, het oude hoofddorp, stonden eveneens meerdere boerderijen, waaronder die van Sjoerd Minnema, de familie Landman en Ymke Baaiema. Het gebied veranderde sterk door de aanleg van autowegen en ruilverkaveling, waardoor veel bedrijven verdwenen of verplaatst werden. Samen vormt het document een warm, gedetailleerd tijdsbeeld van het agrarische leven rond Joure, vóórdat modernisering en uitbreiding het landschap ingrijpend veranderden. Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure (Complete artikel Deel 1) Hendrik Cornelis Minnema, (Henk) geboren 22 oktober 1926 te Blauwhuis en overleden op 22 maart 2003 te Heerenveen. Gedurende het grootste deel van zijn jeugd woonde hij aan het Binnenpad op de boerderij achter het kerkhof van Westermeer. Na zijn diensttijd die hij in Nederlands-Indië doorbracht, trouwde hij en werd boer in Vegelinsoord, aan het kanaal. (Meenscharweg). Na de ruilverkaveling aan de Vegelinsweg op een nieuwe boerderij.  Toch lag zijn belangstelling uiteindelijk ergens anders: het toneel en wel Tryater, waar hij diverse functies heeft vervuld en ook een aantal keren een rol toebedeeld kreeg. Hij had een brede belangstelling en na zijn pensionering begon hij te schrijven o.a. over de boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure. Zijn weduwe, mevrouw T. Tuinstra te Drachten, heeft mij toestemming gegeven dit artikel te publiceren met vermelding van zijn naam Theo Mulder. Is Joure een oude naam, een oude plaats? Och, vergeleken met een mensenleven wel, maar in vergelijking tot de natuur en leven nog maar een nieuwe plaats. Trouwens het dorp Westermeer nu dat niet meer bestaat, was nog iets ouder. Daar woonden de mensen vroeger omdat daar wat hogere zandgronden waren. Daar konden ze droge voeten houden omdat de gronden daar boven de zeespiegel lagen. In 1825 had het zeewater bijna tot Joure gestaan. Toen lag de Hoge Zomerdijk daar al die het zeewater keerde. De dijk liep tot aan de Slachtedijk en zo verder naar het noorden zodat een flink deel van oostelijk Friesland niet overstroomde. Dat lag trouwens ver boven de zeespiegel nadat het hoogveen verveend was. Op die gronden was het volgens de bewoners daar niet te boeren. In Westermeer dan wel? Och de boekweit, de haver en korenvelden lagen op de hogere gronden Daar tussenin werd het vee geweid en stonden de boerderijen, veelal aan het Binnenpad zoals dit pad later werd genoemd. De hooilanden lagen verder weg in de tegenwoordige Haskerveenpolder. Vaak was er wel heel veel land bij die boerderijen soms wel 200 pondemaat (1 pondemaat=36,74 are). Boze tongen zeiden wel eens, dat als er genoeg hooi was en het weer werkte niet mee, de boer niet alle jaren in het verste land kwam. Het vervoer was vroeger wel eens een probleem, vooral 's winters. De zandpaden, dat ging nog wel. Maar om van Haskerhoarne naar Nijehaske te gaan (nu Heerenveen) was moeilijk in de winter, door de weke veenpaden in Oudehaske. Over het water was dan een uitkomst en ja, tot het eind van Westermeer, zover kwam het water. Op de laatste zandkop bij Westermeer hadden de mensen destijds een kerk neergezet met natuurlijk een kerkhof er omheen. Ook in die tijd gingen de mensen al dood. Van de eerstgenoemde staat alleen de toren nog, wat het andere betreft daar ligt iedereen nog even rustig. De boeren wilden de dingen die ze over hadden natuurlijk wel verkopen, zoals vee, boter en kaas, maar ook boekweit en haver. Omdat de infrastructuur in die tijden niet optimaal was, zetten ze hun haver en zo in de buurt van het water aan bulten, dan kon het als het gedorst werd, afgevoerd worden. Er zijn altijd mensen die handel ruiken, ook vroeger al. ”In gat in de merk” en gingen wonen in de buurt van die haverbulten. Waar er één is, komen er meer, zoals ambachtslieden. Een smid, een timmerman en zo meer, mooi op een rijtje en tegenover elkaar. Dat pad er tussenin noemen ze tegenwoordig de Midstraat. Omdat het vervoer nog meestal over het water ging, zorgden de mensen wel dat aan beide kanten achter het huis een flinke brede sloot gegraven werd. Velen bouwden ook een stal achter hun huis. Het hele jaar door was er niet altijd handel en dan hadden ze tenminste nog een paar koeien om van te leven in de slappe tijd. Zo door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen wonen. Er kwamen ook stegen bij, die natuurlijk dood liepen bij de sloot of kolk. In zulke stegen konden ze voor een paar centen een kamer met een klompenhokje neerzetten, waar ze de arbeider onderdak geven konden. Ook de arbeidersmensen van de boeren uit Westermeer woonden zoals het schijnt liever op de Joure. De naam Haverkamp was te lang, dus hadden ze het kamp al vallen laten. Veel arbeiderswoningen stonden er later in Westermeer ook niet meer. Allen trokken naar de Joure. Zelfs kerkgangers, dus werd er ook een kerk gebouwd en ze lieten de eigen kerk ‘fertutearzje’. De kermis en de cafés kwamen op de Joure. Het café op de Seewei heeft het trouwens nog lang volgehouden. (‘It heerlijk zitje’, red.)De toren van het kerkhof in Westermeer is het enige dat nog over is van de kerk. Vroeger en ook nog na de laatste wereldoorlog werd de klok buiten een begrafenis twee keer overdag geluid: om 11 uur `s morgens en om 4 uur ‘s middags. Om 11 uur kon de arbeider naar huis toe te eten en om 4 uur was het theedrinkers- en vervolgens melkerstijd. De werktijden begonnen ca. 1940 al te veranderen. De arbeider ging toen al om 12 uur naar huis. Ook het boerenleven in en om  Joure begon na de oorlog te veranderen. Ik ben zo eens nagegaan wie in mijn jonge jaren, dat waren de dertiger jaren, nog een boerderij hadden in en om de Joure. Dat waren heel wat. Winkeliers van de Joure moesten er voor een groot deel van bestaan, al was D.E. en meer industrie  in opkomst in de 19e eeuw. Ook  botenbouw, klokkenmakerijen en meubelmakerijen waren begonnen op de Joure. Daardoor werd de boerensector minder belangrijk. Zodoende zochten steeds meer boeren ander werk  of stopten met werken. Ze gingen ook naar grotere bedrijven en die kleine boerderijtjes waren vrij arbeidsintensief. Zoiets kon niet langer. Later was er veel land nodig om huizen te bouwen en straten aan te leggen. Ook kwamen er meer fabrieken. Er woont nu - en dan gepraat ik over de 90er jaren van de vorige eeuw geen boer meer in de Joure. Wie boerden er voor, in en na de oorlog in en om de Joure? Om te beginnen: de boer van Heremastate, zoals het gezegd werd. Niet dat deze man hereboer was, Hofstra, achter de winkel van IJsselmuiden aan de Appelwijk. In de steeg bij het DE-plein, richting de Kolk, boerde Durk van der Zee, kleine Durk; geen voet grond bij huis. De strontpream lag ‘s winters in de Kolk, en daar werd mest in gemengd. Van der Zee kwam altijd met veel nieuws uit de dorpskom thuis. In de regio tot aan de Torenstraat waren er wel meer met een veestalling, maar of er nog meer boerden in die tijd weet ik niet. Ale Bosma aan het water op de Krim had ook zo’n veestalling met hooiberging. Hij had er wel eens vee staan, meen ik. Verder boerde die met zijn broer Aise aan de Sluisdijk; dat werd later overgenomen door twee jongens van Aise. Dat waren ook de laatsten die er boerden; ze hielden op in de 80er jaren.Op de Sluisdijk zaten diverse boeren; of het er allemaal nog Sluisdijk heette, weet ik niet. Om te beginnen: Sipke Bosma woonde er op het spul waar eerst zijn vader Jan woonde. Via de verkaveling is S. Bosma na de Meenscharweg verhuisd, waar een nieuwe boerderij gebouwd is. Dan boerde er Sikke Soeting en later zijn zoon Germ. Ook hij verhuisde via de ruilverkaveling naar de Oude Geeuw. Zijn broer Gerrit werd kippenboer. Ytsen Stilma boerde er tot aan het eind van zijn boerzijn, met een ‘pôltsje’ land bij huis en verder alles ver weg. Hij haalde ook wel schillen en oud brood op in Joure. “Altijd zie ik het na op scheermesjes en zo”, zei hij wel eens. “Anders erg goed vreten voor de dieren”, was hij van mening. Ook Geert Jongsma woonde er; hij is via de ruilverkaveling verhuisd naar de Wyldehoarnstersingel. Dan nog voor de brug in de Slûsdyk: Piet van der Laan en later zijn zoon Roel. Roel van der Laan ging later na het wonen en boeren naar de Skarren. Er moet ook een de Jong in de steeg bij Marten Bosma, de winkelier op ‘t Zand voor de Torensteegbrug, gewoonde hebben. Die zat aan het eind bij het water van de Schipsloot en had land in de Haskerveenpolder. Dan op naar Eigen Haard. Eerst Oene Loopstra, met zijn zoon Rienk, die wat slecht lopen kon. Ze hadden een stuk of zes koeien, die een beste sloot melk gaven. Oene had het wel over de middelste stal, over de tweede stal van boven en dan weer over de tweede stal van onderen, maar dat was wel altijd dezelfde stal. En dat die koeien een sloot melk gaven; maar dat waren dan wel altijd dezelfde koeien. Een eindje verder boerde Boudewijn van der Werf, bij de Penninga`s molen. Deze boer stond bekend om zijn stevig gebouwde dochters. Dan naar de Slachtedyk, waar Bernardus Holtrop boerde en later zijn zoon Gerrit. Deze boer en koopman is later door D.E. naar de Woudfennenn ‘gedacht’. D.E. wilde wel wat meer ruimte hebben voor fabrieksuitbreiding. In de Wâldfinnen wonen de Holtrops ook niet meer. Die boerderij is later verbouwd tot sauna. D.E. in de persoon van oude meneer Kees de Jong, beter bekend als ‘meneer He’, heeft zelf in de laatste oorlog ook nog aan de Slachtedijk geboerd. Dat ging vooral, omdat de bezetter bevolen had, dat boerenland in boerenhand moest, zodat alleen een praktiserend boer land mocht kopen. Dus werd meneer de Jong ook boer. Verderop naast de Zwagemervaart woonde en boerde nog Jan Hooghiemstra; zijn boerderij is ook door D.E ingelijfd. Bij Jan Hooghiemstra achter het huis een eindje de polderdijk langs met een bruggetje  over de Zwagemervaart boerde Rindert Brouwer nog. Vroeger stond ‘s winters het land eromheen meestal onder water. Deze Brouwer ging voor geen enkele hond aan de kant! Even buiten de Joure, aan de hedendaagse Vegelinsweg, stond vroeger de stolp waar Joost de Jong boerde; een gewaardeerde man en goede boer. Hij had als schooljongen met een paar maten, zo werd er gezegd, van de Tolhûsbrug af geprobeerd wie het verst kon pissen en dat had Joost gewonnen. Er zo kunt u daar een naam aan overhouden..... Wybren, zijn zoon, boerde er later, tot de gemeente de boerderij van het land afzonderde met een nieuwe weg. Daardoor vertrokken Wybren met zijn huishouding en vee. Van de boerderij is toen een bowlingcentrum gemaakt, maar een brand veranderde de zaak weer. Er moest weer opnieuw gebouwd worden en dat is ook gebeurd. Dan komt de hoek van de Torenstraat af naar het oosten aan de beurt. Bij Terra in de steeg, de Baanstege, stond de boerderij van Hendrik Gouma, ook wel Hendrik van Nuttert genoemd. Vele ouderen zullen hem/haar die vriendelijke man voor ogen halen kunt met zijn kedde voor de wagen. Dat beest werd meer dan 35 jaar oud en het was een groot verlies voor Hendrik toen het stierf. Midden in de Midstraat, tussen de beide torens in, stond de winkel van de dames Holtrop, met de bel aan de deur en waar de zakken met erwten en bonen langs de kant stonden met omgerolde boveneinden. Alles was er volgens de klanten sfeervol. Achter die winkel en woning was de boerderij van hun broer Wobbe en zijn zoon Herman (Manus). Wobbe Holtrop herinner ik mij, niettegenstaande zijn tegenslagen in het leven, als een fleurig man. Als het tegenzat met het weer in de hooitijd, dan was zijn opmerking, dat hij het hooi niet eerder nodig had dan in november. Ook zijn bijbelkennis verliet hem nooit. Als hij met een koe bij onze stier kwam en laatstgenoemd beest kwam, zoals gewenst was, omhoog, dan hoor ik hem nog zeggen: “Klimt op tot de bergen van Sion en luidt de klokken van Jericho!”. Van Herman werd gezegd, dat als het in de herfst koud was hij lang de wanten aanhield. Ook deze boerderij is in samenwerking met de ruilverkaveling buiten de Joure gebracht.

Joure rond De Merk De omgeving van de huidige Merk, oftewel de vroegere Enkele Regel, het meest oostelijke deel van de Midstraat, heeft in de afgelopen jaren een complete metamorfose ondergaan. De huidige situatie weer zoals die na diverse reconstructies is ontstaan: een pleinafsluitende gevelpartij die langs de noordzijde van de Merk doorloopt tot om de hoek van de Elias Annes Borgerstraat. Hoe de situatie aan die zijde is veranderd, laten de diverse foto's zien. Van west naar oost gaande, stond naast de Aldi‑winkel het voormalige hotel, café en restaurant van Piet Reekers. Aan het begin van de twintigste eeuw stond het gebouw op een fraaie gekleurde ansichtkaart afgebeeld als: Hotel, Stationskoffiehuis en Stalhouderij S.D.Molenaar.  Sjoerd Dirks Molenaar had het etablissement in 1893 overgenomen van Pieter Hielkes Hielkema. De bijbehorende doorreed werd volgens de gevelsteen in 1897 gebouwd. De steen werd gelegd door (zoon?) D.S.Molenaar op 1 mei van dat jaar. Zoals op de foto is te zien, was aan de oostzijde een balkon aangebouwd voorzien van een fraai hekwerk. Zo rond de vijftiger jaren werd dit balkon tot serre omgebouwd. Wie de personen zijn die op de foto staan, is niet bekend. Voordat in Joure de tram zijn intrede deed, in 1882 de lijn naar Heerenveen, in 1886 de lijn naar Sneek en in 1901 de lijn naar Lemmer, was de grootste bron van inkomsten niet het horeca gedeelte maar de stalhouderij met omnibussen. Er waren dienstregelingen naar diverse plaatsen in de provincie. Door de komst van de tram liep de omvang van de paardentractie sterk terug waarom Moolenaar dan ook besloot om de stalhouderij gedeeltelijk af te schaffen. In 1906 verkocht hij zijn zaak aan Djurre Feitsma. In de doorreed kwam later een garage van Huisman en van der Werf (de voorgangers van Fa. Bakker en de Boer die later in de huidige Aldi een rijwielherstellerij en Ford autogarage hadden) De daaropvolgende eigenaren waren respectievelijk: Johannes Dirk Bijkersma, Fokke Minnesma, zoon Meine Minnesma. De laatste (daadwerkelijke) uitbater was Piet Reekers. Vele Jousters en oud‑Jousters zullen goede herinneringen hebben aan het bekende etablissement. Vooral op Jouster Merke Tongersdei was het binnen altijd mudvol. Er kwamen dan stempels in de benedenzaal te staan om de vloer van de bovenzaal te stutten om het gewicht van de feestvierende mensenmassa veilig te kunnen dragen. Dansleraar Piet de Boer heeft er ook nog jarenlang samen met zijn echtgenote aan oud en jong dansles gegeven in de bovenzaal. Het einde van het horecabedrijf was verre van fraai te noemen. Reekers had geen opvolger voor de zaak terwijl er fors geïnvesteerd moest worden. Hij verkocht daarop in 1993 het hotel aan Dutch Business Trading uit Utrecht. Zij zouden het pand grondig verbouwen en moderniseren om er een familiehotel van te maken. Het bleek echter dat D.T.B. bij een drugsaffaire en het witwassen van drugsgelden was betrokken waarop Justitie beslag legde op het pand. Uit veiligheidsoverwegingen en om de lieve jeugd buiten te houden, werden, in afwachting van de rechtszaak, de ramen en deuren dichtgespijkerd. Het gebouw werd zodoende ‘een schandvlek voor de Flecke’, zo schreven de kranten in 1994. In mei 1996 kon de graffiti spuitende jeugd van de Flecke zich een halve dag uitleven op de planken van de dichtgespijkerde ramen en deuren. Onder de bezielende leiding van Lipkje Ferwerda werd een wedstrijd gehouden wie de mooiste schildering wist te maken. Uiteindelijk is het hotel, nadat er verschillende keren brand was gesticht, in 1998 afgebroken.

Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure   (deel 2)                      We beginnen deel 2 achter slager de Jong (nu kledingwinkel TerStal) daar stond de boerderij van Bertus Visser. Die staat er nu nog steeds maar is nu restaurant Wok Ming. Deze boer had in tegenstelling tot de meeste Jourster boeren het land dichtbij huis liggen. Er moet ook achter de wagenmakerij van Eit van der Meulen, waar Huitema nog nieuwe wagens en kruiwagens maakte, ook een Huitema geboerd hebben. Ik weet wel dat daar een veestalling met een hooiopslag erboven achter de wagenmakerij stond. Dan heeft bij garage Schootstra de stal van Marten Ulbus de Vries gestaan voor zover ik weet. Later had hij in Westermeer op hun land een nieuwe stal met woning gebouwd.  Achter de garage van Bakker en De Boer in de Houtmolensteeg stond de stelp van Johannes Hooghiemstra die daar met zijn zuster tante Hanny woonde en boerde. Erg vriendelijke mensen. Oom Johannes, is mij wel eens verteld, is vrijgezel gebleven omdat hij niet krijgen kon wie hij graag hebben wilde. Achter de Nutsbank (nu de Jongens van Joure) heeft vroeger ook een stal gestaan waar Eelke De Boer nog vee heeft gehad. Als knecht had hij een zekere Jan (Kin) Oenema. Achter de woningen van de Patrimoniumstraat kwam eerst de boerderij van Lieuwe Mulder, direct aan de Overspitting, zijn melkbussen staan op de foto rechts. Erg goede mensen maar het was beter dat Lieuwe niet te vaak van het erf kwam. Hij mocht graag het melkgeld zélf ophalen bij café Bijkersma. Zijn vrouw Klazien redde zich lang met mesten en kuilen als ze maar op tijd wat tabak tot haar beschikking had. De boerderij is gesloopt en weer in dezelfde stijl opgebouwd waarna zich er een artsenpraktijk en apotheek vestigden. Op het land werden huizen gebouwd. Verderop, een eind het land in, boerde Ype van Keimpema. Die haalde ook het liefst zijn eigen melkgeld op. Daar is ook wel iets voor te zeggen want dan kom je ook nog eens van het erf af. Nadat zoon Sytse nog menig jaar boerde, heeft de gemeente het geheel gekocht Tussen de beide eerdergenoemde boerderijen stond de boerderij van Jan Bergsma, later zijn zoon Johannes met zijn zusters. Dat is allemaal verdwenen. Deze boeren ken ik nog door hun span witte paarden, Ze hadden veel land aan de Hoge Zomerdijk waardoor ze over de Scheen kwamen. Verder naar het oosten op het eind van de Oosterstraat (‘Skythúsbuert’) aan de andere kant van de Overspitting woonde en boerde Tide Oene's de Jong. De boerderij staat er nog. Dat vond ik altijd een erg mooie stelp. Daar schijnt een brandje voeger ook aan meegeholpen te hebben. En dam verder, over de tuin van Sippe Zeldenthuis een eind het land in, woonde Feike van der Zee: niet zo’n grote boerderij met een dubbele woning ervoor. In de andere helft woonde eerst Sierp Vlucht, een erg goede arbeider die niets wilde weten van moderne dingen en die tot zijn einde een carbidlamp op zijn fiets hield. Dat deed hij niet om op winteravonden naar het café  te gaan om wat vocht te tappen want in een café kwam hij nooit. Later woonden er Hoekstra’s als ik het goed heb. Elke dag en ’s zomers twee keer moest Feike de melk naar de weg brengen net zoals alle boeren die op het land woonden. Zijn wit paardje had een paadje uitgesleten in die lange reed naar voren. Deze boerderij is met zoon Jan via de ruilverkaveling naar Westermeer achter de vierbaansweg verplaatst. Weer een boerderij verder, maar dan aan de weg, de Geert Knolweg heet die nu,  maar vroeger was het de Heerenveensche weg, boerde Douwe Yntema. Eerst senior en later in 1945 junior. Waarom ik dat zo goed weet? Het waren onze buren. In het voorjaar van 1945 kwam ik eens bij buurman senior. De geallieerden hadden juist de brug bij Remagen over de Rijn ingenomen. “Kijk Henk” zei hij in de schuur, “die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen, uit de eerste wereldoorlog”. Douwe senior had jaren in Duitsland op boerderijen gewerkt en daar zijn geld verdiend. Toen jonge Douwe zo langzamerhand ook oude Douwe werd, kwam zijn zoon Theo op de boerderij, maar na de uitbreiding van Joure is hij naar Gaasterland vertrokken. Verderop is ook Rinze Buurma’s land ten prooi gevallen aan huizen en straten net als de tuinen van de Van Aalzums (de Kukken) en van Van der Heide. Buurman en zijn vrouw hebben nog een tijd op de boerderij gewoond totdat die afbrandde. Daar hebben ze toen een bungalow laten bouwen. Bouwgrond verkopen was niet zo’n onaardige bezigheid. Ook de tuin van Foeke Kootje was allang bebouwd. Daarachter, een heel eind het land in, boerde het gezin Aise Elgersma. Vandaar moest ook elke dag de melk naar de weg worden gebracht. Achter op het land was vanzelf geen waterleiding en elektrisch. Na Eise ging zijn zoon Steffen verder. Die is niet oud geworden. Hij stierf jong aan een slepende ziekte die hij niet kon overwinnen. Zijn vrouw is later weer getrouwd met een Hoogkamp. Na verloop van tijd legde de gemeente een weg voor hun boerderij aan, maar de boerderij bleef ‘Geen huizen’.  De jonge Aiso Elgersma groeide op en nadat ze jaren in samenwerking hadden geboerd met een klein bedrijfje in de Haskerveenpolder, had de gemeente ook interesse in hun grond en vertrok de jonge boer naar de Bilthoek. Nu, in het jaar 2000, worden er al allerlei huizen rond de boerderij gebouwd. Dan kwam Rients Huitema, dat wil zeggen: eerst de oude Rients van voor de oorlog. Die woonde daar met een tweeling uit een eerder huwelijk, namelijk Jeltsje en Nammele en verder twee kleinkinderen, Rients en Dora Huitema, kind van een andere zoon van opa Rients. Na de oorlog trouwde Rients en boerde daar verder tot, nou ja, bijna zoals iedereen, zolang het kon. De ruilverkaveling had tot gevolg dat het land bij huis kwam te liggen en later had de gemeente het weer nodig. Iedereen wilde zeker graag in Joure wonen. Voorbij Huitema, een eind het land in, woonden de Klompmakkers en die boerden daar natuurlijk ook. Die zijn ook via bemiddeling naar een andere boerderij in de Haskerveenpolder verhuisd. Aan deze kant van de weg als laatste, maar dat is eigenlijk al Haskerhorne, stond nog het spul van Benjamin Kok, aan de Wildehornstersingel. Dat hoorde vroeger met de andere boerderijen aan de Wildehornstersingel tot het Baron Rengers bezit, zoals dat genoemd werd. Kok had er ook een varkenshouderij bij. Dat waren dus de boerderijen aan de noordkant van de Midstraat en de Geert Knolweg. Vanaf Heremastate, de Harddraversweg op kwam eerst Lútsen de Vries, later de aardappelhandel van de jongens van Doeke Brouwer. Lútsen de Vries was er ook veehandelaar. Achter de koeien had hij zijn eenden. Zijn zoon Gjalt heeft nog een poosje verder geboerd, maar is toen de oceaan overgegaan. Een stukje verder de Harddraversdijk op, achter het vroegere distributiekantoor uit de oorlog, werkte Jolle Bosma. Het land daaromheen werd als eerste voor woningbouw gebruikt. Bij het oude gemeentehuis, nu verpleegtehuis, stond in de steeg ook een stal waar Thomas Hoekstra, de baardman, gewerkt heeft. Hij had er ook wat sleepwerk bij. Deze man is naar de Haskerveenpolder vertrokken. Daarna moet er een timmerman in dat gebouw gezeten hebben. In de Simensteeg, later de Hobbe van Baerdstraat, werkte Marten van der Laan. Hij is na de oorlog naar Amerika gegaan. Het schijnt dat het hem daar goed is gegaan, te zien aan zijn harddraverprijs bij de Joustermerke draverijen. Mooi toch! Even iets verder, direct over een brug, kwamen we het huis met hooiberg en veestalling van Kees Minnema tegen. Het huis staat er nog. Kees Kluutsje werd hij daar wel genoemd. Bij het koeien verweiden, zei een jongen die op de weg stond, een keer: “Kijk, die man heeft een vinger in de nek”. Later is die weggehaald. Dit huishouden belandde na wat rondzwerven ook in de Haskerveenpolder. Aan de Simensteeg, later de Hobbe van Baerdstraat, stonden ook allemaal kassen, de zogenaamde 'glascultuur'. Dit was het eerste uitbreidingsplan van De Jouwer. De kassen zijn toen verplaatst naar een plek in Westermeer, achter Jamja. Er schijnt ook een Haitse van der Zee in de Simensteeg gewoond te hebben, maar of dat zo is, weet ik niet. (Haitze van der Meer zal hier bedoeld worden, red.) De volgende steeg werd de Zylstrasteeg genoemd. Aan het einde daarvan kwam men uit op Klein Luchtenveld, waar Ynze Heida boerde. Een intelligente man met een stijve voet. Iedereen probeerde op zijn eigen manier door de tijd te komen. Zijn vrouw Styn stond meestal naast hem. Langs Klein Luchtenveld lag ook het looppad van Jelle Bouwhuis en zijn huishouding. De boerderij stond aan de Hoge Zomerdijk tussen een grote appelboomgaard. Een van de jongens (en dat waren er nogal wat) heeft later het bedrijf overgenomen: zoon Egbert. Door de Slachterssteeg, genoemd naar slager Ysbrandy, die vroeger aan de Midstraat zijn zaak had, kwam men in het grootste deel van de Zuidwestpolder. Die waterde af naar de Haskerveenpolder via een windmotor naast het Rooms-katholieke kerkhof. Piet van der Laan heeft mij wel eens verteld dat hij begon te boeren met een paar koeien in een stal naast de Rooms-katholieke kerk. Hij huurde die van Wietske Tadema. Hij kon daar komen via een smalle steeg tussen de groentewinkel van Sippe Zeldenthuis en de bakkerij van Cath, nu café en snackbar. De groentewinkel staat er niet meer, is nu Pastorielaan en haar bestrating. Door de steeg bij de smidse van der Meulen en langs de fabriek van de Vrij kwam men op de oude ijsbaan aan de oostkant van het Theresiahuis. Hier woonden in mijn tijd al geen boeren meer, net zo min als in de Driessenstraat. Wat oudere mensen kunnen zich misschien nog Bene Moed herinneren. Die haalde met zijn paard en grote wagen met ijzeren hoepels op de wielen altijd goederen van het tramstation, later van Gend & Loos. Heel vaak is die man met zijn rijtuig door de Midstraat gekomen. Net als Tsjalling Veldhuis, met zijn paard met oogkleppen, wat hem uiteindelijk nog noodlottig werd. Zo'n dier was niet bepaald vriendelijk, ook al droeg hij oogkleppen. Als kinderen mochten wij nooit meerijden, (liften zeggen ze tegenwoordig) achter op zijn wagen. Dat vond de man, Bene Moed, niet leuk. Dan komt de Scheen. Naast en achter ter Huivra stond een schuur, het voormalige koetshuis van Jonkheer Vegelin enz. Later huisde in dat grote huis notaris van der Werf. Daar groeiden lekkere appels in de tuin. In die schuur werkte in mijn jongensjaren oude Roel van der Laan. Die man liep toen al niet meer zo hard, maar dat had met zijn leeftijd te maken. Daarna kwam Evert Yntema uit Snikzwaag hier wonen met zijn zoon en schoondochter en in het begin ook te boeren. Zoon Piet had daar later geen koeien meer, maar veel paarden. Hij had er een sleepbedrijf van gemaakt. Dat hele complex is later afgebroken en daar is een huishoudschool gebouwd. Even verder het Binnenpad in vanaf de Scheen stond de boerderij van Ysbrand Kornelis, onze buren. Daar zaten we nooit in de appels, want dat waren zulke aardige mensen. Hun zoon Jelle, een jonge weduwnaar, woonde met een dochter bij hen in. Hij heeft na de oorlog, nadat de boerderij eind '44 afgebrand was met al het vee erin, verder geboerd en is ook weer getrouwd. Naast en achter deze boerderij viel stadig aan steeds meer land weg voor nieuwe huizen. Op het laatst molk 'Jelle Buur' alleen op zomerdagen nog maar.  In 1999 is, wat er nog van ’t gebouw over was, afgebroken. Verderop aan de Scheen heeft Julius Ypma ook nog een paar koeien gehad en daarnaast paarden. Hij had daar een loonbedrijf. Ook Bouke van der Wal is daar aan de Scheen begonnen. Halverwege de Scheen op ‘het kale einde’ hadden Loopstra aan de oostkant en Hindrik van Nuttert aan de andere kant een stukje land, waar ze meestal molken en soms maaiden. Een stukje richting het eind van de Skien heeft ook nog Rienk Grondsma, een stevige, zeg maar grove man, geboerd. Dat was aan de oostkant. Hij woonde niet bij de veestalling. Aan het eind van de Scheen boerde Hindrik Minnema en later nog even een zoon van hem. Dat was toen trouwens al een andere gemeente, namelijk Doniawerstal. Aan het eind van de dertiger jaren is de eigenaar, Bernardus Holtrop, zélf weer op die boerderij gegaan, met zijn dochter en schoonzoon, Jeep Hoekstra. Holtrop was een zeer sympathieke man en had nogal eens een functie. Daarbij stond hij bekend om zijn grote neus. Nardus Noas is dan ook geen scheldnaam maar een constatering van een feit. Dan Westermeer, de hoofdplaats in vroeger tijden, waaruit later Joure ontstond. Achter het grote kerkhof met zijn toren woonde Sjoerd Minnema, met vrouw en kinderen, waarvan ik er ook één ben. In 1932 kwam Sjoerd Minnema in Joure wonen. Daarvoor woonde daar een Hiemstra. Die man was niet zo groot en toen de landeigenaar de boerderij wat liet verbouwen, - de koeien werden groter - vroeg hij of het bijgebouw ook hoger moest. Dat vond Hiemstra niet nodig. Maar toen grote Sjoerd kwam, wilde hij wel dat het iets hoger werd. We hebben vaak met ons hoofd tegen de zolder gezeten! Onze ouders hadden negen dochters en drie zonen. Dat laatste was minder belangrijk, maar dat eerste had tot gevolg dat het stukje Binnenpad naast het kerkhof het Minnema bosje werd genoemd, want iemand anders zijn zoon kwam wel op die dochters af. Ook deze boerderij bestaat niet meer. De opvolger Jouke heeft ook in de Haskerveenpolder een andere boerderij gekregen. Een stukje verder in Westermeer lag weer een reed naar achteren, langs de Miente. Dit stuk land is tijdens de oorlog meestal volkstuin geweest, waar veel Jousters gebruik van maakten. Halverwege lag de woning met ernaast de boerderij van Otto de Jong. Dat was van oudsher ook een veeboerderij geweest, want er zat nog een melkkelder onder het woonhuis. Daarvoor ging men het Binnenpad linksaf en kwam men bij een zogenaamde koe melkerij, een kleine stal met een hooiberg en een paar percelen land. Daar woonden vroeger Jan van der Veen met zijn vrouw, in mijn tijd al stokoude mensen, met één koe. Toen zij stierven, een paar jaar na elkaar, wilde Van der Veen dat zijn vader de koe erbij nam. Dat is ook gebeurd, maar het dier heeft zich nooit thuis gevoeld tussen de koppel. Daarna heeft Hein Mink daar gewoond en geboerd. Hij was daarnaast ook veekoopman. Na Mink is Arie de Boer daar begonnen. De volgende boerderij, maar ook weer een eind van de weg af, was een kop-hals-romp boerderij met een geel voorhuis. Daar woonde Arjen Landman. Zijn pruimpje hoorde bij hem als hij buiten was. Deze mensen hebben op een bepaald vlak nogal wat tegenslag gehad. Maar op den duur hebben ze toch nog een zoon gekregen. Die kon ook weer via de ruilverkaveling verder boeren in Haskerhorne. Daarna kwam de stal van Ymke Baaiema, ook weer met de achterkant naar het Binnenpad. Daar vlakbij stond ook nog een arbeiderswoning; daar woonde vroeger een Roel Oosting. Halverwege de jaren dertig was al een begin gemaakt met een autoweg. Het einde van Sneek naar de Joure was voor de oorlog al klaar, net zoals het einde van de Scheen naar de Sewei; dat laatste einde liep tussen de boerderijen van Baaiema en Ids Bakker door. Het Binnenpad liep toen nog over die weg heen. Toen de weg vierbaans werd, is dat pad vervallen. De boerderij van Bakker staat er nog. De dochter en schoonzoon van Bakker, Minkes, hebben er nog geboerd. Het land is verkocht nadat Minkes vertrokken is. Nu dient de boerderij nog als woning. Sipke Woudstra zijn boerderij staat er ook nog, achter de rijksweg. Daar is Jan van der Zee naar toe getrokken vanuit het achterland. Hem en zijn vader Feike heb ik eerder genoemd aan de noordkant van de Geert Knolweg. Daarna kwam nog de boerderij waar vroeger Foeke Siebesma woonde, een oude kop-hals-rompboerderij. Die stond ongeveer op de plek waar nu de vierbaansweg naar Lemmer ligt.  Als laatste in Westermeer Kees Hanje, ook weer aan het Binnenpad. Dat Binnenpad was een openbare weg. Dit Binnenpad liep naar het Nannewijd toe, maar liep in de Middeleeuwen nog door naar Nijehaske en verder naar Oudeschoot. Deze openbare weg is in de ruilverkaveling opgeheven, omdat er twee autowegen doorheen kwamen van Joure tot aan de Sewei. Hanje heeft in de ruilververkaveling ook nieuw gebouwd in de Haskerveenpolder. Er bleef niet genoeg land voor hem over bij het oude huis. B. van der Wal is vanaf de Scheen daarheen verhuisd. Het gebouw is onlangs afgebrand. Het was ook al geen landbouwbedrijf meer.  Dit waren in het verleden zo’n beetje de boerderijen in Joure en omgeving.

Douma State Het artikel onderzoekt de oorsprong van Doumastate en de naam Spannenburg, waarbij nieuwe gegevens worden gebruikt om eerdere aannames te corrigeren. Lange tijd werd gedacht dat predikant Tjebbe Laas Spannenburg, door Roel Pieters ‘de preekfeint’ genoemd, de bouwer was van Doumastate. Uit nieuwe informatie blijkt echter dat zijn zoon, Laas Tjebbes Spannenburg, de daadwerkelijke bouwer was. In het document staat letterlijk: ‘Niet de ‘preekfeint’ (…) bouwde Doumastate (…) maar zijn zoon deed dat.’ Laas Tjebbes werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn vader predikant was. Het gezin verhuisde in 1810 naar Ouwsterhaule, waar de predikant tot 1840 diende. De periode was zwaar: eerst de Franse tijd met financiële en geestelijke problemen, later de grote overstroming van 1825. De vader werd in 1837 ziek en ging in 1840 met emeritaat. Hij overleed in 1869, waarschijnlijk in Sneek. De vraag waarom een zieke predikant een state zou bouwen, wordt hiermee beantwoord: hij deed het niet. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) bevestigt dat Laas Tjebbes Spannenburg Doumastate bouwde in 1845–1846, deels met afbraakmateriaal van de oudere Doumastate in Langweer. Tijdens restauraties in 1974 bleek dat veel onderdelen — kozijnen, balken, betimmeringen — daadwerkelijk hergebruikt waren. De oorspronkelijke Doumastate in Langweer was een voornaam landhuis, beschreven in de Tegenwoordige Staat van Friesland (1785–1789) als ‘een zeer vermaaklijk Landhuis (…) welk een fraay gezigt heeft over de Wielen’ Het stond op de plek waar ooit de stins van de invloedrijke familie Douwma had gestaan. Toen J. Craandijk Langweer bezocht (1875–1882), was het huis al gesloopt; het frontespies met wapens was toen zichtbaar op de herberg Spannenburg. Laas Tjebbes was van oorsprong zilversmid. Hij werkte achtereenvolgens in Joure, Balk en Sint Annaparochie, tot hij zich in 1846 liet uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem aanwezig. Hij trouwde in 1832 met Katarina Hendriks van der Goot, met wie hij vijf kinderen kreeg. Na haar overlijden in 1840 hertrouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. Met haar begon hij in 1845 aan de bouw van zijn ‘droomhuis’. Doumastate werd een logement en boerderij, strategisch gelegen aan drukke routes. Later, door de aanleg van het Prinses Margrietkanaal en de hoge brug, raakte het gebouw uit het zicht. Toch bleef het een markant punt, en gaf Laas Tjebbes zijn naam aan de huidige buurtschap Spannenburg. Doumastate blijft, zoals de auteur besluit, ‘altijd een foto waard’. Douma Stins/State (Het complete artikel) Het boek De historie gaat door het eigen dorp van schrijver A. Algra meldt dat de oude stins (stins betekende meestal ‘sterkte’) in de veertiende eeuw in Langweer stond. Niet bekend is of de adellijke woning destijds Douma‑stins of Douwema‑stins werd genoemd. Vermoed wordt dat het gebouw aan het eind van de veertiende eeuw, dus tussen 1375 en 1400, is verrezen. De stins was opgetrokken van oude friezen (kloostermoppen, middeleeuwse bakstenen) en bestond uit twee verdiepingen, met daaronder een kelder en gewelven. Tussen twee topgevels bevond zich een zadeldak. Een brede gracht om de woning moest aanvallen van buitenaf weren. De enige toegang was een houten brug. Voor de stins stond een gebouw dat de naam Veythuys droeg. Van daaruit kon een eventuele aanval worden afgeslagen. Jancko Douma Het geslacht Douma woonde in de vijftiende eeuw in Langweer. Een zekere Ocke Gerritsma had een zoon Douwe Douwema, die eigenlijk Douwe Ockama heette. Douwe trouwde omstreeks 1430 met Foeck Fockema uit Langweer en stierf rond 1450. Haar vader, Jancko Fockema, woonde destijds in Langweer. Douwe Douwema zou toen het wapen van zijn vrouw hebben overgenomen en op de stins van zijn schoonvader zijn gaan wonen. De zoon van Douwe, Jancko Douwema, die meestal ‘de Âlde’ werd genoemd, woonde er ook. Dit was een neef van Jancko Douwema uit Oldeboorn, die in tegenstelling ‘de Jonge’ werd genoemd en bekend was uit de tijd van de Vetkopers en wiens werkzame leven eindigde op het schavot. Jancko Douwema uit Langweer was betrokken bij de Donia‑oorlog, die uitbrak in 1458 en werd veroorzaakt door Agge Donia uit Sloten. Jancko stierf in 1476. Door het regentschap van de hertog van Saksen, die het beheer over het onder elkaar vechtende Friesland had gekregen, werd een nieuwe belasting ingevoerd: de Saksische jaartax, ook wel floreinbelasting genoemd. Deze werd in 1500 aangekondigd en in 1501 als eerste in Friesland ingevoerd, omdat hier nauwelijks een belastingsysteem bestond. In 1504 eiste de hertog dat de Friese adel hun eigendommen aan hem overdroegen en die vervolgens als ‘lening’ terug konden krijgen. Bijna de hele Friese adel tekende een protestbrief. De eis werd afgekocht, maar de jaartax bleef. Onder de ondertekenaars was ook Idzert, de zoon van Jancko. In die roerige tijd sloot de Gelderse hertog in het geheim een overeenkomst met de Friese adel om Friesland binnen te vallen en de Saksen te verdrijven. De Geldersen kwamen in Gaasterland aan wal en nadat ze Sloten hadden ingenomen, viel geheel Zuid‑ en Midden‑Friesland in hun handen. ‘Lytse Jancko’, de oudste zoon van Idzert, werd toen aangewezen als slotvoogd van Sloten.Toen de Saksische hertog ook in Groningen in conflict kwam met de Gelderse hertog, werd het regeren van Friesland hem te veel. Hij verloor de moed en onderhandelde met de Bourgondiërs over overdracht van Friesland. In 1515 stond hij zijn rechten op Friesland af aan de Bourgondiërs voor 100.000 gulden. Ondertussen was de strijd tussen de Geldersen en Bourgondiërs nog hevig. In november 1517 trokken de Bourgondiërs naar het zuiden, ook naar Langweer, waar vele huizen werden platgebrand. Ook de Douma‑stins bleef niet gespaard. De stins werd in de jaren daarop herbouwd en rond 1525 kwam Idzert Janckes (Douwema) uit Langweer op de stins wonen. Hij had een zoon Jancko, die op zijn beurt drie zoons had: Idzert, Foppe en Erasmus. Idzert woonde later in Britsum, Foppe in of bij Leeuwarden. Erasmus woonde op de stins en werd in 1577 grietman van Doniawerstal. Later werd hij gevangengenomen door Spaanse benden die Friesland binnenvielen. Ook zijn opvolger, grietman Tiete van Hettinga, viel in handen van de plunderaars. Van 1610 tot 1615 woonde grietman Joh. van Clant op de stins; zijn moeder was een Douma. In 1635 woonde er een Saepck, weduwe van Barthold Douma. In 1722 werd bij een tekening vermeld dat Ansck Doys Barthols van Douma, weduwe van Jonker Caler Doys, eigenares was. De Doys‑familie woonde hier in 1748 nog. Een zoon uit dit huwelijk, Jonker Gerlich Willem Doys, trouwde met Juliana van Haersma. Later trouwde zij met J. Baron van Geusau. Douma State Waarschijnlijk werd de stins vlak voor 1793 gesloopt. Aan het eind van de achttiende eeuw schreef men dat in de tuin van het slot een stuk grond was waarop de oude stins van Jancko Douma had gestaan. In 1787 schreef men over de Douma State met het uitzicht over de Wielen. Het was toen de zomerwoning van mevrouw de weduwe Geusau Haersma. In 1793 werd op deze plaats een nieuw huis gebouwd met twaalf, zowel grote als kleine kamers, elk voorzien van een marmeren schoorsteenmantel en wat verder in een deftig herenhuis past. Dit landhuis is kleiner geweest dan de oude stins. Waarschijnlijk is de stins in het bezit geweest van de Vegelins, want op 26 december 1817 stierf op Douma State Christine Ansck van Burmania, de echtgenote van Jonkheer Assuerus Vegelin van Claerbergen. Haar man stierf op 15 januari 1820. Douma State is eveneens in het bezit geweest van de familie Queastius, die later naar Dronrijp verhuisde, namelijk naar ‘Schatzenburg’. Zij hebben veel goed gedaan voor Dronrijp; nog altijd spreekt men daar van het ‘Queastius-bosk’. In 1787 werd tevens geschreven dat zich in de hovinge van de state een vierkant stuk grond bevond met grachten omgeven, waar vroeger de stins van Jancko Douma had gestaan. Tot 1906 bleef bedoeld stuk grond bewaard. Dit was toen in het bezit van de familie De Beaufort en is aangekocht door Durk Tjebbes Hepkema, die daar een renteniershuis liet bouwen. Dit huis kreeg de naam ‘de stins’ en is nu het eigendom van dokter Van Leusden. De state zelf zal gestaan hebben waar in 1909 een nieuwe zuivelfabriek was gebouwd, dat nu hotel ‘De Wielen’ is (en ook dat al niet meer, fmr). Bij deze zuivelfabriek stond de directeurswoning, dat nu de zeilschool van Boertjens is. Tussen de Douwema State en ‘de stins’ stond vroeger nog een zogenaamd Vechthuis (Veythuys). Tjebbe Laas Spannenburg Op donderdag 20 maart 1845 werd Douma State voor afbraak verkocht. Volgens een advertentie uit de Leeuwarder Courant van 8 maart 1845 bestond de state uit twaalf kamers, twee keukens, een waskelder, een grote kelder en zolders met beschoten dak. De oude stins moet uit nog veel meer kamers hebben bestaan, namelijk 24. De officiële koop vond plaats op 21 maart 1845, toen dominee Tjebbe Laas Spannenburg uit Ouwsterhaule voor 1600 gouden guldens in het bezit kwam van de state. Hij was op 3 november 1782 geboren te Harlingen en was getrouwd met Antje IJsbrands Stuurwold en later met Gerrytje van der Weide. Van hem is verder bekend dat hij vanaf 1807 ook als predikant in Goingarijp is geweest. Het schijnt dat de man daarnaast goudsmid en jachtmeester was. Op 1 januari 1840 ging Tjebbe Laas Spannenburg met emeritaat. Hij woonde tot die tijd in een haveloze pastorie in Ouwsterhaule. De ongetwijfeld niet onbemiddelde dominee liet het gebouw verplaatsen naar de plaats die nu Spannenburg heet. De verhuizing vond plaats over het water, via de Koevorde, het Slotermeer, de Gaestfeart en de Tilfjordensloot naar de huidige plaats. De weg via Legemeer en Finkebuorren was er in die tijd nog niet. Het water dat nu ‘Prinses Margrietkanaal’ heet, werd tussen 1910 en 1914 gegraven. Over de herbouw van de woning heeft men ongeveer vijf jaar gedaan. Dominee Spannenburg bouwde het huis oorspronkelijk als jachthuis. Ook moeten er rond die tijd bossen rondom de woning zijn geweest. Later werden de bossen gekapt en wegen aangelegd, waardoor de State aan de kruising Lemmer‑Sneek‑Joure‑Sloten kwam te liggen. Laas Tjebbes Spannenburg Niet de predikant Tjebbe Laas Spannenburg bouwde Doumastate op het kruispunt van de wegen Lemmer‑Sneek en Sloten‑Joure, maar zijn zoon Laas Tjebbes Spannenburg. Hij werd in 1807 geboren in Goingarijp, waar zijn ouders toen de pastorie bewoonden. In 1810 verruilden zij die plaats voor Ouwsterhaule. De vader van Laas Tjebbes bleef daar tot 1 januari 1840 in het ambt. Het was geen gemakkelijke tijd voor het domineesgezin: eerst de Franse tijd met geestelijke en financiële zorgen, daarna in 1825 de grote overstroming. De predikant stond toen vaak alleen voor het pastorale werk in de gemeente, omdat de kerkenraad, bestaande uit boeren, in die periode genoeg had aan de eigen beslommeringen. In 1837 werd de predikant ziek en daarom ging hij in 1840 met emeritaat. Hij sleet de rest van zijn leven in Harlingen, zijn geboorteplaats, en stierf op 2 maart 1869, waarschijnlijk in Sneek. Laas Tjebbes, de bouwer van de nieuwe Doumastate, was zilversmid van beroep. In 1828 werd hij zilversmid in Joure. Drie jaar later oefende hij dat beroep uit in Balk tot 1843 en vanaf dat jaar tot 1846 in Sint Annaparochie. In dat laatste jaar liet hij zich uitschrijven als zilversmid. In het Fries Museum is nog een zilveren peperbusje van hem te vinden en in particulier bezit bestaan nog zilveren breinaalddoppen van zijn hand. Op 12 februari 1832 trouwde Laas Tjebbes met Katarina Hendriks van der Goot. Zij kregen vijf kinderen, waarvan er twee de moeder overleefden, die in 1840 stierf. In datzelfde jaar trouwde hij met Elisabeth Rientzes Dijkstra. In 1845 begon hij met zijn tweede vrouw aan de bouw van zijn ‘droomhuis’, de nieuwe Doumastate bij Spannenburg. Het boek Langs stinsen, states en andere voorname huizen in Friesland (1979) vermeldt dat de bouwer van Doumastate Laas Tjebbes Spannenburg heet en dat dit gebeurde in 1845/1846. Het boek zegt dan: “Eigenlijk is hier sprake van een gedeeltelijke herbouw van de Doumastate Langweer, welke dateerde uit 1793. Het pand was toen echter aan beide zijden één venster breder, terwijl de ramen van kleine ruitjes waren voorzien. Het pand bevatte toen 12 kamers. Tijdens de restauratie in 1974 is inderdaad gebleken dat bij deze herbouw veel materiaal van de Doumastate (Langweer) is hergebruikt, zoals kozijnen, balken en allerlei betimmeringen.” Zijn uitspanning lag op een gunstige plek. Veel volk op weg naar markten, feesten, begrafenissen en andere gebeurtenissen kwam erlangs en gebruikte het logement als pleisterplaats. Die strategische ligging bleef ook toen in 1910–1914 het Prinses Margrietkanaal werd gegraven. Door de latere hoge brug werd Doumastate helaas voor een groot deel aan het zicht onttrokken. Herberg Vanaf 1888 werd het pand bewoond door Minke v/d Meer, die enkele kamers heeft benut als logement. Vanaf 1904 werd het pand verhuurd aan de gezusters Jantsje en Lolkje Schurer. Tot 1923 zwaaiden zij de scepter in de herberg ‘Het Wapen van Friesland’, ook wel ‘Huize Spannenburg’ genoemd, die bekend werd tot in de wijde omtrek. In 1923 werd het pand gehuurd door Jan Hendrik Schutter uit Harich, die samen met zijn vrouw de herberg voortzette. Via een advertentie in de Balkster Courant vroegen zij een boerenhulp, en op 12 mei 1923 kwam de zestienjarige Piet Mandemaker bij de Schutters in dienst. Naast de herberg had Schutter een stalhouderij. Omdat de herberg op een knooppunt van wegen lag, was het altijd een drukte van belang. In die tijd waren er nauwelijks fietsen of auto’s en vond het vervoer plaats door middel van de diligence. Veel boeren staken op dinsdag en vrijdag aan, nadat zij van de markt in Sneek of Leeuwarden kwamen. Ook na begrafenissen werd de herberg druk bezocht. Piet Mandemaker moest op de tilbury’s passen, terwijl de boeren even een hapje aten of aan het wandelen waren. Ook de postkoets kwam regelmatig langs. De post vanuit Lemmer, Joure, Sneek en omgeving werd uitgeladen en klaargelegd om overgeheveld te worden in een andere postkoets, die naar het dorp van bestemming reed. Vooral met de Jouster Merke was het ontzettend druk; dan waren er soms wel honderd rijtuigen. Piet Mandemaker heeft ongeveer twaalf jaar, met een tussentijdse onderbreking van twee jaar, bij Schutter gewerkt. Woorden van Mandemaker: “Al wat der barde, want it gong betiden rûch, Schutter bleau de baas yn syn eigen hûs.” Het echtpaar Schutter had twee dochters, Klaasje en Coba. Hun beide mannen, Date Snijder en Tjeerd de Jong, zetten later de zaak voort. Bij de herberg hoorde ook een groot stuk land. Schutter begon met twaalf koeien. Zijn beide schoonzoons hadden er later zo’n veertig, omdat zij meer land konden bijkopen. Tot 1965 zetten Tjeerd de Jong en zijn vrouw Coba de zaak voort. In die jaren was de klandizie sterk teruggelopen. Tijdens de oorlog hadden de Duitsers de draaibrug bij Spannenburg opgeblazen, wat met zoveel geweld gepaard ging dat door de klap alle ruiten in ‘Huize Spannenburg’ sprongen. Daarmee ging een uniek stuk historie verloren, want in de ruiten waren alle namen van de bewoners van de woning gegrift. Ook een gat in de zolder herinnert nog aan de Duitse bezetting: een Duitse soldaat schoot zijn geweer leeg door het plafond in de gelagkamer. Na de oorlog werd een nieuwe brug gebouwd. Daardoor was de herberg moeilijk te bereiken. In 1954 kwam het pand in het bezit van baron Van Holten tot Echten, die gehuwd was met een afstammelinge van de familie Feltz. De State werd toen bewoond door Tjeerd de Jong. Tussen 1972 en 1973 is Seviardus Johannes Galama nog eigenaar geweest. Johannes Visser In 1973 kocht Johannes Visser, samen met zijn maat Ynze Leenstra uit Teroele, de oude stins. “It wie in útwenne pand,” vertelde Johannes in 1984 in een interview. “En it moast taksearre wurde. Ik wie der daalik wei fan. Ûnder de kofje ha’k it kocht. Myn frou seach it letter pas, mar dy wie der fuortendaliks fereale op.” Voor 2 ton (guldens) werd het pand onder Monumentenzorg gerestaureerd en in zijn oude glorie hersteld. Het vakmanschap en de liefde voor monumenten van Johannes Visser hebben de Douma State laten worden zoals het er heden voorstaat. De schoorstenen kregen nieuwe borden, de pleisterlaag op de state werd vervangen en de ramen werden weer schuifbaar gemaakt. “Hwat bin ik in gelokkich man; it is myn earste en twadde hûs tagelyk.” Bij de verbouwings werkzaamheden ontdekte Johannes nog een stuk fundering naast het huis. Kennelijk heeft Laas Tjebbes Spannenburg na de verhuizing vanuit Langweer de bedoeling gehad er nog een stuk bij aan te bouwen. In alle kamers van het pand zijn de oude kleuren rood en groen terug te vinden. Op aanwijzing van Piet Mandemaker zijn nog enkele zaken aangepast, zoals een bedstee die altijd in de gelagkamer is geweest, maar tijdens de periode dat Schutter herbergier was, eruit verwijderd werd om meer ruimte te scheppen. De bedstee bij de woonkeuken is in de tijd van baron Van Harinxma Thoe Slooten altijd beslapen door de huishoudster. Nu wordt deze bedstee gebruikt als opslagruimte. Men bereikt de woonkeuken vanuit de gang via een trap naar beneden. Ook is de oude wijnkelder bewaard gebleven. In de periode Langweer moet hier een nooduitgang in hebben gezeten, via waar men onder de ophaalbrug over de gracht terechtkwam. Deze nooduitgang werd later dichtgemaakt. In de woonkeuken liggen prachtige oude zandstenen plavuizen van 55 bij 55 centimeter, die volgens kenners vijf eeuwen oud moeten zijn. Uit de periode van baron Van Harinxma Thoe Slooten dateert nog een zogenaamde geweerkast van bijna twee meter hoog en een decimeter breed bovenaan de trap bij de woonkeuken, waar destijds de geweren werden bewaard. In de woning zijn nog talloze karakteristieke plekjes. De drempel van de gelagkamer is finaal uitgesleten door de vele klompen die er jarenlang overheen zijn gegaan. Ook een gedeelte van de houten vloer achter de tapkast is uitgesleten over een oppervlakte van een meter bij dertig centimeter (lengte van de voet), door het heen en weer schuifelen van de herbergier. In het huis is slechts één slaapkamer. Dit kamertje werd in de tijd van de dames Schurer en de familie Schutter gebruikt voor toneelploegen die zich moesten verkleden voordat zij op het podium van de aangrenzende dorpszaal konden verschijnen. Deze ruimte wordt nu niet meer als zodanig gebruikt. Op het erf, waar alleen een eeuwenoude put aan de geschiedenis van de Douma’s herinnert, zijn grote overdekte opslagruimtes voor hout en machines geplaatst. Verder is er een modern zwembad, dat op ingenieuze wijze wordt verwarmd. De houtspaanders uit het aannemingsbedrijf worden door een tientallen meterslange buis vervoerd en komen, evenals het andere afvalhout, terecht in een grote brandende haard, die ooit in het Parochiehuis in Sint Nyk heeft gestaan. Via andere buizen wordt het water van het zwembad verwarmd. In de hoek van het moderne overdekte zwembad aanschouwt een heiligenbeeld, met een badmuts over de oren getrokken, de verrichtingen van de zwemmende Tjerkgaasters. Geen baron of grietman die dat ooit had durven dromen. In ieder geval blijft Douma State, zoals dat pand er nu bij staat, zo onderaan de brug bij Spannenburg, een waardevol, fraai en groot huis. Wij hebben de uitgesleten drempel gezien en ook de oude plavuizen in de eetkelder. De gelagkamer is nog vrijwel intact.

Een Jouster herberg oude stijl Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen. De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten. Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf. In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina. In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.  Een Jouster herberg oude stijl  (Het complete artikel) ‘De Ster’ en de stichter. Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven. Timmerman en tapper In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename. Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden. Jouster-Merk Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven. De stamhouder Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure. De laatste loodjes We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest. De teloorgang van herberg ‘ De Ster’  In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren. Van Franeker naar Joure Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd. Een bijzondere meevaller Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden. De Kramer vergadering Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.

De gevechten van Scharsterbrug in april 1945 In april 1945 bevond Jogchem Rypkema zich als onderduiker op de boerderij van zijn ouders aan de westkant van Scharsterbrug, samen met vier andere onderduikers. In zijn dagboekaantekeningen beschrijft hij de laatste, chaotische oorlogsweek in het dorp. Vanaf 8 april werd duidelijk dat de geallieerden snel naderden. De spanning liep op toen de Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) werden opgeroepen om Duitse verbindingen te verstoren. In de nacht van 9 op 10 april probeerde de N.B.S. de brug onklaar te maken. Daarbij werd een Duitse wachtpost neergeschoten, maar de actie mislukte toen Duits luchtafweergeschut het vuur opende op de brugwachterswoning, met tragische gevolgen. Zoals in het document staat: ‘De overval was mislukt’.  De Duitse bruggenwacht werd nerveus en schoot zelfs op een eigen voertuig dat te laat op hun “halt”-roep reageerde.  Op 12 april trok een uitgeputte Duitse colonne door het dorp, een schril contrast met hun intocht in 1940. De dagen erna groeide de verwachting dat de bevrijding nabij was. Op15 april bliezen de Duitsers de brug op, wat grote schade aanrichtte aan de boerderij van Rypkema: ‘Alle ramen, op drie na, waren er uit… honderden dakpannen waren eraf ‘. De familie trok deels weg; Jogchem, zijn vader en de onderduikers bleven om het vee te verzorgen. Op 16 april barstten de gevechten los. Artillerievuur sloeg vlakbij in, Duitsers trokken zich terug, en uiteindelijk stormden Franssprekende Canadese soldaten van het Regiment de la Chaudière de boerderij binnen. Café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp brandden volledig af. Rondom de boerderij lagen gesneuvelde Duitsers; in totaal vielen er 11 Duitse doden en één Canadese. Op 17 april werd het gebied volledig veiliggesteld. De chaos was enorm, maar de bevrijding was een feit. De gebeurtenissen maakten diepe indruk op Rypkema en zouden hem zijn leven lang bijblijven. De gevechten van Scharsterbrug in april 1945 (Het complete artikel) Bij de bevrijding van Scharsterbrug was ik (Jogchem Rypkema, red.) ondergedoken op de ouderlijke boerderij van Sake Rypkema, de eerste boerderij over de Scharsterrijn, rechts, van de Jouster kant af gezien. Naast mijzelf waren er toen nog vier onderduikers van elders: Ton, Nico, Toon en Jan. Van de gebeurtenissen heb ik dagboekaantekeningen gehouden, waaraan het volgende is ontleend. Zondag 8 april 1945 Via Radio Oranje hoorde ik, dat de geallieerden naar het noorden waren opgerukt tot Balkbrug bij Meppel. Op die dag werden   tevens de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) opgeroepen om de achterwaartse verbindingen van de Duitsers te verstoren Het begon spannend te worden.  Maandags 9 april 's Avonds, nadat we naar bed waren gegaan, werden we 's nachts wakker door geweervuur dat uit de richting van de brug kwam. In een mum van tijd waren mijn ‘slapie’ Ton en ik uit bed en achter een raam gaan liggen dat uitzicht bood op de brug. We konden echter niets bijzonders zien en het schieten was opgehouden zodat we weer naar bed gingen. Kort daarop hoorden we weer schieten, maar nu met zwaarder geschut: alles dreunde. Ook nu zagen we niets en werd het weer rustig. Dinsdag 10 april 's Morgens vroeg zagen we, dat de brugwachterswoning zwaar was beschadigd en hoorden we dat de vrouw van brugwachter de Bruin bij de beschieting dodelijk was getroffen en dat de tweede brugwachter Bleeker ernstig en zijn vrouw licht gewond waren. Laatstgenoemden zijn toen met onze wagen op luchtbanden door Rinke de Jong naar het ziekenhuis in Heerenveen vervoerd. Op de weg terug, nabij Oudehaske, kwam hij nog in een razzia van de Grüne Polizei op onderduikers terecht, waarbij, zo vertelde De Jong, hem de kogels om de oren vlogen. Hij kwam echter heelhuids thuis. In de afgelopen nacht had de N.B.S. een aanval op de brug gedaan met de bedoeling deze onklaar te maken. Deze brug werd bewaakt door leden van de Volkssturm (oudere Duitse militairen), die gelegerd waren in café Vos. Eén van hen, die op de brug wachthield, werd door de N.B.S. neergeschoten en voor dood achter gelaten. De gealarmeerde andere leden van de Duitse bewaking zijn vervolgens door de N.B.S. ontwapend en krijgsgevangen gemaakt. Opnieuw bij de brug gekomen, bleek de neergeschoten Duitser te zijn verdwenen: deze had nog kans gezien een bij Hielkema gelegen boot te bereiken, die ook een Duitse bewaking had en over luchtafweer bleek te beschikken. Dit geschut is toen vervolgens op de daar tegenovergelegen brugwachterswoning gericht met de genoemde tragische gevolgen. Met medeneming van de in beslag genomen wapens heeft de N.B.S. de reeds gevangengenomen Duitsers moeten achterlaten en de aftocht geblazen. De overval was mislukt. De Duitse bruggenwacht bleek ’s avonds café Vos te hebben verlaten en hun intrek te hebben genomen in de woning van Frans de Boer, die aan de overkant direct aan de Scharsterrijn was gelegen. Dit mocht echter uit niets blijken en om die reden moest de fam. De Boer ook in hun woning blijven. De Duitse bruggenwacht was behoorlijk zenuwachtig geworden. Toen in de schemering een auto van de St Nykster kant kwam aanrijden werd reeds op 100 meter afstand van de brug met verschillende stemmen “halt” geroepen. Nadat de auto was gestopt, mocht deze weer doorrijden. Toen ik 's avonds laat nog een luchtje wilde scheppen, naderde van dezelfde kant weer een auto. Ik was benieuwd of er weer een “haltbrullerij” zou volgen. Toen die auto niet vlug genoeg stopte, nadat “halt” was geroepen, werd het vuur geopend dat uit de auto werd beantwoord. Het bleek een Duitse auto te zijn en er volgde een grote scheldpartij omdat de Duitsers dus elkaar hadden beschoten.  Donderdag 12 april Deze dag werden we geconfronteerd met een Duitse terugtocht die in fel contrast stond met hun intocht op 10 mei 1940. Lange colonnes liepen langs in de richting St Nyk, ongeordend, sommigen strompelend of hinkend, velen geheel of gedeeltelijk in burgerkleren met daar tussendoor op boerenwagens gezeten Duitsers, die het lopen niet meer aankonden. Het geheel maakte een aller miserabelste indruk. Heit achtte het raadzaam de paarden helemaal achter in ons land te brengen en de wagen op luchtbanden uit elkaar te nemen. De daaropvolgende dag gaf hetzelfde beeld. Zaterdag 14 april 's Morgens kwam de commandant van de bruggenwacht bij ons een paard en wagen opeisen om militairen naar Lemmer te brengen. Dankzij de genomen voorzorgsmaatregelen kon deze eis afgewimpeld worden. Ook bij onze buren Joh. Bonekamp en Jogchem Hettinga lukte dit niet: geen paarden en wagens beschikbaar. Klaas Leenstra en Severinus Asma waren wel de pineut. Het gerucht ging, dat onze bevrijders reeds voor Heerenveen stonden: wanneer alles wat meeliep, zouden we misschien over een paar uren reeds bevrijd kunnen zijn. De telefoon was een doorlopende informatiebron; deze bleef functioneren, ook met plaatsen die reeds bevrijd waren. Toen Ton en ik op het erf rond de boerderij liepen, merkten we een paar Duitsers op bij onze molen. We besloten er heen te lopen en een praatje met hen te maken. Het bleken Duitsers te zijn met de opdracht naar de verwachte Engelsen uit te zien. Ze zaten om de beurt boven in de molen, van waaruit op de weg naar Sneek en Scharsterbrug kon worden uitgezien. Elke auto die op de nieuwe weg reed werd voor een ‘pantzerspähwagen’ aangezien, iets wat ons belachelijk voorkwam omdat we er gewoonweg niet in konden geloven. Ze vertelden ons, dat ze de ‘Tommies’ binnen de twee uur verwachtten en dat ze zodra ze die zagen, de benen zouden nemen. Wanneer we overalls voor hen hadden, dan gebruikten ze die liever; wij konden hun geweren dan wel krijgen.  Tegen een uur of vier 's middags waren ze verdwenen.  Zondag 15 april In de vroege morgen bleken er veel Duitsers in het dorp te zijn die zich langs de weg en de trambaan ingroeven. Ook op het erf van onze boerderij en daarbinnen wemelde het van de militairen. Een vriend van me, die aan de overkant van het kanaal woonde en hier even kwam kijken, vertelde dat ze bezig waren de brug te ondermijnen. Terwijl we stonden te praten, hoorden we een zware ontploffing: een grote rookwolk boven de nieuwe weg maakte duidelijk, dat de brug in die weg was opgeblazen. Mijn vriend maakte dat hij wegkwam, voordat hem de mogelijkheid om terug te gaan zou zijn ontnomen. Even later kwam een klein autootje de oprit naar onze boerderij oprijden. De wagen bleek afgeladen te zijn met allerlei spullen, maar ook met kazen en flessen wijn. De chauffeur, een ‘Hauptmann’, stelde zich voor en zei, dat hij een kamer van ons moest gebruiken. Na een rondgang door de woning viel zijn keus op de voorkamer. Hier moest direct de kachel aangemaakt worden en dan zou hij na een uurtje terugkomen. De kachel werd aangezet maar bleek tot saboteren geneigd: grote rookwolken vanwege een niet trekkende natte schoorsteen maakten het verblijf in die kamer onmogelijk. Na alle ramen tegen elkaar opengezet te hebben, trok de rook wat weg. Toen de Hauptmann weer arriveerde constateerde hij met een nors gezicht: “viel zu kalt”, waarna hij zonder iets te zeggen rechtsomkeert maakte en zijn intrek nam bij meester De Vries, recht tegenover ons. Omdat onze boerderij, de eerste aan deze kant van de Scharsterrijn, erg gevaarlijk lag, was inmiddels besloten dat Mem en mijn zusjes en broertjes verderop naar Severinus Asma zouden gaan. Ze namen zoveel mogelijk kleren en spullen van waarde mee. De moffen op onze boerderij waren begonnen dekkingsgaten in de boomwal rond de boerderij te graven. Eén van hen, waarmee we een praatje maakten vertelde ons dat de brug na een kwartier zou worden opgeblazen. We wilden toen direct alle ramen en deuren openzetten, maar de mof lachte en zei, dat dit niet nodig was. Slechts in een omtrek van zo'n 100 meter van de brug zou er gevaar voor de ramen bestaan. We stonden met hem naar de voorbereidingen te kijken tot hij zei “Jetzt” en begon af te tellen. Ik ging in huis, maar Ton en Nico bleven buiten. Plotseling hoorden we een doffe zware dreun met direct daarop het geluid van rinkelend glas. Ton, Nico en de mof sprongen vlug achter een muur want de brug was in honderden stukken uiteengeslagen die door de lucht gierden. Een aantal zware stukken sloegen bij ons door het dak. Alle ramen, op drie na, waren eruit, een dakvenster lag op de grond en honderden dakpannen waren eraf. Het was een grote ravage en ik vond dat het er al aardig oorlogsachtig uit begon te zien. De mof zei nog, dat hij dit niet had voorzien en dat het een bijzonder zware lading moest zijn geweest. De mensen die bij ons in de buurt woonden en nog niet waren vertrokken, gingen nu ook verderop. Dit gold ook voor onze arbeider Rinke de Jong en zijn gezin. Ik haalde nog vlug onze radio uit de schuilplaats en bracht die ook bij Asma. Heit, de vier onderduikers en ik zouden op de boerderij blijven om het vee, 24 stuks, te verzorgen. We hadden ondertussen van alles in de kelder gesleept: bedden, een bus met melk, primus, petroleum en alle etenswaren die we konden vinden. We begonnen ons wat in te richten en Ton trok van leer met het bakken van een spiegeleitje. Het zal 's middags rond een uur of één zijn geweest, dat we het eerste schieten hoorden. Doordat er met lichtspoormunitie werd geschoten, konden we de kogelbanen volgen. De oostkant van onze boerderij was gevaarlijk terrein geworden. Het schieten werd behoorlijk hevig, duurde een tijd lang, waarna het luwde en van tijd tot tijd opnieuw begon. Ons huis zat vol met Duitsers: een gedeelte zat in onze woonkamer, een gedeelte was in de keuken bezig met het koken voor de manschappen, anderen zaten in de stal te eten of lagen er te slapen, terwijl de rest in de gevechtsstellingen lag. Tegen melkenstijd gingen we met zijn allen naar de stal: Heit en ik om te melken, de vier onderduikers verzorgden het vee, drinkwater en voer. Onder het melken kwam een Duitser met het bericht, dat hij aan de overkant van de Scharsterrijn drie ‘Pantzerspähwagen’ had gezien doch dat deze zich inmiddels hadden teruggetrokken. Een andere Duitser vroeg ik, wat we hadden te verwachten. “Ein oder zwei Nächte im Keller und ihr seit frei” was het antwoord. Er viel met hen heus wel te praten. We waren juist klaar met melken toen een kletsnatte Feldwebel de stal binnenkwam. Volgens zijn verhaal was hij aan de overkant van de Scharsterrijn door de ‘Feind’ verrast. Hij had een uur lang in een sloot gelegen en was daarna ter hoogte van onze molen het kanaal over gezwommen. De molen had diverse treffers gekregen en was ernstig beschadigd. Daarna was hij weer door sloten wadend bij de boerderij terecht gekomen. Hij was totaal verkleumd en vroeg o. m. om droge kleren. We hebben hem toen naar de aan de overkant wonende Wiersma (N.S.B.-er) verwezen met de mededeling dat hij daar zeker wel zou slagen. Wij gingen eerst naar de kelder om te eten en daarna naar boven in de woonkamer, waar de moffen chocolademelk hadden gemaakt waarvan we ook ons deel kregen. Daar voegde onze Feldwebel zich weer bij ons en vertelde, dat hij op het door ons aangewezen adres uitstekend was geslaagd. Hij bleek een echte fanatiekeling te zijn. Hij was woedend over het feit, dat hij aan de overkant van de Scharsterrijn had gezien, dat ook burgers aan de gevechten deelnamen (N.B.S.’ers?). Hij noemde hen verraders en had opdracht gegeven op iedere burger te schieten. Hij ging verder met: ik weet wel dat jullie erop gespitst zijn, dat de Engelsen komen; jullie denken dat Duitsland de oorlog verloren heeft maar zover is het nog niet en komt het ook niet. Toen ik daarop vroeg: waarom niet, het begint er toch aardig op te lijken, antwoordde hij: “Weil der Führer. uns den Sieg versprochen hat”. Ik zei daarop, dat de Führer ook maar bij machte moest zijn om zijn belofte gestand te doen; Kriegsmarine die op zee thuishoort en ook jij van de Luftwaffe vecht als infanterie; waar zijn de Duitse schepen en waar zijn de Duitse vliegtuigen? Daarop zei hij, dat ze op het ogenblik gebrek aan benzine hadden, maar dat ze binnenkort over vliegtuigen zouden beschikken die geen benzine nodig hadden omdat ze op het raketsysteem gebaseerd zouden zijn. Bovendien was de luchtterreur boven Duitsland binnenkort ook afgelopen: er werd de laatste hand gelegd aan een nieuw geheim wapen, waarmee, door het overhalen van een hendel, de gehele lucht boven een stad van vliegtuigen zou zijn gezuiverd. Maar, vervolgde hij, stel dat Duitsland de oorlog verliest; ik hoop dan in even goede doen te zijn als vóór de oorlog en voorts in de gelegenheid jullie hier nog eens op te zoeken. We zullen dan één en ander nog eens bespreken en ik ben er heilig van overtuigd dat jullie het dan met me eens zullen zijn dat het, ook wat jullie zelf betreft, beter ware geweest, dat de Duitsers hier waren gebleven. Het schieten was inmiddels opgehouden. We gingen naar de kelder om te gaan slapen. We deden ons eerst nog te goed aan wat blikjes met gesuikerde condens melk die de Duitsers in onze keuken hadden achtergelaten. Heit besloot om van de gevechtspauze te profiteren en ging naar Asma waar de rest van de familie verbleef. We zouden juist gaan slapen, toen een Duitser naar beneden kwam om spek te vragen. We hadden een zijde spek in de kelder die goed weggeborgen was. Ons antwoord was dat we geen spek hadden. De Duitser wilde dit niet geloven; hij werd kwaad en zei, dat hij dan zelf wel zou zoeken. Dit werd door een Feldwebel verboden. Die kwam toen zelf naar beneden en zei dat ze slechts een paar sneetjes spek nodig hadden voor het bakken van een ei. Om van alles af te zijn, hebben we hem toen een paar sneetjes gegeven van een klein stukje spek, dat we in de broodtrommel hadden. Een uurtje later werden we wakker gemaakt door een mof die naar “Essig” vroeg. Op onze manier begrepen we niet wat hij bedoelde ondanks zijn uitgebreide pogingen om ons dit te verduidelijken, onverrichter zake ging bij tenslotte weer naar boven.  Maandag 16 april 's Morgens werden we om een uur of 7 door Heit gewekt. Hij was van Asma vandaan dwars door het weiland gegaan om te melken maar werd door Duitsers tegengehouden die hem eerst niet door wilden laten gaan en dit pas toestonden toen ze begrepen wat bij wilde. Na het melken werd er eerst maar sporadisch geschoten, het had niet veel te betekenen. Het zal rond 10 uur 's morgens zijn geweest dat het schieten heviger werd en in een echt spervuur uitmondde. Heit, Nico en Jan waren in de kelder, Ton en ik waren in de woonkamer waar een Duitser piano speelde toen we een granaat hoorden fluiten die in de buurt van de kerk ontplofte. Hoewel de Duitser door bleef spelen werd dit ons te link en gingen we eveneens in de kelder. Het artillerievuur ging door: het gefluit van de granaten en de inslag daarvan volgden heel kort na elkaar en de tussentijd werd steeds korter. Bovendien waren de inslagen zo te horen heel dichtbij en we zaten in grote spanning te wachten op het moment, dat de boerderij zou worden getroffen. Plotseling werd het artillerievuur verlegd: de pauzes tussen het fluiten en de inslagen werden groter en na enige tijd durfden we weer naar de woonkamer te gaan (later konden we zien, dat we helemaal in de vuurlinie hadden gelegen: aan de westkant van de wat hoger gelegen oprit van de weg naar onze boerderij waren diverse granaattrechters precies in de lijn van onze voorkamer en de dichtstbijzijnde was maar een 20 meter daar vandaan). Het geweer- en mitrailleurvuur ging ondertussen onverminderd door, slechts door kortstondige pauzes onderbroken. Waarschijnlijk hadden onze bevrijders inmiddels bezitgenomen van het Hollandiacomplex, waar onze boerderij recht tegenover staat. Het was bloedlink aan de oostkant van de boerderij te zijn. In de namiddag besloten we vroeg met melken te beginnen. Heit en ik molken en onze onderduikers maakten de drinkgoten schoon en vulden deze met emmers water uit de pomp, omdat de waterleiding was uitgevallen. We zaten nog te melken toen plotseling een stel moffen de dwarsstal kwamen binnen rennen met de kreet: “Alles abhauwen”. Ze renden naar het voorhuis en samen met de daar nog aanwezige Duitsers door naar onze buurman Johannes Bonekamp. We vingen op, dat er een rookgordijn boven de Scharsterrijn hing en dat ze nu een oversteek van onze bevrijders verwachtten. Terwijl er buiten een hels geweer- en mitrailleurvuur gaande was, bleven wij in afwachting van de komende dingen alléén, (d.w.z. zonder moffen) in de stal achter. We prikten een witte doek aan een hooivork om daarmee te attenderen op onze aanwezigheid, wanneer de bevrijders zouden arriveren. Het duurde toch nog wel een klein halfuur toen een stel soldaten met zwartgemaakte en bezwete gezichten de dwarsstal schietend binnenstormden. De eersten renden meteen door naar het voorhuis, waar ze met een stengun een roffel in de kelder afvuurden (waarmee praktisch alle weckflessen van Mem sneuvelden) en vervolgens door naar buurman Bonekamp. De daaropvolgende soldaten deden het wat rustiger hetgeen ons de gelegenheid gaf hun te vragen of ze melk wilden drinken (dit met het oog op hun bezwete uiterlijk). We kregen echter geen respons: ze verstonden kennelijk ons Engels niet. Toen zag ik op hun schouderbandjes staan ‘Regiment Chaudière’ en begreep ik dat we met Frans sprekenden te doen hadden (het bleken Franssprekende Canadezen te zijn). Moeilijk overschakelend op Frans, waar we helemaal niet op waren voorbereid bleek dat ze graag melk wilden drinken nadat we er eerst zelf van gedronken hadden. Heit stond erop, dat we eerst het werk in de stal afwerkten, voordat we naar buiten gingen   Buiten gekomen, zagen we tot onze grote schrik, dat de boerderij van Hendrik Bonekamp en café Vos in brand stonden. In de schemering wierpen de hoog oplaaiende vlammen flakkerende schaduwen op onze boerderij en dit tezamen met het angstig geloei van het vee in de boerderij van Bonekamp, gaf een bijzonder onheilspellende en spookachtige sfeer. Opeens zagen we een hele vonkenregen op onze boerderij neerkomen; we schrokken ons dood, omdat we ons realiseerden, dat dit door de ontbrekende en kapotte dakpannen ook gemakkelijk brand bij ons kon veroorzaken. We hebben toen in allerijl alle aanwezige ladders bij de schuur opgezet en zoveel mogelijk emmers water klaargezet om onmiddellijk te kunnen ingrijpen, wanneer er ergens begin van brand zou ontstaan. Het ging gelukkig goed en toen het grootste gevaar geweken was, waagden we ons in de richting van de brug waar de Canadezen inmiddels druk bezig waren met het maken van een noodbrug. Het huis van Sake Speerstra tussen café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp bleef behouden, doordat onze onderduiker Ton reeds brandende gordijnen, aan de voorkant boven, door de gebroken ruiten naar binnen trok en doofde en een stuk van de houten dak omlijsting, dat ook vlam had gevat, kon afbreken. Voor het huis van kapper Berkenpas (het latere huis van Hein Kemme) stond een stuk afweergeschut richting brug met daarachter een dood achterover hangende Duitse soldaat. Bij meester De Vries, in de dakkapel vóór, vonden we onze fanatieke Feldwebel terug, die dus niet meer terug zou kunnen komen, zoals hij graag wilde. Hij lag doodgebloed achter een machinepistool, zonder dat we resterende munitie konden vinden.  Dinsdag 17 april 's Morgens tijdens het melken vonden we een Duitser die zich in de dwarsstal tegen de buitenmuur, vóór de koeien, had verscholen en later op het erf nog een tweede in een kuil met bieten die zich met stro had afgedekt. Beiden zijn door ons aan de Canadezen overgedragen. Eén koe bleek door een kogel in zijn achterpoot te zijn gewond, een verwonding die later niet ernstig bleek te zijn. Binnen en buiten de boerderij was het een gigantische chaos. Rondom lagen gesneuvelde Duitsers. Voor onze keuken lag er één die in mijn bijzijn door een Canadees handig van zijn polshorloge werd ontdaan; een vulpen die hij vond, bood hij mij aan. Ik heb die niet aangenomen, ik vond het lijkenschennis, doch vechtend in een oorlog op leven en dood ga je dit soort zaken kennelijk anders zien. Wel heb ik zijn portefeuille in bewaring genomen met o.m. geadresseerde kaarten voorzien van het opschrift ‘Fröhliche Ostern’ waarvoor hij kennelijk geen gelegenheid had gehad deze te posten. Volgens het zakboekje was het een 17-jarige jongen uit Bremen. Het geheel heb ik later toegezonden aan het Rode Kruis. Het erf lag bezaaid met geweren, handgranaten, munitie, een paar pantservuisten, uitrustingsstukken zoals helmen en gasmaskers, uit de Hollandiafabriek afkomstige kazen, blikjes gesuikerde condensmelk, kapotgeschoten dakpannen, enz. 's Middags werden de lijken van de gesneuvelde Duitsers verzameld door N.S. B.-ers onder toezicht van veldwachter Wagenaar. Men gebruikte ons melkbuskarretje om de gesneuvelden naar de weg te brengen waar een grotere wagen stond waarop ze werden overgeladen. De N.S.B.-ers die het melkkarretje moesten trekken, werden opgejaagd met “opschieten, opschieten” door politieagent Wagenaar, die een getrokken pistool in de hand hield. Onze oprit naar de boerderij werd gekruist door draden van het toen nog bovengrondse elektriciteitsnet, waarvan de palen omvergeschoten waren. Door onoplettendheid van onze agent, struikelde hij over die draden en viel hij voorover waarbij zijn pistool afging. Het was een geluk dat geen van de vele omstanders werd geraakt. Samenvattend zijn de gevolgen van de gevechten aan de westkant van de Scharsterrijn als volgt geweest: 1 gesneuvelde Canadees (in de sloot naast het kappershuis); 11 gesneuvelde Duitsers, waarvan het merendeel rond onze boerderij; 2 Duitse gevangenen; 2 afgebrande woningen, café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp. Het echtpaar Bonekamp heeft de brand in hun kelder heelhuids overleefd, doch het op stal staande vee is omgekomen. Al met al zijn het dagen geweest die een dermate grote indruk hebben achtergelaten dat deze niet licht worden vergeten.   (Red. Jogchem Sakes Rypkema heeft verschillende functies gehad op ministeries, als laatste inspecteur bij de Rekenkamer. Hij woonde met z’n vrouw toen in Delft. Na z’n pensionering kwam hij terug naar Joure. In 2000 overleed hij.)