Uitgelichte vensters:

Joure rond De Merk De omgeving van de huidige Merk, oftewel de vroegere Enkele Regel, het meest oostelijke deel van de Midstraat, heeft in de afgelopen jaren een complete metamorfose ondergaan. De huidige situatie weer zoals die na diverse reconstructies is ontstaan: een pleinafsluitende gevelpartij die langs de noordzijde van de Merk doorloopt tot om de hoek van de Elias Annes Borgerstraat. Hoe de situatie aan die zijde is veranderd, laten de diverse foto's zien. Van west naar oost gaande, stond naast de Aldi‑winkel het voormalige hotel, café en restaurant van Piet Reekers. Aan het begin van de twintigste eeuw stond het gebouw op een fraaie gekleurde ansichtkaart afgebeeld als: Hotel, Stationskoffiehuis en Stalhouderij S.D.Molenaar.  Sjoerd Dirks Molenaar had het etablissement in 1893 overgenomen van Pieter Hielkes Hielkema. De bijbehorende doorreed werd volgens de gevelsteen in 1897 gebouwd. De steen werd gelegd door (zoon?) D.S.Molenaar op 1 mei van dat jaar. Zoals op de foto is te zien, was aan de oostzijde een balkon aangebouwd voorzien van een fraai hekwerk. Zo rond de vijftiger jaren werd dit balkon tot serre omgebouwd. Wie de personen zijn die op de foto staan, is niet bekend. Voordat in Joure de tram zijn intrede deed, in 1882 de lijn naar Heerenveen, in 1886 de lijn naar Sneek en in 1901 de lijn naar Lemmer, was de grootste bron van inkomsten niet het horeca gedeelte maar de stalhouderij met omnibussen. Er waren dienstregelingen naar diverse plaatsen in de provincie. Door de komst van de tram liep de omvang van de paardentractie sterk terug waarom Moolenaar dan ook besloot om de stalhouderij gedeeltelijk af te schaffen. In 1906 verkocht hij zijn zaak aan Djurre Feitsma. In de doorreed kwam later een garage van Huisman en van der Werf (de voorgangers van Fa. Bakker en de Boer die later in de huidige Aldi een rijwielherstellerij en Ford autogarage hadden) De daaropvolgende eigenaren waren respectievelijk: Johannes Dirk Bijkersma, Fokke Minnesma, zoon Meine Minnesma. De laatste (daadwerkelijke) uitbater was Piet Reekers. Vele Jousters en oud‑Jousters zullen goede herinneringen hebben aan het bekende etablissement. Vooral op Jouster Merke Tongersdei was het binnen altijd mudvol. Er kwamen dan stempels in de benedenzaal te staan om de vloer van de bovenzaal te stutten om het gewicht van de feestvierende mensenmassa veilig te kunnen dragen. Dansleraar Piet de Boer heeft er ook nog jarenlang samen met zijn echtgenote aan oud en jong dansles gegeven in de bovenzaal. Het einde van het horecabedrijf was verre van fraai te noemen. Reekers had geen opvolger voor de zaak terwijl er fors geïnvesteerd moest worden. Hij verkocht daarop in 1993 het hotel aan Dutch Business Trading uit Utrecht. Zij zouden het pand grondig verbouwen en moderniseren om er een familiehotel van te maken. Het bleek echter dat D.T.B. bij een drugsaffaire en het witwassen van drugsgelden was betrokken waarop Justitie beslag legde op het pand. Uit veiligheidsoverwegingen en om de lieve jeugd buiten te houden, werden, in afwachting van de rechtszaak, de ramen en deuren dichtgespijkerd. Het gebouw werd zodoende ‘een schandvlek voor de Flecke’, zo schreven de kranten in 1994. In mei 1996 kon de graffiti spuitende jeugd van de Flecke zich een halve dag uitleven op de planken van de dichtgespijkerde ramen en deuren. Onder de bezielende leiding van Lipkje Ferwerda werd een wedstrijd gehouden wie de mooiste schildering wist te maken. Uiteindelijk is het hotel, nadat er verschillende keren brand was gesticht, in 1998 afgebroken.

Zondag 7oktober 2001 werd een leegstaand pand aan de Polderboskdyk  te Joure in de as qelegd  Niet veel later werden de geblakerde muren met de grond gelijk gemaakt. In de krant werd aan die gebeurtenis nauwelijks aandacht besteed. Toch ging voor veel Jousters, vooral ouderen, een herinneringspunt uit lang vervlogen tijden verloren. Daarom toch nog maar een terugblik. Nee, het was geen monumentaal bouwwerk, maar de bestemming sprak veel mensen toch wel aan. Voor de buitenwacht in ieder geval de tijdelijke bestemming van café. De 'gelegenheid' was overigens beter bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje', maar daarover later meer. Het gehele pand, het cafégedeelte met daarnaast een vrij kleine woonruimte en daar weer naast een grotere woning, was oorspronkelijk genummerd Westermeer A 1. Reeds in 1852 komt dat adres in de registers van de voormalige gemeente Haskerland voor. Bewoner was toen Foppe Gerbens Huitema, die in de boeken als boer staat genoteerd. De volgende bewoner was Tijmen Hendriks Loen. In de registers wordt hij soms aannemer genoemd en soms opzichter. Het lijkt aannemelijk dat het cafégedeelte een aanbouw is die op een wat later tijdstip is gerealiseerd. Dat zou dan wel eens het werk kunnen zijn geweest van de zojuist genoemde Tijmen Loen. In een 'register van aangiften ter bekoming van tijdelijke vrijdom en verhoging van grondbelasting' wordt zijn naam in verband gebracht met de stichting van een woning. De gevraagde vrijdom zou acht jaar moeten duren, te beginnen in 1859. Vast staat in ieder geval dat in 1862 zijn adres Westermeer A 1 was. Maar hoe dan ook, hij heeft het daar aan de Sewey met zijn gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen rijk was, bijna veertig jaar volgehouden. Daarna worden nog als bewoners genoemd de weduwe C. Nijdam en de agent J. Krot. Hun verblijf aan de Sewey was van betrekkelijk korte duur. De jaren van  het café De eerste bewoner die met de horeca in verband kan worden gebracht is Albert Alberda, afkomstig uit Haskerdijken. Hij kwam in 1908 naar Joure, woonde op het adres Westermeer A 1 en wordt in de boeken bierhuishouder genoemd. Zïjn kleinzoon en tevens hulp, Hielke Meijer woonde op hetzelfde adres, evenals later zijn knecht Jan Mulder. Albert Alberda begon met het café in de periode dat op Pinkstermaandag nog de Seweyster Merke werd gehouden. Merke was een groot woord voor de paar diskes die dan aan de Sewey stonden. Op dezelfde dag werd in Oudeschoot de jaarlijkse (paarden)markt gehouden, nu nog altijd bekend als Skoattermerk. Het verband tussen de beide markten ligt wel een beetje voor de hand. Na een bezoek aan de markt in Oudeschoot konden de marktgangers uit Joure en de Zuidwesthoek van Friesland op Seweyster Merke hun laatste centjes versnoepen. Of in het café natuurlijk. Misschien is dat voor Albert Alberda wel aanleiding geweest om het daar aan de Sewey maar eens te proberen met een café. Vetpot is het echter waarschijnlijk niet geweest. Om er toch wat van te maken hield hij kostgangers. Ruimte was er genoeg. Eén van die kostgangers was Marten de With, toen nog kopergietersknecht, maar later alom bekend als melktapper en trommelslager bïj de muziekvereniging ’Concordia’. Het was niet voldoende om het hoofd boven water te houden. In mei 1919 keerde de bierhuishouder Joure de rug toe.De namen van de meeste volgende bewoners zijn wel te achterhalen. Het is echter niet altijd duidelijk in welk gedeelte van het pand zij hebben gewoond. In de periode dat Albert Alberda het probeerde met een café, woonde in het pand ook de imker Jan Das met zijn knecht Jurjen van der Honing. Zij vertrokken in oktober 1921 naar een ander stekje in Westermeer. De volgende bewoner was Teije de Wrede. koopman en postbode. Hij ruilde in mei 1929 de Sewey met de Torenstraat, waar hij op 31 maart 1930 overleed. Wellicht kan hij in zijn Seweyster tijd toch ook wel met het café in verband worden gebracht. Hij kreeg daar namelijk hulp van zïjn schoonzuster Margje Bos, weduwe van de schipper Albert Brandsma. Zij werd ingeschreven als verlofhoudster. De weduwe van Teije de Wrede, Elisabeth Brandsma, vertrok in 1937 naar Nijmegen.Met de komst van Tewes Huizinga, afkomstig uit Uithuizen, kwam in april 1929 weer een echte caféhouder aan de Sewey. Lang bleef hij daar niet wonen en werken. Reeds in mei 1931 vertrok hij naar Wyckel . Mooie pleisterplaats De familie Pieter van der Zwaag hield het aan de Sewey wat langer vol, van mei 1931 tot eind november 1937. In die jaren was het café bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje'. Het was een favoriete pleisterplaats voor wandelaars die van een flinke kuiertocht hielden. Een mooie wandeling bijvoorbeeld was 'de Haulstersingel om’, zoals die destijds werd genoemd. Als men, begonnen in Joure, de Scheen achter zich had gelaten, liep men door achtereenvolgens de Haulstersingel, de Breedsingel en de Gravinnesingel. Dan was het nog maar een paar stappen naar ’Heerlijk Zitje'. Daar kon men dan onder het genot van een drankje mooi even de benen strekken.  Een nog wat langere wandeling was 'de Wildehornstersingel om'. Die begon dan op de Vegelinsweg waarna de smalle weg naast 'het kanaal' (nu de Meenscharweg) werd gevolgd tot aan de Wildehornstersingel. Daar kon men rustig wandelen, want de singel was in die tijd nog niet door wegen in mootjes gehakt. Na op de betonbrug over de Overspitting even van het uitzicht te hebben genoten, stond men bij wijze van spreken voor de deur van  'Heerlijk Zitje'. Echte liefhebbers konden links van de zojuist genoemde betonbrug nog even een kijkje nemen in het Polderbos. Na een paar honderd meter al stuitte men op de restanten van een afgebroken molen. Wie lef had en over de bouwval klauterde, kwam terecht in een ongerept stukje natuur. In de nazomer was het Polderbos vooral in trek bij bramenzoekers.Het was best gezellig, die bezoekjes van wandelaars, maar veel meer dan die gezelligheid hield de familie Van der Zwaag er niet aan over. Vandaar dat het café ook beschikbaar was voor het houden van vergaderingen of andere bijeenkomsten van kleine groepjes. Erg veel ruimte was er niet. zodat men al gauw van 'een volle zaal'  kon spreken. Cursus Esperanto In de herfst van 1934 werd in 'Heerlijk Zitje’ een cursus Esperanto gehouden. Cursusleider was Sjoerd de Vrij. Een telg uit een geslacht van meubelfabrikanten, maar wel uit wat ander hout gesneden. Het was de bedoeling dat hij onderwijzer zou worden. Een tijdlang bezocht hij de Hervormde Kweekschool 'Mariënburg' in I.eeuwarden. maar dat werd geen succes. Niet voor de klas dus, maar het bleek geen beletsel voor een mooie carrière elders.In onze jeugdjaren kenden wij elkaar goed. In onze opvattingen over mens en maatschappij scholen wel wat raakvlakken. Bijna vanzelfsprekend volgde ik dan ook de cursus Esperanto. Sjoerd de Vrij zal door het geven van die cursus in financieel opzicht niet rijk zijn geworden. Maar in een van de vrouwelijke cursisten, Titia Lanting, vond hij wel de vrouw met wie hij niet veel later zou trouwen. Eén van de cursisten ventileerde al spoedig zijn kennis van de wereldtaal op een niet alledaagse manier. In de zomer van 1935 was in Joure een wielerclub opgericht op initiatief van drie plaatselijke amateur-wielrenners: Tjitte Kootje, Sippe Halma en Sietse Hoekstra. De nieuwe club kreeg de aan het Esperanto ontleende naam Kurage Antauen (Moedig Voorwaarts). Eén van de drie oprichters: Sippe Halma. had de cursus in 'Heerlijk Zitje' gevolgd. Hij zal de naam dus wel hebben bedacht. Zo zijn we dan langs een omweg weer terecht gekomen bij het voormalige café aan de Sewey. Voormalig, want Pieter van der Zwaag zag tenslotte geen brood meer in het café. In mei 1937 sloot hij de deur achter zich. Het betekende meteen het einde van het café. Niemand durfde een nieuwe poging te wagen.Wat bleef was de woongelegenheid. Nogal wat gezinnen hebben gedurende kortere of langere tijd op het mooie hoekje aan de Sewey gewoond. Van 1937 tot 1951 woonde de familie Hotze de Kroon in de wat grotere woning rechts. Links daarvan woonde aanvankelijk A. Gietema. Latere bewoners waren Johannes Hanje (tot 1938) en Hielke Meïjer (tot 1941). In mei 1950 ruilde Jan Post zijn boerderij in Rohel voor het vroegere café en de woning daarnaast. In 1950 verhuisde de familie Post naar Joure. Tijdelijke bewoner was ook nog Jacob ten Hage. Het woonhuis rechts was van 1955 tot 1972 het domein van de familie Oostebring.Na hun vertrek hadden Jouke Woudstra en Huitje Sap, die in september 1959 al de woning naast het vroegere café hadden betrokken, het rijk alleen. Gewone Jousters, maar wel met een bijzonder levensverhaal Over deze beide mensen hopen we later wat meer te kunnen vertellen.     

Bakker Van der Brug in de Midstraat Nu iets fijns, nu iets nieuws! t.g.v. de officiële opening (dus alleen die dag) 250 gr. Goudse moppen en 10 fijne spritskoeken voor Fl.1,20…. Met deze aanbieding in de Jouster Courant opende Meinte van der Brug op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel in Joure aan de Midstraat. Alweer meer dan vijftig jaar geleden. De bakkerij en winkel zijn er nog. Nu zwaait de familie Hallema er de scepter. Meinte werd in 1919 in Oosterend geboren. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren. Om zelfstandig bakker te kunnen worden heb je diploma’s nodig. Dat kon gebeuren op de bakkersvakschool in Leeuwarden. Na verloop van tijd ging ook Meinte naar die school: twee jaar voor broodbakker en een jaar voor banketbakker. Nadat Meinte en Mina in het huwelijksbootje waren gestapt vestigde het jonge paar zich in een bakkerij in Nes (Dongeradeel). Dat was in 1945. Ze bleven er zes en een half jaar en kregen er twee kinderen. Ze zagen in dat ze daar op den duur geen goed bestaan konden opbouwen. Dat hadden ze goed gezien.  Vroeg opstaan maar de wet… Het was hard werken in de bakkerij en de winkel. Om half vijf ’s morgens uit de veren. Op zaterdag zelfs om twee uur in alle vroegte. Het was wettelijk bepaald dat je ’s morgens niet voor vijf uur mocht bakken en dat er voor tien uur geen vers brood verkocht mocht worden. Dit om nachtarbeid tegen te gaan. De politie controleerde dat. Van der Brug herinnert zich dat de politieman Van der Veen hem één keer heeft bekeurd omdat hij na een nogal laat geworden feestje alvast was begonnen in de bakkerij. Slapen lukte in die paar uurtjes toch niet. De napret van het feestje werd door de bekeuring wel enigszins bedorven. Dat wetsartikel bestaat al een aantal jaren niet meer. Voor dat het broodbakproces begon moest er nog heel wat gebeuren. Het deeg moest gemengd en gewogen worden, het rijzen in de rijskast duurde zo’n drie á vier uur, de oven moest aangezet worden. Daar werden kolen voor gebruikt en later gas. Meng-, afweegmachines en automatische rijskasten maakten het werk wat makkelijker. Na het broodbakken kon de bakker beginnen met het banket, de koek, het roggebrood en andere bakproducten. Het meel kwam uit een meelfabriek (vroeger een molen) in Uithuizermeden en later ook uit Heerenveen. Lange dagen waren het van ’s morgens heel vroeg tot laat in de middag. Dat betekende vroeg naar bed zodat het sociale leven er vaak bij in schoot. Dus weinig samenkomsten in verenigingsverband. Het contact tussen de Jousters bakkers beperkte zich tot een overleg over de vakantieregeling. De avonden van de Fryske Krite vormden daarom bijna de enige ontspanning voor het bakkersechtpaar.  Een bakkerij doe je niet alleen In het begin had Van der Brug enkele venters in dienst o.a. in St Nicolaasga. In Joure was het o.a. Van der Heide die er met de venterskar op uit trok. Zij werkten voor een vast loon met provisie van hun verkoop. Op die venterskarren stond eens als reclame: ‘Van der Brugs brood maakt sterk en groot’, maar dat verdween weer omdat de venters daar niet zo gecharmeerd van waren. Ook leverde hij wel bakkerswaren aan losse venters die op eigen risico ventten. Omdat er moeilijk venters te vinden waren was het in de zeventiger jaren afgelopen met het venten of ‘súteljen’. De klanten werd verzocht hun bakkersspullen zelf in de winkel op te komen halen. In de bakkerij had Van der Brug twee medebakkers, in de winkel een winkelmeisje en ook zijn vrouw hielp veel in de winkel. Zijn vrouw deed ook de boekhouding. Een paar verbouwingen maakten o.a. de winkel en de etalage groter en meer bij de tijd. De woonkamer aan de straat werd opgeofferd. Achter de winkel was leefruimte en boven nog een aantal kamers. De gevel verloor helaas aan de top z’n oorspronkelijk aanzien.   Tijd voor hobby’s? Tijd voor hobby’s had de bakker niet. Zijn enige hobby was bakken en vooral banket had zijn voorliefde. Veel plezier had hij aan het maken van bruidstaarten. De mooiste had een hoogte van vijf lagen. Speciaal zijn suikerbrood, oranjekoek en hazelnootpunten werden geroemd. Wat wij altijd bijzonder lekker vonden waren zijn sukadekoeken. In de Sinterklaastijd lag er op een grote tafel in de winkel allerlei sinterklaasgoed uitgestald. Zo omstreeks de Kerst maakte hij wel eens een miniatuur kerk van suikergoed voor de etalage. Een indrukwekkende hoeveelheid prijzen en diploma’s kan hij nog laten zien. Kwaliteit stond immer hoog in z’n vaandel. In 1979 dacht de familie Van der Brug lang genoeg gewerkt te hebben. De opkomst van de supermarkten had het er voor de kleine zelfstandigen niet gemakkelijker opgemaakt. Hun zaak draaide goed maar het was (soms te) hard werken voor wat je er in de portemonnee voor terug zag. Ze deden de zaak over aan hun zoon Jan, één van de vier kinderen die ze hadden. Die hield het na zo’n 14 jaar voor gezien. Nu bakt en woont er de familie Hallema. Het is van de vele vroegere bakkers nog de enige echte bakker in Joure die z’n brood zelf hier nog bakt. Hoewel bakker Breimer in Joure wel banket maakt, wordt z’n brood in Lemmer gebakken. Schilderen een jongensdroom Over de vraag of hij weer bakker zou zijn geworden als hij voor die keuze gesteld zou kunnen worden, moest Van der Brug even denken. Hij antwoordde even later glimlachend: “Ja, as dat kinne soe, mar dan wol mei deselde frou. Sij wie tige saaklik en ik wie foaral fakman. Dat wie in prima kombinaasje”. En daar had hij gelijk aan. In zijn vrij nieuwe woning aan de Kolkstraat spraken we over zijn bakkersverleden van meer dan vijftig jaar. Bij de koffie aten we oranjekoek!  “Ut deselde bakkerij as froeger”, zei Van der Brug er met pretogen bij. Nog steeds prima van smaak. Zijn hobby is nu tekenen en schilderen. Dat was te zien. Er hingen en stonden enkele niet onverdienstelijke voorbeelden van zijn kunnen in z’n woning. Zelfs volgt hij nog schilderles en dat is kras voor een 85-jarige. Eigenlijk een jongensdroom maar in het schilderen en tekenen was in zijn jeugd geen ‘droog brood’ te verdienen, vond zijn vader. Dus dan toch maar liever bakker. Hij woont nu alleen want zijn vrouw Mina van der Brug overleed in 1999. Samen hebben ze nog 20 jaar ‘stil’ in hun nieuwe huis kunnen wonen aan de Kolk…. Buiten in de ren liepen enkele gevederde vrienden van hem rond. ‘Och, in pear hintsjes der hew ik wol aerdichheid oan’, zei Meinte van der Brug. Meinte overleed in 2012.

Een Jouster herberg oude stijl                                      (samenvatting) Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen. De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten. Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf. In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina. In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.  Een Jouster herberg oude stijl  (Het complete verhaal) ‘De Ster’ en de stichter. Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven. Timmerman en tapper In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename. Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden. Jouster-Merk Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven. De stamhouder Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure. De laatste loodjes We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest. De teloorgang van herberg ‘ De Ster’  In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren. Van Franeker naar Joure Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd. Een bijzondere meevaller Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden. De Kramer vergadering Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

It Skipkefolk fan Sint Nyk Beschrijving van de geschiedenis van de schippers uit Sint Nicolaasga (Sint Nyk), een gemeenschap die vanaf 1834 sterk verbonden raakte met de binnenvaart. In dat jaar kreeg het dorp een bevaarbare verbinding met open water, wat leidde tot een bloeiende lokale scheepvaartsector. Rond 1850 telde Doniawerstal 42 schippers, samen goed voor 485 ton vrachtcapaciteit. Tussen 1840 en 1960 waren er in Sint Nyk zestien gezinnen die hun bestaan volledig op het water vonden. De economische omstandigheden wisselden sterk: tussen 1862 en 1876 kende de regio voorspoed, maar vanaf 1877 volgde een zware terugval. De winters van 1889 en 1890 waren dramatisch; sommige schippers zaten ‘130 dagen ingevroren’, afhankelijk van armenzorg. Rond 1904 verbeterde de situatie. Houten schepen maakten plaats voor ijzeren skûtsjes, de turfhandel bloeide en het afgraven van terpen zorgde voor extra vracht. Sint Nyk kende verschillende typen schippers: praam-, vracht-, turf- en beurtschippers. Een bekende beurtschipper was Jelle Reins de Jong, bijgenaamd Jelle Koekoek, die bekendstond om zijn sterke verhalen. Het document focust vervolgens op drie schippersfamilies die generaties lang actief waren: Agricola, Kuipers en De Jong. De familie Agricola begon met Yde Sakes Agricola (1805), waarschijnlijk de eerste turfschipper in Sint Nyk. Zijn kleinzoon Gerrit Agricola liet een nieuw skûtsje bouwen bij Wildschut in Gaastmeer. Zijn huwelijk bleef kinderloos, waarmee de familielijn als schippers eindigde. De familie Kuipers stond bekend als vaardige zeilers. Ynte Baukes Kuipers combineerde schipperen met een winkel en veehouderij. Zijn neef Hendrik en zoon Johannes waren eveneens actief op het water. Na een incident waarbij zij een brugwachter uitscholden, kregen ze een boete. Rond 1903 verliet Johannes het water vanwege concurrentie van het spoor. De familie De Jong leverde meerdere generaties schippers. Bauke Pieters en zijn zonen voeren met verschillende schepen, waaronder de Res Nova en later De Onderneming. De reizen, vooral naar Valthermond voor turf, waren zwaar en vergden veel handwerk, zoals het lossen bij lage waterstand. In de jaren ’50 werd het schip gemotoriseerd. Rond 1960 werd De Onderneming omgebouwd tot woonboot, waarmee het laatste schip uit Sint Nyk verdween.  Het complete artikel uit Ut eigen Gea nr.2 van 2004 Wanneer we over de Kade lopen, herinnert ons alleen nog het naambordje dat hier water is geweest. We gaan terug naar 1834, in dat jaar kreeg Sint Nyk een bevaarbare verbinding met open water. Al vrij snel ontwikkelde zich hier een bloeiende bedrijfstak. Doniawerstal kende in 1850 42 schippers, goed voor 485 ton. Ook Sint Nyk ging mee in de vaart der volkeren. Tussen 1840-1960 waren er maar liefst 16 gezinnen die hun brood op het water moesten verdienen. De periode kende magere en vette jaren. Economisch ging het tussen 1862 tot 1876 goed. Er werden veel woningen gebouwd en alle bouwmaterialen kwamen voor een groot gedeelte per schip naar Sint Nyk. Rond 1877 stortte de economie in en kreeg menig schipper het moeilijk. De strenge winters van 1889 en 1890 waren rampzalig. Zo zijn er gegevens dat schippersgezinnen 130 dagen ingevroren zaten, hun enige hoop was gevestigd op de armenzorg. Rond 1904 ging het beter, de houten scheepjes werden verkocht en ijzer deed zijn intrede. De turfhandel ging goed en in Friesland werd begonnen met het afgraven van de terpen om de schrale landerijen te bemesten. Sint Nyk kende verschillende soorten schippers, er waren praam-, vracht– en, turfschippers en zelfs een beurtschipper. De beurtschipper was Jelle Reins de Jong, hij voer op Sneek en woonde met zijn gezin op het schip. De Sint Nyksters kenden hem als Jelle Koekoek. Neist skipper wie Jelle ek een man fân smoute verhalen. As hy op reis wie nei Ychtenbrêge en der stie een stive wyn op ‘e Tsjûkemar dan krûpte Jelle op de hege side fan syn skip. Mei een lange bokkepoat tarre hij dan de helte fan it flak. Op ‘e weromwei pakte hy dan de oare helte. Op dyselde mar hie der ek in broerke op it âlde tsjerkhôf ferlern. Jelle fertelde as it wetter helder en stil is, kinne jimme it grêfstientsje lizzen sjen. Het zal teveel zijn om alle vracht- en turfschippers te beschrijven, dus beperk ik me tot drie families die het een aantal generaties vol hebben gehouden. Het is waarschijnlijk Yde Sakes Agricola (1805) die zich als eerste turfschipper in Sint Nyk vestigde. Yde trouwde met Antje Bosma (1805) en zij kregen 4 kinderen. Zoon Johannes Ydes (1846) werd schippersknecht, trouwde met Engelina Derksen (1843) en zij kregen drie dochters en één zoon. Deze zoon, Gerrit (1875), trouwde met Elisabeth de Vries en de oudere Sint Nyksters weten zich nog te herinneren dat Gerrit Schipper op de Kade woonde, waar je turf, aardappelen, wortelen en raapjes kon kopen. Gerrit was een schipper die van deugdelijk materiaal hield, hij liet bij Wildschut in Gaastmeer een nieuw skûtsje bouwen. De prijzen bedroegen in die tijd ƒ 100,00 per tonnage. Het huwelijk van Gerrit en Elisabeth kende geen kinderen en zo raakte er een einde aan de schippersfamilie Agricola. De tweede familie die eruit springt, zijn de Kuipersen. Op de Lemmerweg woonde Ynte Baukes Kuipers (1833). Hij was naast schipper ook winkelier en koemelker. Als schippersknecht woonde zijn neef Hendrik Tietes Kuipers (1835) bij hen in. Ynte was getrouwd  met Trijntje Johanna Rijpkema, zij kregen 7 kinderen, waaronder zoon Johannes, die schippersknecht werd bij de familie. In de familie Kuipers zaten 'betûfte' zeilers; in 1897 en 1901 wonnen ze resp. een eerste en een tweede prijs op Langweer. De lef en brutaliteit van het hardzeilen pakte voor Hendrik en Johannes op 21 juni 1902 verkeerd uit. De rechtbank van Leeuwarden veroordeelde de heren wegens het beledigen van brugwachter Auke Leenstra van Nyezyl onder Oosthem. Het taalgebruik als 'aap' en 'smeerlap' werd niet getolereerd met als gevolg een boete van ƒ 5,00 en te  betalen binnen 2 maanden, zo niet dan een hechtenis van 5 dagen. Johannes trouwde met Akke Obes Veltman en ze vertrokken naar Sloten. Hendrik Tietes (1836) trouwde met Reinske Johannes Hettinga (1843) en werd zelfstandig schipper. Hun zoon Johannes (1873) trouwde met Elske Wiebes Jonkman (1877). Johannes probeerde het nog maar het spoor werd zijn grote concurrent. Rond 1903 verliet hij het water en ging werken bij het spoor als perronmedewerker. De laatste familie is de familie De Jong. Op de Lemmerweg woonden Pieter de Jong (1818), timmerman en Wikjen de Vries (1826). Ze kregen 4 kinderen, waaronder de jongens Bauke Pieters (1855) en Hylke Pieters (1859), die hun werk op het water zochten. De jongste van de twee, Hylke Pieters, trouwde met Feikje Hylkes Veldman; ze kochten het skûtsje 'op Hoop van Zegen'. De vracht bestond uit turf, zand of modder. Zoon Pieter (1892) voelde weinig voor het water en het schip werd rond 1935 verkocht aan de kermisman Dirk Arjaans, die geen turf of modder onder de luiken wilde maar een luchtschommel en oliebollenkraam. Jaarlijks kwam het skûtsje nog in Sint Nyk, een zegen voor het jongvolk, die bij windstilte de schipper verdienstelijk was door in de ‘beage’ te lopen. De oudste zoon, Bauke Pieters, trouwde met de schippersdochter Gatske Jozephs de Jong (1866). Het gezin kreeg een Wikje, Pieter, Bauke, Jozeph, Aaltsje en Akke. Bauke Pieters zijn eerste schip was een snik, deze bleek al snel te klein en hij kocht een skûtsje. Toen Bauke Pieters ouder werd, gaf hij het helmhout over aan de zonen Pieter en Jozeph. Dochter Akke ging ook mee aan boord voor het huishoudelijke werk. Het is bekend dat dit driemanschap wel eens met een natte lading turf thuiskwam. De oud-schipper die zijn kinderen opwachtte was dan slecht te spreken over de waaghalzende taferelen van zijn kinderen. Pieter trouwde met Julia Jellesma en Jozeph bleef op de wal, die met Gerrit Agricola de brandstoffenhandel 'Firma Agricola/De Jong' begon. Pieter Baukes verkocht het skûtsje en kocht in Zwolle een Hasselter aak 'Res Nova' (nieuwe zaak) van 60 ton. Ook dit schip bleek al snel te klein en werd verlengd naar 82 ton en heette voortaan 'de Onderneming'. De vracht bestond uit turf, kleimodder of suikerbieten. De turf kwam uit Valthermond en voor het gezin De Jong was dit een vakantiereis. Op de plaats van bestemming werd het schip zorgvuldig geladen met turf. Zondags ging de familie eerst naar de kerk in Emmen, daarna een uitstapje naar de dierentuin. Op de terugweg was het vakantiegevoel snel over. Ze moesten door 80 bruggen en bij een lage waterstand werd 'de Onderneming' met lieren door de modder getrokken. Op Scharsterbrug of Follega moest een groot gedeelte van de lading worden gelost. Met paard en wagen ging dit naar de bakkers. Nu kon uiteindelijk gedacht worden aan de thuishaven. In de jaren '50 werden de zeilen vervangen door een motor en stuurhut. Rond 1960 kreeg 'de Onderneming' een nieuwe bestemming. Timmerman Bertus Steneker verbouwde het schip tot woonboot voor Theo Pieters, deze ging er op wonen in Rinsumageest en zo verliet het laatste schip de kade van Sint Nyk.

De winter van 1965–1966 stond in Friesland bekend als uitzonderlijk nat. Na extreme regenval veranderden dorpen als Goingarijp en Terkaple binnen korte tijd in kleine eilanden, omringd door een uitgestrekte watermassa die reikte van Sneek tot voorbij Terkaple. Wegen verdwenen onder water, waardoor bewoners alleen nog tussen paaltjes door konden rijden om het asfalt te vinden. Auto’s liepen gemakkelijk vast; wie een deur opendeed, riskeerde dat het water naar binnen stroomde. In huizen en schuren stond soms bijna een meter water. Kolen, nog de belangrijkste brandstof, dreven weg of raakten onbereikbaar. Aardappelen dreven in kelders, kinderen vielen voortdurend van geïmproviseerde plankieren, en dieren moesten soms hals over kop worden gered. Ondanks alle ongemakken toonden de dorpen opvallend veel vindingrijkheid en saamhorigheid. Toen de waterleiding uitviel, legde het waterleidingbedrijf zelfs een bovengrondse plastic noodleiding aan. Het gemeentebestuur verbood autoverkeer om verdere schade aan de doorweekte wegen te voorkomen, maar toch kwamen in het weekend ramptoeristen kijken naar de “Friese binnenzee”. De overstromingen waren mede het gevolg van grootschalige inpolderingen, ruilverkavelingen en moderne bemaling, waardoor natuurlijke waterberging verdween. Pas met de bouw van het Hooglandgemaal werd het probleem structureel opgelost.       Impressies van een natte winter (1965/’66)  Na de heel erg droge zomer van 2003 kan het interessant zijn om nog eens wat herinneringen op te halen aan de natte winter van 1965-1966. In de herfst ontstond er na overvloedige regenval in korte tijd een situatie, waarbij de dorpen Goingarijp en Terkaple binnen heel korte tijd als eilandjes in een zee van water lagen. Akmarijp ontsnapte voor een deel ternauwernood aan overstroming. Natuurlijk was er ook daar veel schade en ongerief door de hoge waterstand, maar een algehele duik onder het wateroppervlak bleef de mensen bespaard. Niet alleen de landerijen, maar ook de wegen waren op verschillende plaatsen  onder het water verdwenen. Om van Terkaple naar Goingarijp te kunnen gaan, moest men per fiets of auto tussen twee rijen paaltjes blijven rijden, om er zeker van te zijn, dat daar onder het water asfalt lag. Bovendien moest je met de auto heel voorzichtig rijden, want bij te grote snelheid was er een grote kans dat de motor afsloeg. Deed men dan de deur open om uit te stappen, dan liep de wagen vol water. Aardappelen dreven in de kelder Op verschillende plaatsen waar water op de weg of op de erven stond, maakten de bewoners met allerlei materialen bruggetjes om met droge voeten in huis te kunnen komen. Natuurlijk bracht deze manier van dagelijks leven veel ongerief met zich mee. Stel je voor: ’s nachts loopt ineens de polder, waar je huis staat, vol water. Als je de volgende morgen wakker wordt, blijkt in het schuurtje achter je huis bijna een meter water te staan en onder die meter water ligt ergens de brandstofvoorraad voor de kolenkachel. Het aardgastijdperk was nog niet aangebroken. Dus geen brandstof, geen warmte. Brandstofhandelaar Dijkstra en anderen uit Joure,  kwamen bijna dagelijks de voorraad aanvullen; een half mudje kolen in de gang onder de kapstok was de enige oplossing. Winteraardappelen? Die dreven in veel gevallen rond in de kelder. Jonge moeders werden bijna tot wanhoop gedreven als hun kind bij het buiten spelen voor de vierde keer op een dag van het plankier, dat van de weg naar de deur leidde, afgleed en in het water terecht kwam. Hoe kreeg je het voor elkaar je kind iedere keer weer van droge kleren te voorzien? Even in de droger ging niet, want die waren nog niet uitgevonden. Tal van grote en kleine problemen deden zich voor. En dan de man, die, toen het ’s morgens licht werd, ontdekte dat de polder achter zijn huis die nacht vol was gelopen en het water tegen de muren van zijn huis klotste. Ineens realiseerde hij zich, dat achter in de lager gelegen tuin zijn konijnen nog in de hokken moesten zitten .Tot zijn middel door het water wadend, begon hij aan een reddingspoging. De dieren bleken met moeite de kopjes boven water te kunnen houden. Gelukkig had de buurman nog logeergelegenheid op het droge voor de beestjes. Nood maakt vindingrijk Hoewel het dagelijks leven voor de inwoners van de dorpen ineens een stuk ingewikkelder was geworden, was het opvallend hoe snel en soepel de aanpassing aan de nieuwe situatie verliep. Mensen in noodsituaties blijken vindingrijk te zijn. Ook  de saamhorigheid in de dorpen was in die benarde tijd groot. Goingarijp kreeg te maken met een nieuw probleem, toen bleek dat de leidingwatervoorziening stokte. De druk was verdwenen en de kranen druppelden nog wat na. Blijkbaar was er ergens een lek ontstaan, maar dat was onder het wateroppervlak niet op te sporen. Het waterleidingbedrijf heeft toen bovengronds een plastic leiding aangelegd van Terkaple naar Goingarijp. Een mooie noodvoorziening en nu maar hopen dat het niet te hard zou gaan vriezen, want dan zou de drinkwatervoorziening weer gevaar lopen  te bevriezen. Auto’s verboden Het gemeentebestuur van Utingeradeel verbood het autovervoer over de wegen, omdat de ondergrond en de bermen totaal doorweekt waren. Slechts met een speciale vergunning voor de inwoners, de streekbus en de toeleveringsbedrijven mocht men de wegen berijden. Tóch kwam er in de weekeinden nog ramptoerisme op gang. Elke automobilist kreeg een bekeuring van tien gulden. Voor veel kijkers bleek dat geen bezwaar. Met vier personen in de wagen beschouwde men dat in veel gevallen als een toegangsprijs per persoon van een rijksdaalder. Het is in deze tijd niet meer voor te stellen, dat er één grote zee was ontstaan van Sneek tot voorbij Terkaple. Sneekermeer en Goingarijpsterpoelen waren niet meer van het land te onderscheiden. Het was een enorme watermassa geworden, waarin van alles ronddreef wat oorspronkelijk op een boerenerf lag opgeslagen. Oorzaak? Hoe had dat ooit kunnen gebeuren? In de zestiger jaren werd in Friesland veel boezemland (bûtlân) ingepolderd. Deze gebieden waren oorspronkelijk bedoeld als waterberging in tijden van extreem hoog water. Door de vele inpolderingen gingen deze opslagplaatsen voor water verloren. Ook door de vele ruilverkavelingen en betere bemaling met moderne gemalen, in plaats van de oude (Amerikaanse) windmolentjes, werden de polders veel sneller leeggemalen en daardoor het boezempeil veel sneller verhoogd. Het provinciale Woudagemaal (Teakesyl) bij Lemmer kon dat niet snel genoeg verwerken en dus steeg het boezempeil bij extreme regenval enorm snel. Toen in de jaren daarna het Hooglandgemaal bij Stavoren werd gebouwd, was het leed snel geleden. Nu, na de eeuwwisseling, is echter de discussie weer op gang gekomen over de stichting van nóg een nieuw gemaal, mede door de overvloedige regenval van de laatste jaren.

It bakkerijtsje giet plat Het verhaal schetst de lange geschiedenis van het bakkerijtje op het plein in Sint Nicolaasga, een plek die bijna twee eeuwen lang het dorp van brood en banket voorzag. De eerste duidelijke vermelding dateert uit 1827, wanneer Jacob Hendriks van der Pol de bakkerij verkoopt aan Pieter Jans Jagtman. Het pand, gebouwd in 1823, ligt centraal in het dorp en wordt omschreven als een nette, goedlopende bakkerij. Jagtman werkt er tot 1838. Daarna neemt Hendrik Wijtzes Bakker, afkomstig uit Sloten, de zaak over. Samen met zijn vrouw Dotje Landman bouwt hij het bedrijf verder uit. Na Dotjes overlijden in 1867 neemt dochter Yke de huishouding en winkel over. Yke blijft ongehuwd en staat bekend als een sociaal bewogen vrouw die veel betekent voor de armen in het dorp. Zij runt de bakkerij met hulp van knechten tot 1905, wanneer ze de zaak overdraagt aan Age Catharinus Boersma en zelf verhuist naar de Kerkstraat. Boersma en zijn vrouw Jantje Mous krijgen vier kinderen, maar geen van hen wil de bakkerij voortzetten. In 1938 komt het jonge stel Klaas van der Werf en Sjoeke Wortman toevallig in Sint Nyk terecht. Klaas wordt bakkersknecht bij Boersma en neemt in 1945 de zaak over. De bakkerij moderniseert geleidelijk: van takkenbossen naar turf, later olie, en na een brand in 1949 naar een gasgestookte oven. De brand verwoest de oude takkenschuur, maar leidt uiteindelijk tot een nieuwe, moderne bakkerij. In 1978 stookt Klaas van der Werf de oven voor de allerlaatste keer op. Daarmee komt een einde aan 176 jaar bakkersgeschiedenis op het plein, gedragen door zes generaties bakkersfamilies. Mevrouw Van der Werf kijkt later met warmte terug op een leven van hard werken en verbondenheid met het dorp. Het bakkerijtje verdwijnt, maar blijft een dierbaar stukje Sint Nykster geschiedenis.

Harmen Jans Groen en de Watersnood van 1825 Harmen Jans Groen, woonachtig in Vierhuis bij Sintjohannesga, was visser, loods en turfmaker. Zijn eenvoudige turfmakerswoning lag strategisch aan de Broeresloot, vlak bij het gevaarlijke Tjeukemeer. Op 3 februari 1825 trof een uitzonderlijk zware noordwesterstorm Friesland. Door springvloed en dijkdoorbraken bij onder meer Lemmer, Kuinre en Blankenham veranderde een groot deel van de provincie in een binnenzee. Groens eigen woning werd door het oprukkende zeewater verwoest, maar hij wist zijn gezin op tijd in veiligheid te brengen. Terwijl het water steeg en mensen in doodsangst op zolders en hooibergen vluchtten, voer Groen met zijn wankele punter door het woeste water om overlevenden te redden. Bij de boerderij van Ype Bernardus Holtrop wist hij een groep van circa 25 mensen te bereiken, die in een losgeslagen praam waren gevlucht. Met een lijn die hij hen toewierp, bracht hij hen in veiligheid op een turfschip. Ook op de dagen erna bleef hij zoeken naar drenkelingen, samen met Nanne Koopmans. In totaal redde Groen 37 mensen van de verdrinkingsdood. De ramp had enorme gevolgen: 150 vernielde woningen, 50.000 mensen die alles verloren, duizenden stuks vee verdronken en in de jaren erna een zware malaria-epidemie die in sommige dorpen meer dan een zevende van de bevolking het leven kostte. Ooggetuigenverslagen, zoals die van schoolmeester Feenstra uit Doniaga en Epke van Bienema uit Heerenveen, schetsen een beeld van chaos, angst en verwoesting. Voor zijn moed ontving Groen waardering van koning Willem I en de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen, al werd hij lokaal ook slachtoffer van roddel. Uiteindelijk werd hij volledig gerehabiliteerd. De H.J. Groenstraat in Sintjohannesga is een blijvend eerbetoon aan deze moedige mensenredder.

Op 28 april 1778 vond bij de Haskerbrug in Oudehaske een opmerkelijke en chaotische gebeurtenis plaats die later bekend werd als de “poepeninvasie”. Al eeuwenlang trokken in het voorjaar honderden Munsterlanders – in Friesland vaak “poepen” genoemd – de grens over om als marskramers (kiepkerels) of hannekemaaiers hun brood te verdienen. Meestal waren deze seizoensarbeiders welkom, maar sommigen hielden zich bezig met smokkel, vooral van linnen en andere textielwaren. Om ontdekking te voorkomen verzonnen de smokkelaars steeds nieuwe routes. De Munsterlanders vervoerden hun goederen via het Bentheimse naar Overijssel, waar ze in pramen en turfschepen werden geladen. Via de Vecht, Giethoorn, Ossenzijl, de Linde, Kuinre en de Tjonger bereikten ze uiteindelijk Oudehaske, destijds een belangrijk douaneknooppunt met zes commiezen. Op de bewuste avond arriveerden zes turfschepen, opvallend zwaar bemand met 8 à 10 mannen per schip. De douaniers vertrouwden het niet en begonnen de lading te controleren. Onder de turf bleek linnen verborgen. Zes “poepen” die de wacht hielden, gedroegen zich brutaal en gooiden zelfs turf naar de commiezen. Toen een van de douaniers versterking ging halen, doken overal in het dorp Munsterlanders op, sommigen gewapend met hooivorken. Aangemoedigd door veenbaas Theunis Jacobs de With vielen ze de commiezen aan. De douaniers werden zo zwaar mishandeld dat ze moesten vluchten. Die nacht werd veel linnen gelost en weggevoerd, maar de volgende dag wist men toch meerdere daders te arresteren. In sommige schepen werd wel 4000 pond linnen gevonden. Zes mannen werden veroordeeld tot twee jaar verbanning uit Friesland. De With, gezien als aanstichter, werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs en zijn aanzienlijke invloed. Ook andere betrokkenen, zoals Otte Jans en Foppe Pieters, ontliepen vervolging. De gebeurtenis toont hoe levendig – en soms explosief – de grenshandel in de 18e eeuw kon zijn.   Volledige tekst Smokkel in de Haske Poepeninvasie in Haskerland dinsdag 28 april 1778 De invasie werd een strijd en vond plaats op de avond van 28 april 1778 bij de Haskerbrug in het vredige Oudehaske. In deze strijd speelden de turfschepen van de Munsterlanders een grote rol, want ……..de “poepen” kwamen met turfschepen. En als er in Oudehaske niet een aantal wantrouwige “landsbedienden” (douane) was geweest, wellicht hadden de turfschepen ongemerkt hun lading gelost en zou niemand meer weten wat zich op die avond afspeelde bij de Haskerbrug. Dat er in vorige eeuwen honderden Munsterlanders en andere Duitsers als marskramers of ‘lapkepoepen’ in het voorjaar over de grens kwamen om hier hun koopwaar op het platteland te verkopen is bekend. Ook weten we dat er tegelijk veel “hannekemaaiers” langs dezelfde wegen hier kwamen om de boeren te helpen bij het maaien. De eerste groep noemen we ook wel kiepkerels. Bepaalde zaken in Leeuwarden en Sneek hebben weinig Nederlands klinkende namen en meestal danken dergelijke zaken hun bestaan aan een “kiepkerel”, die naar het rijke Friesland kwam om wat te verdienen met zijn handel. Zo stichtte Bernhard Voss in 1797 z’n winkel in Bolsward, in Sneek deed Benedictus Lampe dat in 1834, gevolgd door Clemens en August Brenninkmeijer in 1841 eveneens in Sneek. Anton Dreesman en Willem Vroom openden in 1881 hun zaak in Amsterdam en in 1880 deed Johann Theodoor Peek  (met Cloppenburg) dat in Den Haag. De kiepkerels met hun kiepen (een soort mand voor de koopwaar) of ladenkastjes op de rug verdwenen hierdoor langzamerhand van het platteland.  De activiteiten van zowel de handelende kiepkerels als de maaiende hannekemaaiers die hier te voet kwamen, kwam de boerenbevolking op het platteland goed van pas. De Poepen bij Oudehaske probeerden met illegale middelen rijk te worden.   Hoe kwamen die Poepen hier? Hoe groot elk jaar deze vreedzame “poepen”-invasie was, is moeilijk te achterhalen, maar het zullen er ongetwijfeld vele honderden geweest zijn. Dat daarbij vaak getracht werd goederen, meest textielwaren (linnen,wollen,enz.) over de grens te smokkelen, is ook een feit. We vinden enige malen in de processtukken dat dergelijke lieden werden gegrepen en veroordeeld. Om nu zo weinig mogelijk risico te lopen werd er van alles verzonnen. De Munstersen brachten de goederen naar het “Bentheimse” en daar werd de smokkelwaar in pramen en schepen geladen, die blijkbaar de Vecht konden afzakken. Mogelijk heeft de douane van Overijssel de schepen inderdaad als turfschepen beschouwd. Vanaf de Vecht ging men dan door de Giethoornse wateren en Ossenzijl, over de Linde naar Kuinre en dan via de Tjonger, Vierhuizervaart en Hogedijkstervaart naar Rottum en zo naar Oudehaske. De vaart van Rottum naar Oudehaske loopt nu uit in het Nannewijd, dat er toen nog niet was. Destijds lag ongeveer 100 meter ten westen van de driesprong (bij de kerk in Oudehaske) de bekende Haskerbrug. Ten noorden hiervan kwam men in de Haskervaart en kon men vandaar Heerenveen en ook Joure gemakkelijk bereiken. Oudehaske het centrale punt Oudehaske schijnt destijds een centraal punt geweest te zijn, getuige het feit, dat daar zes “landsbedienden” (commiezen) waren gestationeerd. Alle binnenvaart uit Overijssel ging hierlangs. Nu moet het voor de douane wel vreemd geweest zijn dat de “poepen” met zes schepen, geladen met turf uit het zuiden kwamen, want het was toch algemeen bekend dat deze lieden in de regel geen turfhandelaren waren. Bovendien passeerden de meeste turfschepen in zuidelijke richting. Toch schijnt reeds meerdere malen op deze wijze de smokkelhandel bedreven te zijn. Want er waren enkele veenbazen in Oudehaske die heel goede maatjes met de Munstersen waren. Dat waren Theunis Jacobs de With, Jan Aarts de With en Pieter de Koudewinter. Behalve deze veenbazen waren er nog twee personen die de “poepen” graag zagen komen n.l. Otte Jans, winkelier in zoetwaren en Foppe Pieters, koopman in linnen, “hebbende eene groote winkel in de Haske”. Zij waren het die op die dinsdagavond “toevallig” bij de brug waren en niet gemerkt hadden dat er iets bijzonders aan de gang was. Wel hadden zij de “landsdienaren” gezien die zich met de schepen bezig hielden en ook een menigte “poepen”, maar zonder “bemoeienis” hiermee gehad te hebben waren ze naar bed gegaan, behalve dan Jan Aarts de With. Die had blijkbaar meer gezien, vandaar dat hij het buiten Friesland voorlopiger veiliger vond. Ubbe Sijbrands, de 50-jarige dorpsrechter van Oudehaske was die avond omstreeks 11 uur uit zijn bed gehaald, om de “landsbedienden” bij te staan. Er viel toen echter voor deze boer met de “snaphaen” al weinig meer te doen, want de strijd van de Friese “soldaten” was geëindigd met een nederlaag tegen de overmacht. Het gezag verliest de slag maar… Wat was er gebeurd? Tegen de avond arriveerden zes turfschepen op de rede van Oudehaske. Ze waren behalve met turf ook beladen met mensen. Op elke schuit voeren 8 a 10 man mee. Voor de brug in Oudehaske werd halt gehouden, blijkbaar om wat te gaan eten en de dorst te lessen, alsmede een bespreking te hebben met de “kameraden”. De “landsdienaren” vertrouwden de mannen niet erg, want het was hun duidelijk dat het Munstersen waren en zij wilden wel eens zien wat er onder de turf verborgen was. Vijf  “poepen” en een “half-poep” te weten Joost Tijbes en verder Geert Lammerts, Harm Geusing, Harm Scholten, Geert Boetens uit Munsterland en Dirk Lautenbach uit Harlingen, hielden de wacht bij de turf. Tijdens het zoeken door de commiezen werd het genoemde zestal zeer brutaal. Het gezag werd beledigd en een van de zes was zo vrij om een turf tegen het zitvlak van een commies te gooien. Daar de comiezen dieper begonnen te graven en het linnen zagen, ging één man er op uit om assistentie te halen. Overal in Oudehaske doemden de “poepen” op die, schreeuwend en scheldend, sommigen met hooivorken bewapend, op de commiezen afgingen. Theunis Jacobs de With stond op een verhoging en vuurde de “poepen” aan: ”Toe maar, sla er op”.  De Friese commiezen konden er niet tegenop, getuige de tekst: “zoodanig dat de landsbedienden door het menigvuldig slaan en schoppen en andersints door het zestal zoo ijselijk wierden mishandelt dat zij om haar leven te salveren, genoodzaakt waren de visitatlinnen te overhandigen", vermelden de processtukken niet. Zes werden gearresteerd, die allen bekenden. Zij werden overgebracht naar Leeuwarden. De zes mannen werden voor twee jaren uit Friesland verbannen. De overige daders gepakt Ofschoon er die nacht veel linnen werd gelost en de “poepen” er de volgende dag mee vandoor gingen, kreeg men ze te pakken. Het bleek dat er uit sommige schepen wel 4000 pond linnen te voorschijn kwam. Hoe men er in geslaagd is deze troep van 50 á 60 man een heel lichte straf te geven is de vraag, gezien hetgeen er gebeurd was. Met Theunis de With was het moeilijker. Hij werd als de aanvoerder beschouwd, maar was een man met geld. De rechters achtten zijn schuld niet bewezen en spraken hem vrij. Jan Aarts de With, Pieter de Koudewinter, Otte Jans en Foppe Pieters zijn niet voor het Hof geweest. Zij gingen met andere “poepen” vrijuit wegens gebrek aan bewijs.