Uitgelichte vensters:

Het verhaal over het leven van deze bijzondere man Op 30 Juli 1891 werd Jan geboren als zesde kind van Thijs de Jong en Sijke Braaksma in een armzalig woonarkje in Het Meer bij Heerenveen. Lang heeft de familie daar niet gewoond want vanwege een brand werden ze door het armbestuur verwezen naar een keet. De jeugd van Jan was niet bepaald vrolijk, vader was een stevige drinker wat ertoe leidde dat de kinderen regelmatig met de honger in de maag naar de armenschool gingen. Toen hij op zijn eigen benen kon staan is Jan als schilder begonnen in Leeuwarden, hij stond bekend als leergierig en vakkundig. Het geld dat hij verdiende ging op aan het kosthuis en daarnaast was Jan zijn moeder, die een arm bestaan leed, nooit vergeten. In de crisisjaren was het ook voor een schilder slecht om rond te komen, Jan zocht het avontuur en kwam terecht op de Holland - Amerikalijn als kolentremmer. Dit werk, smerig en vuil, en met name de onprettige sfeer aan boord bracht hem weer snel aan vaste wal waar hij scheepsschilder werd. Hoe lang hij dit heeft gedaan weten we niet, wel is bekend dat hij het Heitelân nooit vergeten was en weer terug keerde. Hij kwam terug zo de meesten hem nog kunnen herinneren, een lange schrale rondreizende koopman met twee tassen. Daar zaten al zijn bezittingen in, in de één zijn negoassje, haarspeldjes schoensmeer, klosjes garen, meubelwas en punaises, en in de andere zaten zijn persoonlijke bezittingen. Het was in die tijd namelijk verboden als de ''skobberdebonk'' te leven, wie geen handel bij zich droeg kon rekenen op Veenhuizen. Jan was een eenvoudig doch eerlijk mens, die zijn leven deelde met zichzelf en de natuur. Hij liep van het ene dorp naar het andere en rekende tijdens deze wandelingen op de barmhartigheid van zijn medemens, een levensstijl die hem de naam Jan Prakje opleverde. Onderweg had Jan zijn vaste slaapplaatsen bij verschillende boeren in onze omgeving. In Haskerhorne was dat bij de familie Van der Veen, waar hij regelmatig de hooizolder moest delen met zijn lotgenoot Hendrik Stuiver. De heren maakten elkaar uit voor schooier en landloper waarbij de emoties, mede door drankgebruik, hoog opliepen. Ook het ketelhuis van de zuivelfabriek in diezelfde plaats was bij koud en nat weer een warm onderkomen. Op De Jouwer sliep hij bij de familie Van der Zijl, een boer aan de Wildehornstersingel. Bij ons in St Nieks kwam Jan al bij Haring de Vries op het Westend, een stee dat bij menig landloper, scharenslijper, stoelmatter of koopman bekent stond onder de naam volkslogement. ‘s Morgens kregen deze mensen van de boerin een boterham met koffie, waarna ze de vrijheid weer opzochten. Toen de boerderij overgenomen werd door Peet de Vries bleef Jan bijna dagelijks komen, hij was de laatste van zijn soort in deze omgeving. Na zijn 65e brak er voor Jan een betere tijd aan, Hij kreeg A.O.W., kon gebruik maken van het openbaar vervoer, een warme hap nuttigen in een stationsrestaurant en in zijn tas zat een goede fles jenever. ‘s Avonds was hij weer te vinden op de hooizolder bij familie de Vries, hij had daar zijn eigen hol, een gat in de gôlle. Het enige toiletartikel dat hij bij zich had was een conservenblik dat 's nachts diende als pispot en 's morgens als drinkbeker Zijn nachtelijke dromen waren luidruchtig, het waren heftige discussies met zijn lotgenoten en waar altijd de angst aanwezig was dat ze hem zouden bestelen. Op zekere avond trof Peet de Vries Jan ziek aan, deze nam contact op met dr. Haveman, die een zware longontsteking constateerde. Jan werd per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis in Heerenveen. Heimwee zorgde ervoor dat hij snel weer op het voor hem vertrouwde plekje op de hooizolder terug keerde. Hier genoot hij van zijn borreltje en boterham met reuzel, want ''dêr brânt it motorke goed op'', vertelde hij de boer. Dit leven heeft hij volgehouden tot zijn 78ste jaar en daarna heeft hij nog een aantal jaren in verpleeghuis ''De Flecke'' doorgebracht. In 1974 op zijn 83ste liet Jan zich op Westermar weer verenigen met de natuur. Tot op de dag van vandaag komen we een afbeelding van “Jan Prakje” tegen als beeltenis op verschillende plaatsen in Nederland en zelfs in het buitenland.

Zondag 7oktober 2001 werd een leegstaand pand aan de Polderboskdyk  te Joure in de as qelegd  Niet veel later werden de geblakerde muren met de grond gelijk gemaakt. In de krant werd aan die gebeurtenis nauwelijks aandacht besteed. Toch ging voor veel Jousters, vooral ouderen, een herinneringspunt uit lang vervlogen tijden verloren. Daarom toch nog maar een terugblik. Nee, het was geen monumentaal bouwwerk, maar de bestemming sprak veel mensen toch wel aan. Voor de buitenwacht in ieder geval de tijdelijke bestemming van café. De 'gelegenheid' was overigens beter bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje', maar daarover later meer. Het gehele pand, het cafégedeelte met daarnaast een vrij kleine woonruimte en daar weer naast een grotere woning, was oorspronkelijk genummerd Westermeer A 1. Reeds in 1852 komt dat adres in de registers van de voormalige gemeente Haskerland voor. Bewoner was toen Foppe Gerbens Huitema, die in de boeken als boer staat genoteerd. De volgende bewoner was Tijmen Hendriks Loen. In de registers wordt hij soms aannemer genoemd en soms opzichter. Het lijkt aannemelijk dat het cafégedeelte een aanbouw is die op een wat later tijdstip is gerealiseerd. Dat zou dan wel eens het werk kunnen zijn geweest van de zojuist genoemde Tijmen Loen. In een 'register van aangiften ter bekoming van tijdelijke vrijdom en verhoging van grondbelasting' wordt zijn naam in verband gebracht met de stichting van een woning. De gevraagde vrijdom zou acht jaar moeten duren, te beginnen in 1859. Vast staat in ieder geval dat in 1862 zijn adres Westermeer A 1 was. Maar hoe dan ook, hij heeft het daar aan de Sewey met zijn gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen rijk was, bijna veertig jaar volgehouden. Daarna worden nog als bewoners genoemd de weduwe C. Nijdam en de agent J. Krot. Hun verblijf aan de Sewey was van betrekkelijk korte duur. De jaren van  het café De eerste bewoner die met de horeca in verband kan worden gebracht is Albert Alberda, afkomstig uit Haskerdijken. Hij kwam in 1908 naar Joure, woonde op het adres Westermeer A 1 en wordt in de boeken bierhuishouder genoemd. Zïjn kleinzoon en tevens hulp, Hielke Meijer woonde op hetzelfde adres, evenals later zijn knecht Jan Mulder. Albert Alberda begon met het café in de periode dat op Pinkstermaandag nog de Seweyster Merke werd gehouden. Merke was een groot woord voor de paar diskes die dan aan de Sewey stonden. Op dezelfde dag werd in Oudeschoot de jaarlijkse (paarden)markt gehouden, nu nog altijd bekend als Skoattermerk. Het verband tussen de beide markten ligt wel een beetje voor de hand. Na een bezoek aan de markt in Oudeschoot konden de marktgangers uit Joure en de Zuidwesthoek van Friesland op Seweyster Merke hun laatste centjes versnoepen. Of in het café natuurlijk. Misschien is dat voor Albert Alberda wel aanleiding geweest om het daar aan de Sewey maar eens te proberen met een café. Vetpot is het echter waarschijnlijk niet geweest. Om er toch wat van te maken hield hij kostgangers. Ruimte was er genoeg. Eén van die kostgangers was Marten de With, toen nog kopergietersknecht, maar later alom bekend als melktapper en trommelslager bïj de muziekvereniging ’Concordia’. Het was niet voldoende om het hoofd boven water te houden. In mei 1919 keerde de bierhuishouder Joure de rug toe.De namen van de meeste volgende bewoners zijn wel te achterhalen. Het is echter niet altijd duidelijk in welk gedeelte van het pand zij hebben gewoond. In de periode dat Albert Alberda het probeerde met een café, woonde in het pand ook de imker Jan Das met zijn knecht Jurjen van der Honing. Zij vertrokken in oktober 1921 naar een ander stekje in Westermeer. De volgende bewoner was Teije de Wrede. koopman en postbode. Hij ruilde in mei 1929 de Sewey met de Torenstraat, waar hij op 31 maart 1930 overleed. Wellicht kan hij in zijn Seweyster tijd toch ook wel met het café in verband worden gebracht. Hij kreeg daar namelijk hulp van zïjn schoonzuster Margje Bos, weduwe van de schipper Albert Brandsma. Zij werd ingeschreven als verlofhoudster. De weduwe van Teije de Wrede, Elisabeth Brandsma, vertrok in 1937 naar Nijmegen.Met de komst van Tewes Huizinga, afkomstig uit Uithuizen, kwam in april 1929 weer een echte caféhouder aan de Sewey. Lang bleef hij daar niet wonen en werken. Reeds in mei 1931 vertrok hij naar Wyckel . Mooie pleisterplaats De familie Pieter van der Zwaag hield het aan de Sewey wat langer vol, van mei 1931 tot eind november 1937. In die jaren was het café bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje'. Het was een favoriete pleisterplaats voor wandelaars die van een flinke kuiertocht hielden. Een mooie wandeling bijvoorbeeld was 'de Haulstersingel om’, zoals die destijds werd genoemd. Als men, begonnen in Joure, de Scheen achter zich had gelaten, liep men door achtereenvolgens de Haulstersingel, de Breedsingel en de Gravinnesingel. Dan was het nog maar een paar stappen naar ’Heerlijk Zitje'. Daar kon men dan onder het genot van een drankje mooi even de benen strekken.  Een nog wat langere wandeling was 'de Wildehornstersingel om'. Die begon dan op de Vegelinsweg waarna de smalle weg naast 'het kanaal' (nu de Meenscharweg) werd gevolgd tot aan de Wildehornstersingel. Daar kon men rustig wandelen, want de singel was in die tijd nog niet door wegen in mootjes gehakt. Na op de betonbrug over de Overspitting even van het uitzicht te hebben genoten, stond men bij wijze van spreken voor de deur van  'Heerlijk Zitje'. Echte liefhebbers konden links van de zojuist genoemde betonbrug nog even een kijkje nemen in het Polderbos. Na een paar honderd meter al stuitte men op de restanten van een afgebroken molen. Wie lef had en over de bouwval klauterde, kwam terecht in een ongerept stukje natuur. In de nazomer was het Polderbos vooral in trek bij bramenzoekers.Het was best gezellig, die bezoekjes van wandelaars, maar veel meer dan die gezelligheid hield de familie Van der Zwaag er niet aan over. Vandaar dat het café ook beschikbaar was voor het houden van vergaderingen of andere bijeenkomsten van kleine groepjes. Erg veel ruimte was er niet. zodat men al gauw van 'een volle zaal'  kon spreken. Cursus Esperanto In de herfst van 1934 werd in 'Heerlijk Zitje’ een cursus Esperanto gehouden. Cursusleider was Sjoerd de Vrij. Een telg uit een geslacht van meubelfabrikanten, maar wel uit wat ander hout gesneden. Het was de bedoeling dat hij onderwijzer zou worden. Een tijdlang bezocht hij de Hervormde Kweekschool 'Mariënburg' in I.eeuwarden. maar dat werd geen succes. Niet voor de klas dus, maar het bleek geen beletsel voor een mooie carrière elders.In onze jeugdjaren kenden wij elkaar goed. In onze opvattingen over mens en maatschappij scholen wel wat raakvlakken. Bijna vanzelfsprekend volgde ik dan ook de cursus Esperanto. Sjoerd de Vrij zal door het geven van die cursus in financieel opzicht niet rijk zijn geworden. Maar in een van de vrouwelijke cursisten, Titia Lanting, vond hij wel de vrouw met wie hij niet veel later zou trouwen. Eén van de cursisten ventileerde al spoedig zijn kennis van de wereldtaal op een niet alledaagse manier. In de zomer van 1935 was in Joure een wielerclub opgericht op initiatief van drie plaatselijke amateur-wielrenners: Tjitte Kootje, Sippe Halma en Sietse Hoekstra. De nieuwe club kreeg de aan het Esperanto ontleende naam Kurage Antauen (Moedig Voorwaarts). Eén van de drie oprichters: Sippe Halma. had de cursus in 'Heerlijk Zitje' gevolgd. Hij zal de naam dus wel hebben bedacht. Zo zijn we dan langs een omweg weer terecht gekomen bij het voormalige café aan de Sewey. Voormalig, want Pieter van der Zwaag zag tenslotte geen brood meer in het café. In mei 1937 sloot hij de deur achter zich. Het betekende meteen het einde van het café. Niemand durfde een nieuwe poging te wagen.Wat bleef was de woongelegenheid. Nogal wat gezinnen hebben gedurende kortere of langere tijd op het mooie hoekje aan de Sewey gewoond. Van 1937 tot 1951 woonde de familie Hotze de Kroon in de wat grotere woning rechts. Links daarvan woonde aanvankelijk A. Gietema. Latere bewoners waren Johannes Hanje (tot 1938) en Hielke Meïjer (tot 1941). In mei 1950 ruilde Jan Post zijn boerderij in Rohel voor het vroegere café en de woning daarnaast. In 1950 verhuisde de familie Post naar Joure. Tijdelijke bewoner was ook nog Jacob ten Hage. Het woonhuis rechts was van 1955 tot 1972 het domein van de familie Oostebring.Na hun vertrek hadden Jouke Woudstra en Huitje Sap, die in september 1959 al de woning naast het vroegere café hadden betrokken, het rijk alleen. Gewone Jousters, maar wel met een bijzonder levensverhaal Over deze beide mensen hopen we later wat meer te kunnen vertellen.     

De ijskelder in Park Heremastate in Joure is een bijzonder historisch overblijfsel dat laat zien hoe men vroeger op ingenieuze wijze omging met het bewaren van voedsel en drank, lang voordat elektrische koelkasten bestonden. Het park, dat onderdeel was van de buitenplaats van de familie Van Herema, bevat een kunstmatig aangelegde heuvel die in de volksmond bekendstaat als “de berg”. In deze heuvel bevond zich de ijskelder. In de winter werd ijs uit de parkvijver gezaagd en naar de kelder gebracht. Dit ijs werd in lagen opgeslagen, vaak gescheiden door stro of zaagsel, zodat het zo lang mogelijk bewaard bleef. Door de dikke aarden wanden en de ligging onder de grond bleef de temperatuur in de ijskelder het hele jaar door laag. Hierdoor kon men ook in de zomer beschikken over ijs. Dat was niet alleen een luxe voor het koelen van drank, maar vooral belangrijk voor het bewaren van bederfelijke levensmiddelen zoals vlees, vis en zuivel. De ijskelder was meestal te bereiken via een kleine ingang aan de voet van de heuvel. Binnen was het donker, vochtig en koel, precies de omstandigheden die nodig waren om het ijs langzaam te laten smelten. Dergelijke ijskelders kwamen vooral voor bij buitenplaatsen en statige huizen, waar men de middelen had om deze constructies aan te leggen en te onderhouden. Park Heremastate zelf kent een lange geschiedenis en werd in de loop van de eeuwen meerdere malen aangepast. De aanwezigheid van de ijskelder en de bijbehorende heuvel vormt een tastbare herinnering aan het dagelijks leven van de vroegere bewoners en hun personeel. Hoewel de ijskelder tegenwoordig niet meer in gebruik is en meestal niet toegankelijk voor het publiek, blijft de “berg” een herkenbaar element in het parklandschap. Wie vandaag door Park Heremastate wandelt, ziet misschien slechts een groene heuvel, maar onder die heuvel schuilt een verhaal over vindingrijkheid, comfort en de manier waarop men vroeger de seizoenen en de natuur gebruikte om het leven aangenamer te maken.

Samenvatting Smokkel in de Haske Op 28 april 1778 vond bij de Haskerbrug in Oudehaske een opmerkelijke en chaotische gebeurtenis plaats die later bekend werd als de “poepeninvasie”. Al eeuwenlang trokken in het voorjaar honderden Munsterlanders – in Friesland vaak “poepen” genoemd – de grens over om als marskramers (kiepkerels) of hannekemaaiers hun brood te verdienen. Meestal waren deze seizoensarbeiders welkom, maar sommigen hielden zich bezig met smokkel, vooral van linnen en andere textielwaren. Om ontdekking te voorkomen verzonnen de smokkelaars steeds nieuwe routes. De Munsterlanders vervoerden hun goederen via het Bentheimse naar Overijssel, waar ze in pramen en turfschepen werden geladen. Via de Vecht, Giethoorn, Ossenzijl, de Linde, Kuinre en de Tjonger bereikten ze uiteindelijk Oudehaske, destijds een belangrijk douaneknooppunt met zes commiezen. Op de bewuste avond arriveerden zes turfschepen, opvallend zwaar bemand met 8 à 10 mannen per schip. De douaniers vertrouwden het niet en begonnen de lading te controleren. Onder de turf bleek linnen verborgen. Zes “poepen” die de wacht hielden, gedroegen zich brutaal en gooiden zelfs turf naar de commiezen. Toen een van de douaniers versterking ging halen, doken overal in het dorp Munsterlanders op, sommigen gewapend met hooivorken. Aangemoedigd door veenbaas Theunis Jacobs de With vielen ze de commiezen aan. De douaniers werden zo zwaar mishandeld dat ze moesten vluchten. Die nacht werd veel linnen gelost en weggevoerd, maar de volgende dag wist men toch meerdere daders te arresteren. In sommige schepen werd wel 4000 pond linnen gevonden. Zes mannen werden veroordeeld tot twee jaar verbanning uit Friesland. De With, gezien als aanstichter, werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs en zijn aanzienlijke invloed. Ook andere betrokkenen, zoals Otte Jans en Foppe Pieters, ontliepen vervolging. De gebeurtenis toont hoe levendig – en soms explosief – de grenshandel in de 18e eeuw kon zijn.

It bakkerijtsje giet plât Het verhaal schetst de lange geschiedenis van het bakkerijtje op het plein in Sint Nicolaasga, een plek die bijna twee eeuwen lang het dorp van brood en banket voorzag. De eerste duidelijke vermelding dateert uit 1827, wanneer Jacob Hendriks van der Pol de bakkerij verkoopt aan Pieter Jans Jagtman. Het pand, gebouwd in 1823, ligt centraal in het dorp en wordt omschreven als een nette, goedlopende bakkerij. Jagtman werkt er tot 1838. Daarna neemt Hendrik Wijtzes Bakker, afkomstig uit Sloten, de zaak over. Samen met zijn vrouw Dotje Landman bouwt hij het bedrijf verder uit. Na Dotjes overlijden in 1867 neemt dochter Yke de huishouding en winkel over. Yke blijft ongehuwd en staat bekend als een sociaal bewogen vrouw die veel betekent voor de armen in het dorp. Zij runt de bakkerij met hulp van knechten tot 1905, wanneer ze de zaak overdraagt aan Age Catharinus Boersma en zelf verhuist naar de Kerkstraat. Boersma en zijn vrouw Jantje Mous krijgen vier kinderen, maar geen van hen wil de bakkerij voortzetten. In 1938 komt het jonge stel Klaas van der Werf en Sjoeke Wortman toevallig in Sint Nyk terecht. Klaas wordt bakkersknecht bij Boersma en neemt in 1945 de zaak over. De bakkerij moderniseert geleidelijk: van takkenbossen naar turf, later olie, en na een brand in 1949 naar een gasgestookte oven. De brand verwoest de oude takkenschuur, maar leidt uiteindelijk tot een nieuwe, moderne bakkerij. In 1978 stookt Klaas van der Werf de oven voor de allerlaatste keer op. Daarmee komt een einde aan 176 jaar bakkersgeschiedenis op het plein, gedragen door zes generaties bakkersfamilies. Mevrouw Van der Werf kijkt later met warmte terug op een leven van hard werken en verbondenheid met het dorp. Het bakkerijtje verdwijnt, maar blijft een dierbaar stukje Sint Nykster geschiedenis.

Vandaag de dag herinnert niets in de Boterstraat nog aan haar agrarische oorsprong. Wat ooit misschien boerenland was, werd in de loop van de tijd volgebouwd met piepkleine huisjes, werkplaatsen, pakhuizen en winkeltjes. Handelaren en huisjesmelkers zagen kansen en benutten iedere vierkante meter. Wie het straatje vandaag ziet, kan zich nauwelijks voorstellen hoeveel bedrijvigheid er ooit was. In de 19e en 20e eeuw zaten er onder andere twee bakkerijen, twee brandstofzaken, een manufacturier, een meubelmakerij (van Franke Looyenga), een schilderwerkplaats, kruideniers, groentehandelaren en een slager. Volgens de gemeentelijke administratie van 1864 woonden en werkten er verbazingwekkend veel mensen op dit kleine stukje Joure. De lijst van woningeigenaren maakt bovendien duidelijk dat sommige families, zoals de dames Bourboom en Borduin en de familie Looyenga, goed geboerd hebben als verhuurders. Kleine kamers leverden een huurder een gulden per week op — een rendement van 100% op een investering van vijftig gulden! Daar kunnen hedendaagse "huisjesmelkers" slechts van dromen. Een kleurrijk figuur uit die tijd was Jan Bosma, bijgenaamd "Jan Poppelapke". Als hij een bestelling moest bezorgen, wandelde hij met zijn fiets aan de hand naar de Midstraat, zette zich pas bij de Jouster toren af en sprong dan sierlijk op zijn zadel. Zijn vaste ritueel zorgde altijd voor een glimlach bij omstanders. Een andere bekende was slager Wiersma, die elk jaar rond Pasen als eerste met een versierde koe door de Midstraat trok. De Concertzaal en de Preciezen Een bijzonder gebouw in de Boterstraat was de Concertzaal van Romke Sjoerds de Boer. Voordat het een café en danszaal werd, stond hier vanaf 1761 de kerk van een afgescheiden groep Doopsgezinden, de zogenaamde "Preciezen". Na hun hereniging met andere Doopsgezinden in 1817, kreeg het gebouw meerdere bestemmingen: van catechisatieruimte tot vergaderplek en later verkoop aan de Gereformeerde gemeente. Vanaf 1922 begon het pand een tweede leven als uitgaansplek. In crisistijd bood Romke's Concertzaal jongeren een betaalbare plek om samen te komen: één consumptie was genoeg om de hele avond te blijven hangen — én danslessen te volgen. Leven in de zijsteegjes De smalste steegjes van Joure lagen rondom de Boterstraat. Grote gezinnen, zoals dat van stoelenmatter Hendrik Kallenkote, woonden er in krappe kamertjes uit de vroege 18e eeuw. De dagelijkse strijd om ruimte was groot, zeker als er met een afgewerkte stoel achter op de fiets gemanoeuvreerd moest worden door het nauwe steegje. Zelfs in deze omstandigheden bloeide het verenigingsleven: de “roden” hielden vergaderingen en zangrepetities in een piepklein, donker gebouwtje. Wie nu terugkijkt op “de goede oude tijd” ziet vooral het charmante plaatje, een ensemble van mooie gevels en een wit houten ophaalbruggetje. Maar achter de nostalgie schuilen ook de schaduwkanten van een tijd waarin het leven in de Boterstraat verre van makkelijk was.

Harmen Jans Groen en de Watersnood van 1825 Harmen Jans Groen, woonachtig in Vierhuis bij Sintjohannesga, was visser, loods en turfmaker. Zijn eenvoudige turfmakerswoning lag strategisch aan de Broeresloot, vlak bij het gevaarlijke Tjeukemeer. Op 3 februari 1825 trof een uitzonderlijk zware noordwesterstorm Friesland. Door springvloed en dijkdoorbraken bij onder meer Lemmer, Kuinre en Blankenham veranderde een groot deel van de provincie in een binnenzee. Groens eigen woning werd door het oprukkende zeewater verwoest, maar hij wist zijn gezin op tijd in veiligheid te brengen. Terwijl het water steeg en mensen in doodsangst op zolders en hooibergen vluchtten, voer Groen met zijn wankele punter door het woeste water om overlevenden te redden. Bij de boerderij van Ype Bernardus Holtrop wist hij een groep van circa 25 mensen te bereiken, die in een losgeslagen praam waren gevlucht. Met een lijn die hij hen toewierp, bracht hij hen in veiligheid op een turfschip. Ook op de dagen erna bleef hij zoeken naar drenkelingen, samen met Nanne Koopmans. In totaal redde Groen 37 mensen van de verdrinkingsdood. De ramp had enorme gevolgen: 150 vernielde woningen, 50.000 mensen die alles verloren, duizenden stuks vee verdronken en in de jaren erna een zware malaria-epidemie die in sommige dorpen meer dan een zevende van de bevolking het leven kostte. Ooggetuigenverslagen, zoals die van schoolmeester Feenstra uit Doniaga en Epke van Bienema uit Heerenveen, schetsen een beeld van chaos, angst en verwoesting. Voor zijn moed ontving Groen waardering van koning Willem I en de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen, al werd hij lokaal ook slachtoffer van roddel. Uiteindelijk werd hij volledig gerehabiliteerd. De H.J. Groenstraat in Sintjohannesga is een blijvend eerbetoon aan deze moedige mensenredder.