Uitgelichte vensters:

Wonen en werken in de Pottenbakkerssteeg Achter in de Pottenbakkerssteeg stond een blokje van vier witgepleisterde woningen waar niet alleen werd gewoond, maar ook gewerkt. Tot circa 1869 waren er pottenbakkers actief. In 1870 startte timmerman Riemer Roels Dijkstra er een kalkblusserij. De eerste steen werd gelegd op 1 november 1870, een emotioneel moment voor de familie, omdat in datzelfde jaar een zoon Jan werd geboren, terwijl een eerder kind met dezelfde naam in 1868 was overleden. De gevelsteen met de initialen R D herinnerde aan deze gebeurtenissen. De familie Dijkstra woonde er decennialang, tot minstens 1903. In 1949 werd de vervallen muur vervangen; meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries redde de gevelsteen en hield deze in de familie. Zijn zoons Nico en Wiebe werkten er later als meubelmakers. In 1980 verhuisden de broers naar het Skûtsje waar Nico de steen mee naar toe nam. Uiteindelijk schonk hij deze aan het Museum Joure. De Pottenbakkerssteeg (Het complete artikel) Dat blokje van 4 woningen met witgepleisterde muren, achter in de Pottenbakkerssteeg, grenzend aan de Overspitting en met rechts om de hoek ‘de grutte dwingel’-oudere Jousters kunnen dat beeld nog wel in hun herinnering terughalen. Hun gedachten zullen dan ongetwijfeld vooral uitgaan naar de mensen die daar hebben gewoond. Dat beeld is dan evenwel niet volledig want in het blokje woningen werd niet uitsluitend gewoond maar ook gewerkt. Om te beginnen door elkaar opvolgende pottenbakkers. De overlevering wil dat omstreeks 1869 de laatste pottenbakker de deur van zijn werkplaats achter zich heeft dichtgetrokken. In 1870 kwam er nieuwe bedrijvigheid. De timmerman Riemer Roels Dijkstra vroeg en kreeg vergunning om te beginnen met een kalkblusserij. Op 1 november 1870 werd daartoe de eerste steen gelegd. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Jouster Museum. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Jouster Museum. Het moet voor de familie Dijkstra om meer dan één reden een emotionele gebeurtenis zijn geweest, waarbij blijdschap en verdriet om de voorrang hebben gestreden. Blijdschap omdat men met een eigen bedrijfje mocht beginnen, maar vooral ook over de geboorte, op 18 april 1870, van een zoontje dat de naam Jan had gekregen. Verdriet zal er nog altijd zijn geweest over het verlies van een zoon die ook al de naam Jan droeg. Hij was op 3 juli 1859 geboren en overleed op 30 juni 1868. In de gevelsteen, een fraai bewerkte plaat marmer, komt zowel het één als het ander tot uitdrukking. De initialen R D staan voor Riemer Dijkstra zelf. Over het reilen en zeilen van de kalkblusserij is niets bekend; boeken of bescheiden zal men vergeefs zoeken. Wel mag worden aangenomen dat de familie Dijkstra een flink aantal jaren in het blokje heeft gewoond. Dat blijkt uit een krantenbericht uit 1903, waarin Riemer Dijkstra als bewoner van het voorste hoekpand wordt genoemd. Wat er in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, de gevelsteen is in de zijmuur van die woning blijven zitten. Tot 1949 om precies te zijn. Het hoekpand werd toen bewoond door de meubelmaker Sjoerd Nicolaas de Vries en zijn beide zoons Nico (Nicolaas) en Wiebe (Wijbe). De tand des tijds begon zo langzamerhand te knagen aan het blokje woningen. Dat gold vooral de muur met de gevelsteen. Om erger te voorkomen, werd in 1949 een nieuwe muur opgetrokken. De oude muur werd gedegradeerd tot puin maar pas nadat Sjoerd de Vries de gevelsteen veilig had gesteld. Sedertdien is de steen in het bezit van de familie De Vries gebleven. Terecht, want ver voor 1949 had Sjoerd de Vries de woning met alles erop en eraan al gekocht. Zijn zoon Nico heeft later de steen in een mooie houten lijst gevat. De broers Nico en Wiebe de Vries, evenals hun vader van origine meubelmaker, begonnen later voor eigen rekening met het bouwen van vooral grote B.M.-ers. Daartoe kochten zij de naastgelegen woning en richtten die in als werkplaats. Opnieuw werd dus in het blokje woningen zowel gewoond als gewerkt. In 1980 verhuisden de beide broers naar een pas gebouwde seniorenwoning aan het Skûtsje, maar, ook al waren zij toen al voorbij de A.O.W.-grens van 65 jaar, zij namen ruimschoots de tijd om hun bezigheden in de Pottenbakkerssteeg af te bouwen. In 1987 overleed Wiebe. Sedertdien woont Nico alleen in de woning op het mooie hoekje van het Skûtsje, met uitzicht op de nieuwbouw in de oude Pottenbakkerssteeg. De gevelsteen die in 1980 meeverhuisde naar het Skûtsje heeft hij nu geschonken aan het Museum Joure.

Vermaningband De Vermaningsband was een bekende straatmuziekgroep uit St. Johannesga en Rotsterhaule, in de volksmond ook wel ‘De Hutten’ genoemd. De bijnaam verwees naar leider Jan Vermaning, die op jonge leeftijd van huis wegliep en in de Haulsterbossen een hut bouwde. Jan, geboren in 1879, was een uitzonderlijk muzikant die viool, trompet en zingende zaag speelde. Door een oogspierziekte werd hij later blind, wat hem de bijnaam ‘bline Jan’ opleverde.  Jan had muzieklessen gevolgd bij de gebroeders De Rook en trad samen met Gradus Akkerman op in theater en circus Boltini. Zijn zonen Eise (1914), Jochum (1919), Siebolt (1923) en Jan jr. (1928) erfden zijn muzikale talent. Ze bespeelden uiteenlopende instrumenten, van accordeon en saxofoon tot gitaar, piano en wasbord. Samen vormden zij een compleet, zeer geliefd straatorkest. De familie reisde met woonwagen en auto langs kermissen, danstenten en circussen door heel Nederland. Ze traden op in onder meer Joure, Lemmer en Holten en werkten soms samen met de Baving Volendammers. De band had een grote schare fans, waaronder Roel Kwek van de Wolvedijk. Jan Vermaning overleed in 1964 op 85‑jarige leeftijd. Hun bekendste nummer was ’It Bankje’, dat op vele kermissen werd gespeeld.  VERMANINGSBAND (complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 2006)  Voor wie de Vermaningsband vroeger gezien en gehoord hebben, is het aardig wat meer van de geschiedenis van deze straatmuziekband te weten. Oudere mensen in St. Johannesga en Rotsterhaule zullen zich de band vast nog wel herinneren. In de volksmond werden die uitstekende straatmuzikanten ook wel ‘De Hutten’ genoemd. Hun leider Jan Vermaning had de bijnaam van ‘bline Jan’. Ze kwamen uit St. Johannesga. Jan z’n vader is vrij jong overleden en z’n moeder hertrouwde later met Siebolt van der Wal. Met z’n tweede vader kon Jan het slecht rooien. Op z’n twintigste liep hij dan ook weg van huis en bouwde voor zichzelf een hut in het bos aan de Wolvedijk. Daar bevinden zich de Haulsterbossen waar de jeugd van nu nog steeds hutten bouwt maar dan niet voor min of meer permanente bewoning. Dat ook Jan Vermaning daar toen een hut bouwde, was in die tijd niet ongewoon. De toen van turf en plaggen in de veenstreken opgetrokken veenhuisjes gaven amper meer gerief. Een vriend van hem Gradus Akkerman gaf hem toen de bijnaam Jan Hut, vandaar later ‘De Hutten’. Die bijnaam is Jan zijn leven lang niet kwijtgeraakt. Die Gradus Akkerman was verwant aan de circusfamilie Boltini. De vrouw van Boltini was zijn zuster. Boltini zelf kwam uit Italië en is nooit officieel getrouwd geweest met de vrouw die Akkerman heette. De bekende Tony en Jan Boltini hadden dan ook als familienaam Akkerman en zo stonden ze bij de burgerlijke stand ingeschreven. Jan Vermaning werd geboren op 31 juli 1879. Hij trouwde op jonge leeftijd en woonde een    poosje in een huisje in het ‘ûnlân’ aan de Wolvedijk, later in een woonwagen bij Rohel tegenover de plaats waar ‘De Wite Peal’ was. Nog weer later vestigde hij zich in de Boterstraat te Joure. Jan Vermaning was een zeer muzikaal man. Samen met de gebroeders De Rook uit Lemmer had hij muziekles gehad. Een van die De Rooks werd later dirigent van het vermaarde muziekkorps uit Lemmer. Na zijn muziekstudie speelde Jan samen met Gradus Akkerman bij theater Boltini. Na dat theater werd dat circus Boltini. Boltini kondigde de komst van zijn circus in de kranten aan met: ‘Wie komt, hij komt! Boltini Komt! De sterkste man ter wereld’. Om het publiek te trekken stonden er altijd enkele muzikanten op het bordes voor het theater. Dat waren Jan en Gradus. Twee supermuzikanten! Jan speelde viool, trompet en zingende zaag in 1922 toen hij 43 jaar was. Door een oogspierziekte was hij blind geworden. Lange tijd daarvoor had hij al met een slecht gezichtsvermogen gesukkeld. Vandaar zijn tweede bijnaam: ‘bline Jan’. De zonen uit het huwelijk van Jan waren eveneens zeer muzikaal. Eise uit 1914 werd een voortreffelijk accordeonist. Jochum uit 1919 ontpopte zich als een muzikale duizendpoot, hij speelde knop-accordeon, viool, trompet, gitaar, zingende zaag en piano. Siebolt geboren in 1923 (nog steeds in blakende gezondheid en woonachtig in Zwolle), speelde accordeon en was een tijdlang de drummer van de band. Hij geeft nog les aan enkele leerlingen en speelt met een vriend nogal eens voor bejaarden in tehuizen. Dan was er nog de jongste telg geboren in 1928, dat was Jan junior. Hij speelde saxofoon en klarinet. Alle vijf waren het topartiesten. Met z’n allen vormden ze een compleet straatorkest. De zaken gingen goed zodat ze een auto voor de woonwagen konden kopen. Daarmee reisden ze van de ene kermis naar de andere. Ze speelden in danstenten en in circussen zoals circus Tony Boltini. Later kwam er een dochter van broer Jochem bij.  Op zondagen traden ze op in allerhande hotels als er dansen was. Dat gebeurde vaak op zondagmiddag of -avond. Soms kregen ze versterking van de ‘Baving Volendammers’, ook een orkest van een familie met die naam uit Volendam.  De alom bekende Vermanings lieten met de Jouster Merke hun muziek natuurlijk in Joure horen. Ze stonden dan te spelen bij de inrit van garage Schootstra waar nu de Action zit. Later als ik iets in de Midstraat organiseerde, stonden de broers op het plein voor de Katholieke kerk. Hun vele fans, ook uit Zwolle, kwamen daaropaf. Roel de Jong van de Wolvedijk (Rohel) bijgenaamd Roel Kwek, was als ‘super’ fan steeds van de partij. Hij zorgde altijd voor een natje en een droogje voor de straatmuzikanten. Vader Jan Vermaning stierf in 1964 op 85-jarige leeftijd. Zelf ben ik nog in het bezit van een aantal cassettebandjes, opgenomen tijdens diverse optredens in Joure en bovendien heb ik een drietal grammofoonplaten van diverse Jouster muzikanten en natuurlijk van de Vermanings. Liefhebbers van die oude liedjes herinneren zich vast nog ‘het bankje’. Het liedje is meer dan 50 jaar oud en door de Vermaningband in heel Nederland op kermissen en straatfestivals ten gehore gebracht. Voor die liefhebbers volgt hier de tekst: ik weet hier in ons mooie Nederlandje ‘n Leuke, kleine houten bank te staan Daar zaten wij vaak uren hand in handje daar denk ik nu nog vaak met vreugde aan. Refrein: Want daar zat ik met het meisje van mijn dromen stil te vrijen in de maneschijn  Als we nu weer samen langs dat bankje komen ja, dan zou ik zo weer twintig willen zijn. ja,ja,ja,ja,ja dan zou ik zo weer twintig willen zijn. Met haar heb ik daar vaak en graag gezetenen luisterde naar de kleine nachtegaal. Haar kus deed mij de wereld dan vergeten haar lachen was voor mij 'n zonnestraal.

De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal Het artikel beschrijft de geschiedenis van de melkboeren in Haskerland en Doniawerstal, met een centrale rol voor Piet Hoekstra, Sjoerd Hoekstra en Ruurd van der Heide. Na de Tweede Wereldoorlog besloten melkhandelaren hun belangen te bundelen. Op 19 februari 1946 werd in Café Teernstra te Joure de’ Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. Het bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, Harm Oppewal en Siebe Brouwer. De afdeling bleef actief tot 1973 en fuseerde daarna met Heerenveen. Een terugkerend probleem waren de ‘zwarte venters’: boeren die melk onder de prijs verkochten. Hoewel de bond aandrong op het doorgeven van namen, weigerden de Jouster venters dit aanvankelijk uit solidariteit met boeren die tijdens de oorlog hadden geholpen. Pas later werd strenger opgetreden. Het document geeft een levendig beeld van de moeilijke economische omstandigheden vlak na de oorlog. Zo klaagde secretaris Oppewal over de strenge winter en de strakke rantsoenering: “Doch gelukkig is het voorjaar gekomen…”. De overheid bepaalde prijzen en rantsoenen, wat de venters zwaar trof. Rond 1950 werd de wijksanering ingevoerd: elke melkventer kreeg een eigen wijk, met regels voor omzetverdeling, ziektevervanging en klachtenafhandeling. De bezorging ontwikkelde zich van handkar en hondenkar naar bakfiets, elektrische wagens en uiteindelijk de rijdende winkel. In 1966 verscheen de eerste echte SRV-wagen; in 1973 reden er al 300 in Friesland. De concurrentie van supermarkten nam vanaf de jaren zestig sterk toe. Waar venters ooit 100% marktaandeel hadden, daalde dit landelijk naar 50%. De Friese Bond probeerde via inkooporganisaties zoals de ZHM de positie van venters te versterken. Het artikel sluit af met anekdotes die het sociale karakter van het beroep tonen, zoals klanten die op basis van geloof de melk verdeelden en de melkboer die als eerste merkte wanneer er gezinsuitbreiding op komst was. De melkboeren van Haskerland en Doniawerstal  ‘Friesche Bond’ (Het complete artikel uit 'Ut eigen Gea' nr.7 uit 2006) Zoals zoveel ondernemers die in eenzelfde branche werkzaam waren, namen na 1945 ook de melkhandelaren het initiatief om hun gezamenlijke belangen beter te behartigen door hun krachten te bundelen in één organisatie. De eerste vergadering van melkventers werd op 19 februari 1946 gehouden in Café Teernstra (later Café Swart en nu Café 't Hert) te Joure. Ondanks het geringe aantal van 5 aanwezigen werd ‘De Afdeling Joure van de Neutrale Friesche Bond van Tappers in Melkproducten’ opgericht. De Friese Bond bestond overigens al sinds 1934. Het eerste bestuur bestond uit Sjoerd Hoekstra, voorzitter; Harm Oppewal secretaris en Siebe Brouwer penningmeester. De contributie werd vastgesteld op 50 ct (guldens!) per maand en de secretaris kreeg opdracht om ook de andere collega's uit Joure, St. Nicolaasga, Terkaple en Idskenhuizen te bewegen lid te worden. Uit de notulen blijkt niet direct wat de aanleiding was tot de oprichting of wat men concreet in de toekomst wilde bereiken. Ze zijn bondig en zakelijk zonder uitgebreid de discussies weer te geven die er ongetwijfeld geweest zijn en de frequentie van vergaderen lag niet hoog. Veelal twee keer per jaar en soms werd ook een jaar overgeslagen. Ook werden de vergaderingen eerlijk verdeeld over de cafés in de gemeente. Jaarverslagen of regelmatige rapportages over de financiële stand van zaken zijn in het notulenboek niet terug te vinden. Desondanks komen toch in de loop der jaren wel een aantal zaken naar voren die de moeite waard zijn om weer eens in herinnering te roepen of bekend te maken. De Afdeling Joure heeft van 1946 tot 1973 bestaan en is daarna gefuseerd met Heerenveen; drijvende krachten waren Sjoerd Hoekstra die tot het einde voorzitter is geweest; Harm Oppewal, eerst secretaris en later de vertegenwoordiger naar de Friese Bond en Ruurd van der Heide die jarenlang secretaris is geweest. Piet Hoekstra werd in 1953 als penningmeester benoemd en nam na het aftreden van Sjoerd Hoekstra het initiatief om met de afdeling Heerenveen te gaan praten over samengaan. Het is wellicht aardig om de namen van de venters die ooit lid zijn geweest (voor zover nog te achterhalen) te vermelden: J. Boelsma Scharsterbrug,   J. Bosgra Joure, D. Brouwer Joure, H. Brouwer Joure, J. Ekas Joure, L. Eppinga Langweer, J. Fluitman St. Nicolaasga, E. Haagsma St. Nicolaasga, R. van der Heide Joure, P. Hoekstra Joure, S. Hoekstra Joure, Sj. Hoekstra Joure, Hogeterp Joure, J. Horjus Joure, R. de Jong Ouwsterhaule, D. Kamminga Terkaple, H. Oppewal Joure, Pekema Joure, Van der Ploeg Joure, Pol Joure, S. Postma St. Nicolaasga, H. Schmitt Joure en P. Sijbesma Idskenhuizen In 1975 werden Ruurd van der Heide en Piet Hoekstra en in 1977 H. Brouwer benoemd tot Bondsridder van de Friese bond wegens een 25-jarig lidmaatschap. Zwarte venters Eén van de zaken die steeds weer terugkeert op de agenda is het probleem van de ‘zwarte’ venters. Er waren nogal wat boeren in Haskerland  die melk verkochten aan particulieren onder de prijs die de melkhandelaren rekenden. Direct al in 1946 werd door de provinciale organisatie aan de afdelingen gevraagd namen van de zondaars door te geven. Dat werd in Joure geweigerd omdat men vond dat de boeren die in de bezettingstijd zoveel mensen hadden geholpen, daardoor in moeilijkheden konden komen. Men besloot een brief te schrijven waarin werd gesteld dat vrijwel alle boeren melk verkochten maar dat men geen namen wenste te verstrekken. Maar het probleem bleef toch bestaan want in 1949 wordt "na een lange discussie" besloten om de politie te vragen die boeren te bezoeken die "clandestien" melk verkopen en in 1950 vraagt de Friese Bond aan de afdeling om namen door te geven van ventende boeren "en de zaak komt o.k.’  Het werkte kennelijk niet want in 1953 komt het punt nog eens in de notulen voor en in 1955 wordt besloten een lijst van verkopende boeren op te stellen en deze aan de VMO (de landelijke Verenigde Melkhandelaren Organisatie) te sturen. In begin 1957 is het probleem nog niet uit de wereld en dringt de Friese bond er bij de afdeling op aan om de namen van boeren aan haar door te geven zodat ze in handen gesteld kunnen worden van de Rijkspolitie "die haar volle medewerking heeft toegezegd." Eind 1957 wordt letterlijk in de notulen vermeld: "Hierna weer het aloude onderwerp: melk halen bij de boer. Hier is maar één oplossing voor: geef toch de namen door van de boeren die dit doen. In Joure is gebleken dat dit prima helpt." In de jaren daarna wordt er niets meer over genotuleerd en is het probleem kennelijk opgelost. Aardig is ook een ontboezeming van secretaris Oppewal in 1946 waarbij hij tussen de verslagen door in het notulenboek een aantekening maakt en klaagt over de strengste winter "die wij allen zolang we melkventers zijn hebben meegemaakt" en over de krappe economische omstandigheden waarin de melkventers verkeerden. Een letterlijk citaat laat daar wat van zien: "Doch gelukkig is het voorjaar gekomen en was de winter spoedig vergeten en we dachten dat ook daarmee alle ellende over zou zijn. Maar helaas, alle onze pogingen om iets te bereiken, de melk vrij of althans enige verruiming van rantsoenen te krijgen, mislukten. Een klein percentage karnemelk, kleiner dan in 1946, kregen we zonder bon. Een kleine verbetering trad in op 25 Februari 1947 toen de provisie met 0,4 verhoogd werd. Al was het niet veel, toch was het een stap in de goede richting. Maar er waren geruchten dat eerlang de omzetbelasting zou verdwijnen en dan zou zeer zeker de verlaagde belasting ten goede komen aan de venters.  Doch in Den Haag was men even beter bedacht op het vasthouden dan we in de verste verte konden verwachten. Per 1 juli verdween de omzetbelasting op melk/karnemelk en wij moesten 0,30 per liter meer betalen en de belasting op pap werd met 1% verhoogd, te betalen door de venter. Leek het aanvankelijk dat we de vrije karnemelk zouden behouden, in de loop van de zomer werd dit reeds gehalveerd en in September werd alles ingetrokken. Op 4 oktober werd de prijs der pap met 1 ct. per liter verhoogd. Midden november was reeds door de radio bekend gemaakt dat de prijzen van sommige levensmiddelen moesten worden verhoogd en ja hoor, 22 november werden alle prijzen der melk- en melkproducten met 2 ct. per liter verhoogd en de prijs der boter met 96 ct. per kilo. Maar het sluitstuk der drama's van dit jaar kwam wel midden december toen de Minister van Voedselvoorziening bepaalde dat de melkrantsoenen noodzakelijk moesten worden verlaagd en het kwam, al was het niet veel, toch genoeg om de melkhandelaren een strop te bezorgen. Gelukkig dat de natuurelementen deze winter niet zo erg woedden als de vorige wat voor ons werk vrij wat gemakkelijker is. We zullen hopen dat het komende jaar een goed jaar voor ons moge zijn, gezondheid en arbeid, alsmede loon, voldoende loon op die arbeid." Einde citaat. Bedacht moet worden dat in die tijd de rijksoverheid de inkoop- en verkoopprijzen vaststelde en dat vele levensmiddelen "op de bon" waren. Wijksanering Vóór 1950 waren er nog geen eigen wijken en trokken de venters noodgedwongen door het hele dorp. Gestimuleerd door de overheid en de noodzaak om efficiënter te werken werd een sanering gestart en in de grotere plaatsen kreeg iedere venter zijn eigen wijk waarin de producten bezorgd werden. Wanneer de wijken veranderden of er nieuwe bijkwamen, moest de verdeling aangepast worden om de omzet gelijkmatig over de venters te verdelen. In Joure werd hiervoor een aparte commissie benoemd bestaand uit de voorzitter, secretaris en Piet Hoekstra die regelmatig bijeenkwam om zowel de eerste opzet van de wijken als latere correcties te regelen. Er werd tegelijkertijd een reglement opgesteld dat niet alleen de wijkindeling regelde maar ook de onderlinge verhoudingen tussen de melkboeren. Zo werd een vertrouwenscommissie ingesteld om klachten van consumenten te behandelen; werd de klacht vastgesteld dan kon ook een boete worden opgelegd (waarvan de hoogte door de collega's werd vastgesteld!). Bij ziekte dienden de collega's de betreffende wijk over te nemen en aan de zieke over de eerste 10 weken een vergoeding van 2 ct per eenheid af te dragen en in de volgende 10 weken van 1 ct. Er werd een basisomzet vastgesteld; afwijkingen werden maandelijks vastgesteld; het teveel kwam in een gezamenlijke pot en tekorten werden ook hieruit betaald. Men werd ook verplicht om 1 week vakantie op te nemen. Een raadselachtige bepaling is dat alle in de handel voorkomende producten door de deelnemers kunnen worden verkocht met de toevoeging: "Hieronder zijn ook de Nutriciaproducten begrepen".  De melkkar De bezorging op zich onderging ook de nodige veranderingen. Waar de vader van Piet Hoekstra vroeger met 4 of 5 producten op de handkar door de buurt trok en later met de hondenkar, kwamen daarna paard en wagen en weer later de bakfiets in beeld. Piet Hoekstra bijvoorbeeld heeft tot 1962 de bakfiets gebruikt. Met het einde van de verkoop van losse melk en melkproducten en de groei van het assortiment kwam de vraag naar grotere wagens. In 1961 werden door de Friese Bond 165 Creusen electrobezorgwagens aangeschaft. Ze waren nog vrij klein en daarom alleen geschikt voor de bezorging van producten in flessen en een beperkt aantal bijproducten. In 1966 werd de eerste echte rijdende winkel in gebruik genomen; in 1973 waren er in Friesland 300 stuks op de weg. De voormalige melkventers verkochten ook groente, fruit en brood en hadden ze een assortiment van minstens 400 producten!  De leveranciers In Joure werd de melk na W.O. II eerst geleverd door Hollandia in Scharsterbrug, daarna door de zuivelfabriek in Akmarijp en later door die in Haskerhorne. Rond W.O. II werd de melk voor Joure aangeleverd in de Torenstraat en daar door de venters opgehaald. De bestelbriefjes voor de melk van de volgende dag werden 's ochtends in een fles ingeleverd. Het gaf in de winter problemen om de producten niet te laten bevriezen en dan werden deze tijdelijk bewaard in het Armenhuis of in de scheerwinkel van Otter. De karnemelkse pap werd bij vriezend weer warm in bussen aangeleverd. Piet Hoekstra nam bij vorst dekens mee op de kar om met name de flessen niet te laten bevriezen. Het overkwam hem echter een keer dat de vorst hem verraste toen hij in Noord-Broek zonder dekens op ronde was en dat had 30 kapotgevroren flessen tot gevolg. Piet Hoekstra herinnert zich ook nog dat hij in de winter bij sneeuw een slee leende van Stroosma aan de Vegelinsweg en dat het in de zeventiger jaren een keer zo gesneeuwd had dat de Slachtedijk dicht was gewaaid en hij met de slee over het ijs (waar wel een baan was schoongehouden) naar Noord-Broek moest. De melk die men overhield ging 's middags retour naar de fabriek. Eén keer per week werd met de fabriek afgerekend. Sociale ondernemersaspecten Ook op sociaal terrein was men actief, zowel in de Afdeling als bij de Friese Bond. Zo werd geprobeerd om een vakantie- en ziekteregeling te treffen door wekelijks een bedrag daarvoor af te dragen. In 1952 werd door de landelijke bond een ziekte- en ongevallen- en overlijdensverzekering opgezet en in 1955 een pensioenregeling. Maar er was ook tijd voor gezamenlijke uitstapjes zoals uit onderstaande foto blijkt. Soms had men ook gastsprekers op de vergaderingen en meestal waren dit afgevaardigden van de Friese Bond. Een regelmatige aanwezige was C. Boonstra, melkboer uit Leeuwarden, de vader van de voormalige voorzitter van de Raad van Bestuur van Philips, oprichter van de Friese bond van Zelfstandige Melkhandelaren en later voorzitter daarvan. Hij was de drijvende kracht achter de Friese organisatie. Maar er kwamen ook wel eens vertegenwoordigers van een bedrijf die probeerden hun producten bij de melkventers onder te brengen. Zo kwamen ook eens twee heren van Sterovita hun koffiemelk aanprijzen. Als lokkertje was met de Friese bond overeengekomen dat per verkochte 1/2 liter fles 1 cent in de kas van de oudedagsvoorziening zou worden gestort. Na het verkooppraatje werden tijdens de vergadering 6 flessen koffiemelk verloot. Maar ook Boonstra propageerde wel eens een product zoals bijvoorbeeld de keer dat hij adviseerde om Nutricia koffiemelk op de kar te houden doch ook om Friese Vlag te leveren als daarom gevraagd werd. Dit laatste om de goede relatie met de leverancier in stand te houden. De marges Ook een terugkerend onderwerp op de vergaderingen waren natuurlijk de prijsontwikkelingen en met name de marges voor de venters. Hierin hadden de provinciale- en landelijke organisaties een belangrijke rol tegenover de zuivelfabrieken. Boonstra was ook de man die het initiatief nam om in 1963 een centrale inkooporganisatie, de ZHM (Zuivel Handel Maatschappij) op te richten. Hiervoor werd in Irnsum een pand neergezet dat in mei 1965 door de Commissaris der Koningin Mr. Linthorst Homan werd geopend. Achtergrond voor deze stap was de opkomende concurrentie van de grootwinkelbedrijven. Maar er zat ook achter dat via afspraken met leveranciers er meer financiën beschikbaar kwamen voor de algemene voorzieningen voor overlijden, ziekte en de oude dag. Boonstra dringt er dan ook op aan om zoveel mogelijk bij de ZHM te bestellen. De latere leverancier van zelfbedieningswagens, de firma Spijkstaal droeg ook bij in de sociale kassen van de Friese Bond. Naast het meerderheidsbelang van de Friese bond had de CCF een minderheidsbelang in de ZHM. Schaalvergroting Een eerste dreiging van de winkelbedrijven komt naar voren op een vergadering in 1965 waar ervoor gepleit wordt om op één dag in de week voor twee dagen uit te venten zodat er wekelijks een vrije dag aan kan worden overgehouden. Boonstra waarschuwt ervoor dat er papierverpakkingen op komst zijn die gemakkelijk in de winkel verkocht kunnen worden waardoor de omzet van de melkventers terug zal lopen. In 1968 wordt gemeld dat men in Joure nog geen last heeft van de kruidenierwinkels maar in St. Nicolaasga wel. In 1969 is er voor het eerst op de vergadering sprake van zelfbedieningswagens die blijkens informatie van Zondervan (de 2de voorzitter van de Friese Bond) goed draaien. De ‘Cash en Carry bedrijven’ zullen naar zijn mening zichzelf wegconcurreren en voor melkproducten in de supermarkten hoeft men als venter niet bang te zijn behalve als deze vlak bij hoogbouw gevestigd zijn.  SRV In 1972 valt voor het eerst de term ‘SRV’ (Samen Rationeel Verkopen, een coöperatie ontstaan door fusie van inkooporganisaties). In datzelfde jaar wordt de VEGE winkel in Langweer op de vingers getikt omdat deze normaal Frico melk verkoopt maar tegelijkertijd met DOMO-melk stunt en dat mocht niet. In 1973 (nog maar 4 jaar na de geruststellende woorden van Zondervan) komt naar voren dat de concurrentie van de supermarkten ernstig wordt. In de notulen valt zelfs de term “vermoorden”. In Friesland is het marktaandeel van de venters teruggelopen van 100 % naar 86 %; landelijk is er zelfs een daling naar 50 %. Tijdens de laatste genotuleerde vergadering op 3 april 1973 wordt afscheid genomen van Sjoerd Hoekstra als voorzitter omdat hij zijn melkhandel heeft afgestoten en geen lid meer is van de Friese Bond. In een naschrift van de secretaris wordt vermeld dat Hoekstra gedurende 27 jaar voorzitter is geweest. Hierna stoppen de notulen abrupt; er wordt met geen woord gerept over het samengaan met de afdeling Heerenveen. Anekdotes Tot slot nog enkele leuke ervaringen die uit de gehouden gesprekken naar voren kwamen zoals de gewoonte in de detailhandel om geloofsgenoten te begunstigen met de klandizie. Een mooi voorbeeld daarvan is dat een gereformeerde klant 's ochtends een emmer klaarzette waarin achtereenvolgens de gereformeerde, de hervormde en de atheïstische melkventer resp. 1 ½, 1 en een 1/2 liter melk mochten deponeren. De melkboer was soms ook eerder op de hoogte van gezinsuitbreidingen dan anderen doordat er plotseling karnemelk werd gekocht. En ik weet niet of de term u bekend is maar Meester de Haan van de Wumkesschool bestelde altijd 1 pegel karnemelk (ofwel ¼ liter). In de tijd dat Piet Hoekstra een SRV wagen had, werd hem het brood geleverd door bakker Breimer. Op een gegeven moment kwam het regelmatig voor dat het aantal broodjes minder was dan Breimer in rekening bracht. Volgens Breimer lag de fout niet bij hem en dat bleek later waar te zijn toen Hoekstra erachter kwam dat hij 's ochtends te maken had met een hongerige krantenjongen.

Joure rond De Merk De omgeving van de huidige Merk, oftewel de vroegere Enkele Regel, het meest oostelijke deel van de Midstraat, heeft in de afgelopen jaren een complete metamorfose ondergaan. De huidige situatie weer zoals die na diverse reconstructies is ontstaan: een pleinafsluitende gevelpartij die langs de noordzijde van de Merk doorloopt tot om de hoek van de Elias Annes Borgerstraat. Hoe de situatie aan die zijde is veranderd, laten de diverse foto's zien. Van west naar oost gaande, stond naast de Aldi‑winkel het voormalige hotel, café en restaurant van Piet Reekers. Aan het begin van de twintigste eeuw stond het gebouw op een fraaie gekleurde ansichtkaart afgebeeld als: Hotel, Stationskoffiehuis en Stalhouderij S.D.Molenaar.  Sjoerd Dirks Molenaar had het etablissement in 1893 overgenomen van Pieter Hielkes Hielkema. De bijbehorende doorreed werd volgens de gevelsteen in 1897 gebouwd. De steen werd gelegd door (zoon?) D.S.Molenaar op 1 mei van dat jaar. Zoals op de foto is te zien, was aan de oostzijde een balkon aangebouwd voorzien van een fraai hekwerk. Zo rond de vijftiger jaren werd dit balkon tot serre omgebouwd. Wie de personen zijn die op de foto staan, is niet bekend. Voordat in Joure de tram zijn intrede deed, in 1882 de lijn naar Heerenveen, in 1886 de lijn naar Sneek en in 1901 de lijn naar Lemmer, was de grootste bron van inkomsten niet het horeca gedeelte maar de stalhouderij met omnibussen. Er waren dienstregelingen naar diverse plaatsen in de provincie. Door de komst van de tram liep de omvang van de paardentractie sterk terug waarom Moolenaar dan ook besloot om de stalhouderij gedeeltelijk af te schaffen. In 1906 verkocht hij zijn zaak aan Djurre Feitsma. In de doorreed kwam later een garage van Huisman en van der Werf (de voorgangers van Fa. Bakker en de Boer die later in de huidige Aldi een rijwielherstellerij en Ford autogarage hadden) De daaropvolgende eigenaren waren respectievelijk: Johannes Dirk Bijkersma, Fokke Minnesma, zoon Meine Minnesma. De laatste (daadwerkelijke) uitbater was Piet Reekers. Vele Jousters en oud‑Jousters zullen goede herinneringen hebben aan het bekende etablissement. Vooral op Jouster Merke Tongersdei was het binnen altijd mudvol. Er kwamen dan stempels in de benedenzaal te staan om de vloer van de bovenzaal te stutten om het gewicht van de feestvierende mensenmassa veilig te kunnen dragen. Dansleraar Piet de Boer heeft er ook nog jarenlang samen met zijn echtgenote aan oud en jong dansles gegeven in de bovenzaal. Het einde van het horecabedrijf was verre van fraai te noemen. Reekers had geen opvolger voor de zaak terwijl er fors geïnvesteerd moest worden. Hij verkocht daarop in 1993 het hotel aan Dutch Business Trading uit Utrecht. Zij zouden het pand grondig verbouwen en moderniseren om er een familiehotel van te maken. Het bleek echter dat D.T.B. bij een drugsaffaire en het witwassen van drugsgelden was betrokken waarop Justitie beslag legde op het pand. Uit veiligheidsoverwegingen en om de lieve jeugd buiten te houden, werden, in afwachting van de rechtszaak, de ramen en deuren dichtgespijkerd. Het gebouw werd zodoende ‘een schandvlek voor de Flecke’, zo schreven de kranten in 1994. In mei 1996 kon de graffiti spuitende jeugd van de Flecke zich een halve dag uitleven op de planken van de dichtgespijkerde ramen en deuren. Onder de bezielende leiding van Lipkje Ferwerda werd een wedstrijd gehouden wie de mooiste schildering wist te maken. Uiteindelijk is het hotel, nadat er verschillende keren brand was gesticht, in 1998 afgebroken.

Boerderijen in en rondom Joure Deze herinneringen van Henk Minnema (2000) schetsen een levendig beeld van de vele boerderijen en koemelkerijen die in de twintigste eeuw in en rond Joure stonden. Het verhaal volgt de oude wegen, stegen en paden, en beschrijft per locatie welke boeren er woonden, hoe zij leefden en hoe de omgeving veranderde door ruilverkaveling en woningbouw. Aan de oostkant van  Joure stonden diverse kleine en middelgrote bedrijven, zoals de boerderij van Bertus Visser, die later een eethuis werd. Achter stegen en werkplaatsen bevonden zich stolpen en stallen van onder meer Johannes Hooghiemstra en Eelke de Boer. Veel boeren haalden hun melkgeld zelf op in het dorp, zoals Liuwe Mulder en Ype van Keimpema. Van deze laatste werd de boerderij later gesloopt en in oude stijl herbouwd als dokterspraktijk. Verderop lagen bedrijven van families als Bergsma, De Jong, Van der Zee en Yntema. Over Douwe Yntema vertelt Minnema een persoonlijke anekdote over de brug bij Remagen: “Zie Henk, die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen.” Veel van deze boerderijen verdwenen door uitbreiding van Joure of brand, of werden verplaatst naar de Haskerveenpolder. Ook aan de noordkant van de Midstraat en langs de Scheen stonden talrijke bedrijven, vaak met hooibergen, kleine stallen of kop-hals-rompboerderijen. Namen als Huitema, Klompmakker, Minnema, Ypma en Grondsma komen voorbij. Sommige boeren hielden slechts enkele koeien of paarden; anderen hadden loonwerk of veekoopmanschap erbij. In Westermeer, het oude hoofddorp, stonden eveneens meerdere boerderijen, waaronder die van Sjoerd Minnema, de familie Landman en Ymke Baaiema. Het gebied veranderde sterk door de aanleg van autowegen en ruilverkaveling, waardoor veel bedrijven verdwenen of verplaatst werden. Samen vormt het document een warm, gedetailleerd tijdsbeeld van het agrarische leven rond Joure, vóórdat modernisering en uitbreiding het landschap ingrijpend veranderden. Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure (Complete artikel Deel 1) Hendrik Cornelis Minnema, (Henk) geboren 22 oktober 1926 te Blauwhuis en overleden op 22 maart 2003 te Heerenveen. Gedurende het grootste deel van zijn jeugd woonde hij aan het Binnenpad op de boerderij achter het kerkhof van Westermeer. Na zijn diensttijd die hij in Nederlands-Indië doorbracht, trouwde hij en werd boer in Vegelinsoord, aan het kanaal. (Meenscharweg). Na de ruilverkaveling aan de Vegelinsweg op een nieuwe boerderij.  Toch lag zijn belangstelling uiteindelijk ergens anders: het toneel en wel Tryater, waar hij diverse functies heeft vervuld en ook een aantal keren een rol toebedeeld kreeg. Hij had een brede belangstelling en na zijn pensionering begon hij te schrijven o.a. over de boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure. Zijn weduwe, mevrouw T. Tuinstra te Drachten, heeft mij toestemming gegeven dit artikel te publiceren met vermelding van zijn naam Theo Mulder. Is Joure een oude naam, een oude plaats? Och, vergeleken met een mensenleven wel, maar in vergelijking tot de natuur en leven nog maar een nieuwe plaats. Trouwens het dorp Westermeer nu dat niet meer bestaat, was nog iets ouder. Daar woonden de mensen vroeger omdat daar wat hogere zandgronden waren. Daar konden ze droge voeten houden omdat de gronden daar boven de zeespiegel lagen. In 1825 had het zeewater bijna tot Joure gestaan. Toen lag de Hoge Zomerdijk daar al die het zeewater keerde. De dijk liep tot aan de Slachtedijk en zo verder naar het noorden zodat een flink deel van oostelijk Friesland niet overstroomde. Dat lag trouwens ver boven de zeespiegel nadat het hoogveen verveend was. Op die gronden was het volgens de bewoners daar niet te boeren. In Westermeer dan wel? Och de boekweit, de haver en korenvelden lagen op de hogere gronden Daar tussenin werd het vee geweid en stonden de boerderijen, veelal aan het Binnenpad zoals dit pad later werd genoemd. De hooilanden lagen verder weg in de tegenwoordige Haskerveenpolder. Vaak was er wel heel veel land bij die boerderijen soms wel 200 pondemaat (1 pondemaat=36,74 are). Boze tongen zeiden wel eens, dat als er genoeg hooi was en het weer werkte niet mee, de boer niet alle jaren in het verste land kwam. Het vervoer was vroeger wel eens een probleem, vooral 's winters. De zandpaden, dat ging nog wel. Maar om van Haskerhoarne naar Nijehaske te gaan (nu Heerenveen) was moeilijk in de winter, door de weke veenpaden in Oudehaske. Over het water was dan een uitkomst en ja, tot het eind van Westermeer, zover kwam het water. Op de laatste zandkop bij Westermeer hadden de mensen destijds een kerk neergezet met natuurlijk een kerkhof er omheen. Ook in die tijd gingen de mensen al dood. Van de eerstgenoemde staat alleen de toren nog, wat het andere betreft daar ligt iedereen nog even rustig. De boeren wilden de dingen die ze over hadden natuurlijk wel verkopen, zoals vee, boter en kaas, maar ook boekweit en haver. Omdat de infrastructuur in die tijden niet optimaal was, zetten ze hun haver en zo in de buurt van het water aan bulten, dan kon het als het gedorst werd, afgevoerd worden. Er zijn altijd mensen die handel ruiken, ook vroeger al. ”In gat in de merk” en gingen wonen in de buurt van die haverbulten. Waar er één is, komen er meer, zoals ambachtslieden. Een smid, een timmerman en zo meer, mooi op een rijtje en tegenover elkaar. Dat pad er tussenin noemen ze tegenwoordig de Midstraat. Omdat het vervoer nog meestal over het water ging, zorgden de mensen wel dat aan beide kanten achter het huis een flinke brede sloot gegraven werd. Velen bouwden ook een stal achter hun huis. Het hele jaar door was er niet altijd handel en dan hadden ze tenminste nog een paar koeien om van te leven in de slappe tijd. Zo door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen wonen. Er kwamen ook stegen bij, die natuurlijk dood liepen bij de sloot of kolk. In zulke stegen konden ze voor een paar centen een kamer met een klompenhokje neerzetten, waar ze de arbeider onderdak geven konden. Ook de arbeidersmensen van de boeren uit Westermeer woonden zoals het schijnt liever op de Joure. De naam Haverkamp was te lang, dus hadden ze het kamp al vallen laten. Veel arbeiderswoningen stonden er later in Westermeer ook niet meer. Allen trokken naar de Joure. Zelfs kerkgangers, dus werd er ook een kerk gebouwd en ze lieten de eigen kerk ‘fertutearzje’. De kermis en de cafés kwamen op de Joure. Het café op de Seewei heeft het trouwens nog lang volgehouden. (‘It heerlijk zitje’, red.)De toren van het kerkhof in Westermeer is het enige dat nog over is van de kerk. Vroeger en ook nog na de laatste wereldoorlog werd de klok buiten een begrafenis twee keer overdag geluid: om 11 uur `s morgens en om 4 uur ‘s middags. Om 11 uur kon de arbeider naar huis toe te eten en om 4 uur was het theedrinkers- en vervolgens melkerstijd. De werktijden begonnen ca. 1940 al te veranderen. De arbeider ging toen al om 12 uur naar huis. Ook het boerenleven in en om  Joure begon na de oorlog te veranderen. Ik ben zo eens nagegaan wie in mijn jonge jaren, dat waren de dertiger jaren, nog een boerderij hadden in en om de Joure. Dat waren heel wat. Winkeliers van de Joure moesten er voor een groot deel van bestaan, al was D.E. en meer industrie  in opkomst in de 19e eeuw. Ook  botenbouw, klokkenmakerijen en meubelmakerijen waren begonnen op de Joure. Daardoor werd de boerensector minder belangrijk. Zodoende zochten steeds meer boeren ander werk  of stopten met werken. Ze gingen ook naar grotere bedrijven en die kleine boerderijtjes waren vrij arbeidsintensief. Zoiets kon niet langer. Later was er veel land nodig om huizen te bouwen en straten aan te leggen. Ook kwamen er meer fabrieken. Er woont nu - en dan gepraat ik over de 90er jaren van de vorige eeuw geen boer meer in de Joure. Wie boerden er voor, in en na de oorlog in en om de Joure? Om te beginnen: de boer van Heremastate, zoals het gezegd werd. Niet dat deze man hereboer was, Hofstra, achter de winkel van IJsselmuiden aan de Appelwijk. In de steeg bij het DE-plein, richting de Kolk, boerde Durk van der Zee, kleine Durk; geen voet grond bij huis. De strontpream lag ‘s winters in de Kolk, en daar werd mest in gemengd. Van der Zee kwam altijd met veel nieuws uit de dorpskom thuis. In de regio tot aan de Torenstraat waren er wel meer met een veestalling, maar of er nog meer boerden in die tijd weet ik niet. Ale Bosma aan het water op de Krim had ook zo’n veestalling met hooiberging. Hij had er wel eens vee staan, meen ik. Verder boerde die met zijn broer Aise aan de Sluisdijk; dat werd later overgenomen door twee jongens van Aise. Dat waren ook de laatsten die er boerden; ze hielden op in de 80er jaren.Op de Sluisdijk zaten diverse boeren; of het er allemaal nog Sluisdijk heette, weet ik niet. Om te beginnen: Sipke Bosma woonde er op het spul waar eerst zijn vader Jan woonde. Via de verkaveling is S. Bosma na de Meenscharweg verhuisd, waar een nieuwe boerderij gebouwd is. Dan boerde er Sikke Soeting en later zijn zoon Germ. Ook hij verhuisde via de ruilverkaveling naar de Oude Geeuw. Zijn broer Gerrit werd kippenboer. Ytsen Stilma boerde er tot aan het eind van zijn boerzijn, met een ‘pôltsje’ land bij huis en verder alles ver weg. Hij haalde ook wel schillen en oud brood op in Joure. “Altijd zie ik het na op scheermesjes en zo”, zei hij wel eens. “Anders erg goed vreten voor de dieren”, was hij van mening. Ook Geert Jongsma woonde er; hij is via de ruilverkaveling verhuisd naar de Wyldehoarnstersingel. Dan nog voor de brug in de Slûsdyk: Piet van der Laan en later zijn zoon Roel. Roel van der Laan ging later na het wonen en boeren naar de Skarren. Er moet ook een de Jong in de steeg bij Marten Bosma, de winkelier op ‘t Zand voor de Torensteegbrug, gewoonde hebben. Die zat aan het eind bij het water van de Schipsloot en had land in de Haskerveenpolder. Dan op naar Eigen Haard. Eerst Oene Loopstra, met zijn zoon Rienk, die wat slecht lopen kon. Ze hadden een stuk of zes koeien, die een beste sloot melk gaven. Oene had het wel over de middelste stal, over de tweede stal van boven en dan weer over de tweede stal van onderen, maar dat was wel altijd dezelfde stal. En dat die koeien een sloot melk gaven; maar dat waren dan wel altijd dezelfde koeien. Een eindje verder boerde Boudewijn van der Werf, bij de Penninga`s molen. Deze boer stond bekend om zijn stevig gebouwde dochters. Dan naar de Slachtedyk, waar Bernardus Holtrop boerde en later zijn zoon Gerrit. Deze boer en koopman is later door D.E. naar de Woudfennenn ‘gedacht’. D.E. wilde wel wat meer ruimte hebben voor fabrieksuitbreiding. In de Wâldfinnen wonen de Holtrops ook niet meer. Die boerderij is later verbouwd tot sauna. D.E. in de persoon van oude meneer Kees de Jong, beter bekend als ‘meneer He’, heeft zelf in de laatste oorlog ook nog aan de Slachtedijk geboerd. Dat ging vooral, omdat de bezetter bevolen had, dat boerenland in boerenhand moest, zodat alleen een praktiserend boer land mocht kopen. Dus werd meneer de Jong ook boer. Verderop naast de Zwagemervaart woonde en boerde nog Jan Hooghiemstra; zijn boerderij is ook door D.E ingelijfd. Bij Jan Hooghiemstra achter het huis een eindje de polderdijk langs met een bruggetje  over de Zwagemervaart boerde Rindert Brouwer nog. Vroeger stond ‘s winters het land eromheen meestal onder water. Deze Brouwer ging voor geen enkele hond aan de kant! Even buiten de Joure, aan de hedendaagse Vegelinsweg, stond vroeger de stolp waar Joost de Jong boerde; een gewaardeerde man en goede boer. Hij had als schooljongen met een paar maten, zo werd er gezegd, van de Tolhûsbrug af geprobeerd wie het verst kon pissen en dat had Joost gewonnen. Er zo kunt u daar een naam aan overhouden..... Wybren, zijn zoon, boerde er later, tot de gemeente de boerderij van het land afzonderde met een nieuwe weg. Daardoor vertrokken Wybren met zijn huishouding en vee. Van de boerderij is toen een bowlingcentrum gemaakt, maar een brand veranderde de zaak weer. Er moest weer opnieuw gebouwd worden en dat is ook gebeurd. Dan komt de hoek van de Torenstraat af naar het oosten aan de beurt. Bij Terra in de steeg, de Baanstege, stond de boerderij van Hendrik Gouma, ook wel Hendrik van Nuttert genoemd. Vele ouderen zullen hem/haar die vriendelijke man voor ogen halen kunt met zijn kedde voor de wagen. Dat beest werd meer dan 35 jaar oud en het was een groot verlies voor Hendrik toen het stierf. Midden in de Midstraat, tussen de beide torens in, stond de winkel van de dames Holtrop, met de bel aan de deur en waar de zakken met erwten en bonen langs de kant stonden met omgerolde boveneinden. Alles was er volgens de klanten sfeervol. Achter die winkel en woning was de boerderij van hun broer Wobbe en zijn zoon Herman (Manus). Wobbe Holtrop herinner ik mij, niettegenstaande zijn tegenslagen in het leven, als een fleurig man. Als het tegenzat met het weer in de hooitijd, dan was zijn opmerking, dat hij het hooi niet eerder nodig had dan in november. Ook zijn bijbelkennis verliet hem nooit. Als hij met een koe bij onze stier kwam en laatstgenoemd beest kwam, zoals gewenst was, omhoog, dan hoor ik hem nog zeggen: “Klimt op tot de bergen van Sion en luidt de klokken van Jericho!”. Van Herman werd gezegd, dat als het in de herfst koud was hij lang de wanten aanhield. Ook deze boerderij is in samenwerking met de ruilverkaveling buiten de Joure gebracht.

Boerderijen en koemelkerijen in en rondom Joure   (deel 2)                      We beginnen deel 2 achter slager de Jong (nu kledingwinkel TerStal) daar stond de boerderij van Bertus Visser. Die staat er nu nog steeds maar is nu restaurant Wok Ming. Deze boer had in tegenstelling tot de meeste Jourster boeren het land dichtbij huis liggen. Er moet ook achter de wagenmakerij van Eit van der Meulen, waar Huitema nog nieuwe wagens en kruiwagens maakte, ook een Huitema geboerd hebben. Ik weet wel dat daar een veestalling met een hooiopslag erboven achter de wagenmakerij stond. Dan heeft bij garage Schootstra de stal van Marten Ulbus de Vries gestaan voor zover ik weet. Later had hij in Westermeer op hun land een nieuwe stal met woning gebouwd.  Achter de garage van Bakker en De Boer in de Houtmolensteeg stond de stelp van Johannes Hooghiemstra die daar met zijn zuster tante Hanny woonde en boerde. Erg vriendelijke mensen. Oom Johannes, is mij wel eens verteld, is vrijgezel gebleven omdat hij niet krijgen kon wie hij graag hebben wilde. Achter de Nutsbank (nu de Jongens van Joure) heeft vroeger ook een stal gestaan waar Eelke De Boer nog vee heeft gehad. Als knecht had hij een zekere Jan (Kin) Oenema. Achter de woningen van de Patrimoniumstraat kwam eerst de boerderij van Lieuwe Mulder, direct aan de Overspitting, zijn melkbussen staan op de foto rechts. Erg goede mensen maar het was beter dat Lieuwe niet te vaak van het erf kwam. Hij mocht graag het melkgeld zélf ophalen bij café Bijkersma. Zijn vrouw Klazien redde zich lang met mesten en kuilen als ze maar op tijd wat tabak tot haar beschikking had. De boerderij is gesloopt en weer in dezelfde stijl opgebouwd waarna zich er een artsenpraktijk en apotheek vestigden. Op het land werden huizen gebouwd. Verderop, een eind het land in, boerde Ype van Keimpema. Die haalde ook het liefst zijn eigen melkgeld op. Daar is ook wel iets voor te zeggen want dan kom je ook nog eens van het erf af. Nadat zoon Sytse nog menig jaar boerde, heeft de gemeente het geheel gekocht Tussen de beide eerdergenoemde boerderijen stond de boerderij van Jan Bergsma, later zijn zoon Johannes met zijn zusters. Dat is allemaal verdwenen. Deze boeren ken ik nog door hun span witte paarden, Ze hadden veel land aan de Hoge Zomerdijk waardoor ze over de Scheen kwamen. Verder naar het oosten op het eind van de Oosterstraat (‘Skythúsbuert’) aan de andere kant van de Overspitting woonde en boerde Tide Oene's de Jong. De boerderij staat er nog. Dat vond ik altijd een erg mooie stelp. Daar schijnt een brandje voeger ook aan meegeholpen te hebben. En dam verder, over de tuin van Sippe Zeldenthuis een eind het land in, woonde Feike van der Zee: niet zo’n grote boerderij met een dubbele woning ervoor. In de andere helft woonde eerst Sierp Vlucht, een erg goede arbeider die niets wilde weten van moderne dingen en die tot zijn einde een carbidlamp op zijn fiets hield. Dat deed hij niet om op winteravonden naar het café  te gaan om wat vocht te tappen want in een café kwam hij nooit. Later woonden er Hoekstra’s als ik het goed heb. Elke dag en ’s zomers twee keer moest Feike de melk naar de weg brengen net zoals alle boeren die op het land woonden. Zijn wit paardje had een paadje uitgesleten in die lange reed naar voren. Deze boerderij is met zoon Jan via de ruilverkaveling naar Westermeer achter de vierbaansweg verplaatst. Weer een boerderij verder, maar dan aan de weg, de Geert Knolweg heet die nu,  maar vroeger was het de Heerenveensche weg, boerde Douwe Yntema. Eerst senior en later in 1945 junior. Waarom ik dat zo goed weet? Het waren onze buren. In het voorjaar van 1945 kwam ik eens bij buurman senior. De geallieerden hadden juist de brug bij Remagen over de Rijn ingenomen. “Kijk Henk” zei hij in de schuur, “die plank aan de achterste paardenstal is van de vorige brug bij Remagen, uit de eerste wereldoorlog”. Douwe senior had jaren in Duitsland op boerderijen gewerkt en daar zijn geld verdiend. Toen jonge Douwe zo langzamerhand ook oude Douwe werd, kwam zijn zoon Theo op de boerderij, maar na de uitbreiding van Joure is hij naar Gaasterland vertrokken. Verderop is ook Rinze Buurma’s land ten prooi gevallen aan huizen en straten net als de tuinen van de Van Aalzums (de Kukken) en van Van der Heide. Buurman en zijn vrouw hebben nog een tijd op de boerderij gewoond totdat die afbrandde. Daar hebben ze toen een bungalow laten bouwen. Bouwgrond verkopen was niet zo’n onaardige bezigheid. Ook de tuin van Foeke Kootje was allang bebouwd. Daarachter, een heel eind het land in, boerde het gezin Aise Elgersma. Vandaar moest ook elke dag de melk naar de weg worden gebracht. Achter op het land was vanzelf geen waterleiding en elektrisch. Na Eise ging zijn zoon Steffen verder. Die is niet oud geworden. Hij stierf jong aan een slepende ziekte die hij niet kon overwinnen. Zijn vrouw is later weer getrouwd met een Hoogkamp. Na verloop van tijd legde de gemeente een weg voor hun boerderij aan, maar de boerderij bleef ‘Geen huizen’.  De jonge Aiso Elgersma groeide op en nadat ze jaren in samenwerking hadden geboerd met een klein bedrijfje in de Haskerveenpolder, had de gemeente ook interesse in hun grond en vertrok de jonge boer naar de Bilthoek. Nu, in het jaar 2000, worden er al allerlei huizen rond de boerderij gebouwd. Dan kwam Rients Huitema, dat wil zeggen: eerst de oude Rients van voor de oorlog. Die woonde daar met een tweeling uit een eerder huwelijk, namelijk Jeltsje en Nammele en verder twee kleinkinderen, Rients en Dora Huitema, kind van een andere zoon van opa Rients. Na de oorlog trouwde Rients en boerde daar verder tot, nou ja, bijna zoals iedereen, zolang het kon. De ruilverkaveling had tot gevolg dat het land bij huis kwam te liggen en later had de gemeente het weer nodig. Iedereen wilde zeker graag in Joure wonen. Voorbij Huitema, een eind het land in, woonden de Klompmakkers en die boerden daar natuurlijk ook. Die zijn ook via bemiddeling naar een andere boerderij in de Haskerveenpolder verhuisd. Aan deze kant van de weg als laatste, maar dat is eigenlijk al Haskerhorne, stond nog het spul van Benjamin Kok, aan de Wildehornstersingel. Dat hoorde vroeger met de andere boerderijen aan de Wildehornstersingel tot het Baron Rengers bezit, zoals dat genoemd werd. Kok had er ook een varkenshouderij bij. Dat waren dus de boerderijen aan de noordkant van de Midstraat en de Geert Knolweg. Vanaf Heremastate, de Harddraversweg op kwam eerst Lútsen de Vries, later de aardappelhandel van de jongens van Doeke Brouwer. Lútsen de Vries was er ook veehandelaar. Achter de koeien had hij zijn eenden. Zijn zoon Gjalt heeft nog een poosje verder geboerd, maar is toen de oceaan overgegaan. Een stukje verder de Harddraversdijk op, achter het vroegere distributiekantoor uit de oorlog, werkte Jolle Bosma. Het land daaromheen werd als eerste voor woningbouw gebruikt. Bij het oude gemeentehuis, nu verpleegtehuis, stond in de steeg ook een stal waar Thomas Hoekstra, de baardman, gewerkt heeft. Hij had er ook wat sleepwerk bij. Deze man is naar de Haskerveenpolder vertrokken. Daarna moet er een timmerman in dat gebouw gezeten hebben. In de Simensteeg, later de Hobbe van Baerdstraat, werkte Marten van der Laan. Hij is na de oorlog naar Amerika gegaan. Het schijnt dat het hem daar goed is gegaan, te zien aan zijn harddraverprijs bij de Joustermerke draverijen. Mooi toch! Even iets verder, direct over een brug, kwamen we het huis met hooiberg en veestalling van Kees Minnema tegen. Het huis staat er nog. Kees Kluutsje werd hij daar wel genoemd. Bij het koeien verweiden, zei een jongen die op de weg stond, een keer: “Kijk, die man heeft een vinger in de nek”. Later is die weggehaald. Dit huishouden belandde na wat rondzwerven ook in de Haskerveenpolder. Aan de Simensteeg, later de Hobbe van Baerdstraat, stonden ook allemaal kassen, de zogenaamde 'glascultuur'. Dit was het eerste uitbreidingsplan van De Jouwer. De kassen zijn toen verplaatst naar een plek in Westermeer, achter Jamja. Er schijnt ook een Haitse van der Zee in de Simensteeg gewoond te hebben, maar of dat zo is, weet ik niet. (Haitze van der Meer zal hier bedoeld worden, red.) De volgende steeg werd de Zylstrasteeg genoemd. Aan het einde daarvan kwam men uit op Klein Luchtenveld, waar Ynze Heida boerde. Een intelligente man met een stijve voet. Iedereen probeerde op zijn eigen manier door de tijd te komen. Zijn vrouw Styn stond meestal naast hem. Langs Klein Luchtenveld lag ook het looppad van Jelle Bouwhuis en zijn huishouding. De boerderij stond aan de Hoge Zomerdijk tussen een grote appelboomgaard. Een van de jongens (en dat waren er nogal wat) heeft later het bedrijf overgenomen: zoon Egbert. Door de Slachterssteeg, genoemd naar slager Ysbrandy, die vroeger aan de Midstraat zijn zaak had, kwam men in het grootste deel van de Zuidwestpolder. Die waterde af naar de Haskerveenpolder via een windmotor naast het Rooms-katholieke kerkhof. Piet van der Laan heeft mij wel eens verteld dat hij begon te boeren met een paar koeien in een stal naast de Rooms-katholieke kerk. Hij huurde die van Wietske Tadema. Hij kon daar komen via een smalle steeg tussen de groentewinkel van Sippe Zeldenthuis en de bakkerij van Cath, nu café en snackbar. De groentewinkel staat er niet meer, is nu Pastorielaan en haar bestrating. Door de steeg bij de smidse van der Meulen en langs de fabriek van de Vrij kwam men op de oude ijsbaan aan de oostkant van het Theresiahuis. Hier woonden in mijn tijd al geen boeren meer, net zo min als in de Driessenstraat. Wat oudere mensen kunnen zich misschien nog Bene Moed herinneren. Die haalde met zijn paard en grote wagen met ijzeren hoepels op de wielen altijd goederen van het tramstation, later van Gend & Loos. Heel vaak is die man met zijn rijtuig door de Midstraat gekomen. Net als Tsjalling Veldhuis, met zijn paard met oogkleppen, wat hem uiteindelijk nog noodlottig werd. Zo'n dier was niet bepaald vriendelijk, ook al droeg hij oogkleppen. Als kinderen mochten wij nooit meerijden, (liften zeggen ze tegenwoordig) achter op zijn wagen. Dat vond de man, Bene Moed, niet leuk. Dan komt de Scheen. Naast en achter ter Huivra stond een schuur, het voormalige koetshuis van Jonkheer Vegelin enz. Later huisde in dat grote huis notaris van der Werf. Daar groeiden lekkere appels in de tuin. In die schuur werkte in mijn jongensjaren oude Roel van der Laan. Die man liep toen al niet meer zo hard, maar dat had met zijn leeftijd te maken. Daarna kwam Evert Yntema uit Snikzwaag hier wonen met zijn zoon en schoondochter en in het begin ook te boeren. Zoon Piet had daar later geen koeien meer, maar veel paarden. Hij had er een sleepbedrijf van gemaakt. Dat hele complex is later afgebroken en daar is een huishoudschool gebouwd. Even verder het Binnenpad in vanaf de Scheen stond de boerderij van Ysbrand Kornelis, onze buren. Daar zaten we nooit in de appels, want dat waren zulke aardige mensen. Hun zoon Jelle, een jonge weduwnaar, woonde met een dochter bij hen in. Hij heeft na de oorlog, nadat de boerderij eind '44 afgebrand was met al het vee erin, verder geboerd en is ook weer getrouwd. Naast en achter deze boerderij viel stadig aan steeds meer land weg voor nieuwe huizen. Op het laatst molk 'Jelle Buur' alleen op zomerdagen nog maar.  In 1999 is, wat er nog van ’t gebouw over was, afgebroken. Verderop aan de Scheen heeft Julius Ypma ook nog een paar koeien gehad en daarnaast paarden. Hij had daar een loonbedrijf. Ook Bouke van der Wal is daar aan de Scheen begonnen. Halverwege de Scheen op ‘het kale einde’ hadden Loopstra aan de oostkant en Hindrik van Nuttert aan de andere kant een stukje land, waar ze meestal molken en soms maaiden. Een stukje richting het eind van de Skien heeft ook nog Rienk Grondsma, een stevige, zeg maar grove man, geboerd. Dat was aan de oostkant. Hij woonde niet bij de veestalling. Aan het eind van de Scheen boerde Hindrik Minnema en later nog even een zoon van hem. Dat was toen trouwens al een andere gemeente, namelijk Doniawerstal. Aan het eind van de dertiger jaren is de eigenaar, Bernardus Holtrop, zélf weer op die boerderij gegaan, met zijn dochter en schoonzoon, Jeep Hoekstra. Holtrop was een zeer sympathieke man en had nogal eens een functie. Daarbij stond hij bekend om zijn grote neus. Nardus Noas is dan ook geen scheldnaam maar een constatering van een feit. Dan Westermeer, de hoofdplaats in vroeger tijden, waaruit later Joure ontstond. Achter het grote kerkhof met zijn toren woonde Sjoerd Minnema, met vrouw en kinderen, waarvan ik er ook één ben. In 1932 kwam Sjoerd Minnema in Joure wonen. Daarvoor woonde daar een Hiemstra. Die man was niet zo groot en toen de landeigenaar de boerderij wat liet verbouwen, - de koeien werden groter - vroeg hij of het bijgebouw ook hoger moest. Dat vond Hiemstra niet nodig. Maar toen grote Sjoerd kwam, wilde hij wel dat het iets hoger werd. We hebben vaak met ons hoofd tegen de zolder gezeten! Onze ouders hadden negen dochters en drie zonen. Dat laatste was minder belangrijk, maar dat eerste had tot gevolg dat het stukje Binnenpad naast het kerkhof het Minnema bosje werd genoemd, want iemand anders zijn zoon kwam wel op die dochters af. Ook deze boerderij bestaat niet meer. De opvolger Jouke heeft ook in de Haskerveenpolder een andere boerderij gekregen. Een stukje verder in Westermeer lag weer een reed naar achteren, langs de Miente. Dit stuk land is tijdens de oorlog meestal volkstuin geweest, waar veel Jousters gebruik van maakten. Halverwege lag de woning met ernaast de boerderij van Otto de Jong. Dat was van oudsher ook een veeboerderij geweest, want er zat nog een melkkelder onder het woonhuis. Daarvoor ging men het Binnenpad linksaf en kwam men bij een zogenaamde koe melkerij, een kleine stal met een hooiberg en een paar percelen land. Daar woonden vroeger Jan van der Veen met zijn vrouw, in mijn tijd al stokoude mensen, met één koe. Toen zij stierven, een paar jaar na elkaar, wilde Van der Veen dat zijn vader de koe erbij nam. Dat is ook gebeurd, maar het dier heeft zich nooit thuis gevoeld tussen de koppel. Daarna heeft Hein Mink daar gewoond en geboerd. Hij was daarnaast ook veekoopman. Na Mink is Arie de Boer daar begonnen. De volgende boerderij, maar ook weer een eind van de weg af, was een kop-hals-romp boerderij met een geel voorhuis. Daar woonde Arjen Landman. Zijn pruimpje hoorde bij hem als hij buiten was. Deze mensen hebben op een bepaald vlak nogal wat tegenslag gehad. Maar op den duur hebben ze toch nog een zoon gekregen. Die kon ook weer via de ruilverkaveling verder boeren in Haskerhorne. Daarna kwam de stal van Ymke Baaiema, ook weer met de achterkant naar het Binnenpad. Daar vlakbij stond ook nog een arbeiderswoning; daar woonde vroeger een Roel Oosting. Halverwege de jaren dertig was al een begin gemaakt met een autoweg. Het einde van Sneek naar de Joure was voor de oorlog al klaar, net zoals het einde van de Scheen naar de Sewei; dat laatste einde liep tussen de boerderijen van Baaiema en Ids Bakker door. Het Binnenpad liep toen nog over die weg heen. Toen de weg vierbaans werd, is dat pad vervallen. De boerderij van Bakker staat er nog. De dochter en schoonzoon van Bakker, Minkes, hebben er nog geboerd. Het land is verkocht nadat Minkes vertrokken is. Nu dient de boerderij nog als woning. Sipke Woudstra zijn boerderij staat er ook nog, achter de rijksweg. Daar is Jan van der Zee naar toe getrokken vanuit het achterland. Hem en zijn vader Feike heb ik eerder genoemd aan de noordkant van de Geert Knolweg. Daarna kwam nog de boerderij waar vroeger Foeke Siebesma woonde, een oude kop-hals-rompboerderij. Die stond ongeveer op de plek waar nu de vierbaansweg naar Lemmer ligt.  Als laatste in Westermeer Kees Hanje, ook weer aan het Binnenpad. Dat Binnenpad was een openbare weg. Dit Binnenpad liep naar het Nannewijd toe, maar liep in de Middeleeuwen nog door naar Nijehaske en verder naar Oudeschoot. Deze openbare weg is in de ruilverkaveling opgeheven, omdat er twee autowegen doorheen kwamen van Joure tot aan de Sewei. Hanje heeft in de ruilververkaveling ook nieuw gebouwd in de Haskerveenpolder. Er bleef niet genoeg land voor hem over bij het oude huis. B. van der Wal is vanaf de Scheen daarheen verhuisd. Het gebouw is onlangs afgebrand. Het was ook al geen landbouwbedrijf meer.  Dit waren in het verleden zo’n beetje de boerderijen in Joure en omgeving.

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

Een Jouster herberg oude stijl Het verhaal beschrijft de ontstaansgeschiedenis, bloeitijd en uiteindelijke teloorgang van de Jouster herberg ‘De Ster’, een etablissement dat bijna anderhalve eeuw een herkenningspunt was in de Midstraat van Joure. De geschiedenis begint bij Jan Harmens Bosma, geboren in 1838 in St. Nicolaasga. In 1865 vestigt hij zich in Joure als timmerman en trouwt hij met IJda Dirks Monsma. Kort na hun huwelijk nemen zij een kleine gelegenheid over waar men terecht kon voor een ‘dubbel maatje’. In 1872 wordt Bosma eigenaar van een herberg aan de Midstraat, waarvan hij de herbouw met stalling meldt. De herberg kreeg vermoedelijk toen de naam ‘De Ster’. Een advertentie uit 1903 vermeldt dat de herberg “voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd”, wat deze datering bevestigt. Opmerkelijk is dat Jan rond deze tijd zijn naam verandert in Johannes, waarschijnlijk om zijn status als herbergier te onderstrepen. De herberg bestond uit een gelagkamer en een bovenzaal die als logement diende. In 1882 krijgt Bosma vergunning om sterke drank te verkopen; in de aanvraag staat zijn beroep als “timmerman en tapper”. Achter de herberg bevond zich een grote stalling voor 25 paarden, strategisch gelegen nabij de katholieke kerk. De herberg fungeerde als ontmoetingsplek voor vergaderingen, verkopingen, bruiloften en begrafenissen. Grote evenementen zoals het Kroningsfeest van 1898 en de Onafhankelijkheidsfeesten van 1913 zorgden voor extra inkomsten. Een jaarlijks hoogtepunt was de Jouster kermisweek. Toen in 1891 werd voorgesteld de kermis te verkorten, verzette Johannes Bosma zich fel. Ondanks zijn protest werd de kermis vanaf 1892 teruggebracht van acht naar vijf dagen. Johannes en IJda kregen elf kinderen, van wie er meerdere jong overleden. Hun oudste zoon Theodorus (Dorus) Bosma bleef in Joure en werd timmerman. Hij speelde een belangrijke rol bij de verbouwing van een oude zuivelfabriek tot tabaksfabriek voor Douwe Egberts in 1912. Verschillende kinderen van Dorus vonden later werk bij dit bedrijf. In 1915 verkoopt Johannes de herberg aan Petrus Paulus IJsselmuiden, een kruidenier uit Franeker. De nieuwe eigenaar verandert de naam in ‘Café De Ster’. De tijdsomstandigheden zijn echter ongunstig: mobilisatie tijdens de Eerste Wereldoorlog, minder verhuur van de bovenzaal en de Spaanse griep drukken de inkomsten. IJsselmuiden staat bekend als stug en gehaast, terwijl zijn vrouw Antje juist vriendelijk en opgewekt is. Een bijzonder voorval is de vondst van aangespoelde wijnvaten van de ‘West Atleta’, die IJsselmuiden overneemt van stamgast Hendrik Kramer. Deze gebeurtenis leidt ertoe dat Kramers zoon Hendrik jr. trouwt met IJsselmuidens dochter Regina. In 1923 draagt IJsselmuiden het café onverwacht over aan Johannes Dirk Bijkersma, die het etablissement nieuw leven inblaast. Toch verlaat ook hij het pand in 1927, waarna het gebouw wordt verkocht aan Wijbren Taconis en een nieuwe bestemming krijgt als confectiezaak. Later vestigen zich er onder meer Halma Textiel, Gez. Bosma en vanaf 1972 de Hema. Zo eindigt de geschiedenis van een herberg die ruim een eeuw een centrale rol speelde in het sociale leven van Joure.  Een Jouster herberg oude stijl  (Het complete artikel) ‘De Ster’ en de stichter. Het zal wel altijd een raadsel blijven wat zo’n 140 jaar geleden voor een jonge boerenzoon uit St.Nicolaasga de drijfveer is geweest om zijn timmerkist te verruilen voor een tapkast in een Jouster herberg. Die boerenzoon was Jan Harmens Bosma, geboren op 3 juli 1838 in St.Nicolaasga. Zijn ouders waren Harmen Jelles Bosma en Marijke Ruurds Wierdsma. In 1865 veranderde in het leven van Jan Bosma zo het één en ander. Op 3 mei van dat jaar werd hij ingeschreven als inwoner van Joure. Als zijn beroep werd vermeld timmerman. Vier dagen later trouwde hij in Bolsward met IJda Dirks Monsma, geboren op 8 april 1840 in Leeuwarden. Het moet een ondernemend echtpaar zijn geweest. Weliswaar bleef Jan Bosma zich timmerman noemen, maar meteen na hun huwelijk beheerden zij samen tevens één van de vele ‘gelegenheden’ in de vlecke waar men terecht kon voor een zogenoemd ‘dubbel maatje’. Die gelegenheden waren niet groot, maar die van Jan Bosma was groot genoeg om er een veiling in te houden. Die werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant en vond plaats op 1 februari 1867 Het is niet duidelijk of het pand werd gekocht of gehuurd. Wel duidelijk is dat Jan Bosma in 1872 eigenaar was van een herberg aan de Midstraat, ongeveer halverwege de toren bij de R.K. Kerk en de Jouster Toren. Uit een register waarin veranderingen in gebouwde eigendommen werden aangetekend, lijkt dat hij op 23 mei 1872 ‘de herbouw van een herberg met stalling’ heeft gemeld. Ruim 30 jaar later was de herberg nog steeds zijn eigendom. Dat valt op te maken uit een advertentie in de Jouster Courant over de voorgenomen verkoop van ‘De Ster’ op 21 december 1903. Als bijzonderheid werd vermeld dat de herberg ‘voor 30 jaren geleden nieuw werd gebouwd en sedert dien tijd in eigen gebruik was bij Johs. Bosma’. De nieuwbouw was dus in feite de herbouw uit 1872 Aangenomen mag wel worden dat aan de herbouwde herberg de naam ‘De Ster’ is gegeven. De advertentie in de Jouster Courant levert nog een bijzonderheid op: Jan heeft zijn voornaam op eigen houtje veranderd in Johannes. Misschien vond bij die naam beter passen bij zijn status van eigenaar. Het tijdstip van de naamsverandering klopt ook met een ander gegeven. Tot 1873 werd bij de geboorte-aangifte van zijn kinderen de voornaam Jan gebruikt en bij de aangifte van de na 1873 geboren kinderen noemde bij zich Johannes. De aangekondigde verkoop van ‘De Ster’ ging in 1903 overigens niet door. Johannes Bosma zou nog 12 jaar lang herbergier blijven. Timmerman en tapper In 1882 kreeg hij vergunning om sterke drank in het klein te verkopen. Opmerkelijk is dat in de aanvraag als beroep wordt vermeld ‘timmerman en tapper’. Later is daar in een ander handschrift aan toegevoegd ‘herbergier’. Uit de vergunning zelf blijkt dat de herberg bestond uit twee ‘localen’. Dat waren gelijkvloers de gelagkamer en op de verdieping het logement. Voor de vergunning, die was gebaseerd op de huurwaarde, moest dat jaar een recht van Fl. 45.- worden betaald. De huurwaarde was nogal aan schommelingen onderhevig en liep terug van Fl. 290.- in 1882 tot Fl. 132.- in 1914. Het vergunningrecht daalde daardoor van Fl. 45.- naar Fl. 30.- per jaar. Wellicht valt daaruit af te leiden dat het met ‘De Ster’ tenslotte wat minder goed ging. Achter de herberg was een stalling die plaats bood aan 25 paarden. Dat was in die tijd een noodzakelijk verlengstuk van alle herbergen. De stalling van ‘De Ster’ was, in de buurt van de R.K. Kerk, gunstig gelegen. Boeren uit de omgeving die naar deze kerk gingen, zullen hun paarden wel gestald hebben bij hun broeder in het geloof. En na de kerkdienst was het natuurlijk goed toeven in de gelagkamer van ‘De Ster’. Zo ging het nuttige samen met het aangename. Over het reilen en zeilen van de herberg is niets bewaard gebleven. Het is ook niet te achterhalen of de herbergier tussen de bedrijven door nog timmerwerk voor derden heeft verricht. Wel wordt in de lijst van belastingplichtigen, die ieder jaar werd opgemaakt, steevast behalve de herberg ook een timmerschuur genoemd. Maar hoe dan ook, aangenomen mag wel worden dat de herbergier en zijn vrouw lange dagen moesten maken. Wat dat betreft, onderscheidde ’De Ster’ zich in niets van de andere herbergen in de vlecke. Allerlei kleine en wat grotere activiteiten speelden zich binnen de muren van die herbergen af: vergaderingen, verkopingen, bruiloften en ook begrafenissen. Het was vaak al laat als na een gezellige vergadering of spannende verkoping de laatste gasten vertrokken en dan moest natuurlijk nog wel het één en ander worden opgeruimd. Bijzondere feestdagen of -weken waren de krenten in de pap want die brachten veel volk op de been en over de vloer. Het Kroningsfeest in 1898, de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, turnfeesten, concerten, de weekmarkten en de voorjaarsmarkt, het waren stuk voor stuk evenementen die de herbergiers stuivers tussen de centen opleverden. Jouster-Merk Onbetwist hoogtepunt was natuurlijk de jaarlijkse Jouster kermisweek. In 1891 sprong Johannes Bosma dan ook als een bok op de haverkist toen een groep ingezetenen er bij het gemeentebestuur op aandrong de duur van de kermis in te korten van 8 naar 5 dagen. Samen met zijn collega-herbergiers W. Lijn van het Tolhuis, Johannes van der Heide van ‘De IJver’ en Dirk van der Feer van ‘Het Wapen van Haskerland’ en gesteund door een aantal winkeliers verzocht hij het gemeentebestuur dringend om de duur van de kermis niet te veranderen. De oproep leverde echter niet het gewenste resultaat op. Meteen in 1892 duurde de kermis nog maar 5 dagen, van de vierde donderdag in september tot en met de eerstvolgende maandag. Wellicht speelde bij de besluitvorming ook wel mee dat de direct belanghebbenden niet erg eensgezind waren. Twee bekende logementhouders, Gozen van Terwisga en Pieter Hielkes Hielkema hadden zich aangesloten bij de groep ingezetenen die 5 dagen kermis wel genoeg vond. In ‘De Ster’ zal veel werk wel op de schouders van Johannes terecht zijn gekomen. Zijn vrouw had regelmatig zwangerschapsverlof, zoals die tijdelijke afwezigheid nu wordt genoemd. Zij kreeg 11 kinderen, waaronder in 1878 een levenloos dochtertje en - als laatste - in 1885 een tweeling, waarvan een meisje levenloos ter wereld kwam. Haar broertje leefde slechts 4 dagen. In moeilijke tijden had zij, behalve van een dienstbode, veel steun van haar zuster Baukje, die geruime tijd inwonend is geweest. Twee dochters van Johannes en Yda zouden niet oud worden. De oudste, Maria Johanna, overleed op 15 februari 1908 op 41-jarige leeftijd. Zij was getrouwd met de Jouster koopman Jan Andries Hanzens en schonk hem 12 kinderen. Een jongere zuster, Baukje, werd 31 jaar. Haar man was Frederik Bernhard Poiesz. Zij hadden 2 kinderen. Verdriet is de familie Bosma dus niet bespaard gebleven. De stamhouder Veel kinderen Bosma verlieten Joure. Dat waren Ytje, geboren 1868, Geertruid (1871), Hermanus (1874), Berber (1877) en Tekla (1881). De oudste zoon, en dus tevens stamhouder, is Joure trouw gebleven. Over hem wat meer bijzonderheden. Vooral ook omdat zijn leven en werken een aardige afspiegeling was van de verhoudingen binnen de Jouster gemeenschap in de eerste 30, 40 jaar van de 20e eeuw. Theodorus Bosma, geboren 4 september 1871 en later beter bekend als Dorus Bosma, heeft op twee manieren de lijn van zijn vader doorgetrokken. Om te beginnen werd ook hij timmerman, maar bovendien trouwde hij met Kornelia van der Heide, een kleindochter van Durk van der Heide, herbergier in ‘De IJver’; op de hoek van de Enkele Regel en de Roggemolensteeg. De wellicht grootste klus van Dorus Bosma was in 1912 het verbouwen van een door Cornelis Johannes de Jong gekochte zuivelfabriek en olieslagerij aan de Zijlroede tot tabaksfabriek, koffiebranderij en theepakkerij. De opdrachtgever, die bekend zou worden als de tweede stichter van Douwe Egberts, schreef over de verbouwing in zijn dagboek: ‘Over Bosma, de timmerman, heb ik niet te klagen. Er wordt behoorlijk goed gewerkt’. Dat was een groot compliment uit de mond van een man die niet gewend was om met complimenten te strooien. De beide mannen konden het ook later goed met elkaar vinden. Het was dan ook bijna vanzelfsprekend dat enkele kinderen Bosma de weg naar Douwe Egberts zouden weten te vinden. Johannes Bosma vertrok in 1929 naar de vestiging van Douwe Egberts in Utrecht, Theodora (Dora) werkte 40 jaar op het D.E.-kantoor in Joure. Ook haar jongere zuster Martha vond daar werk. De oudste zoon, Willebrordus - voor de Jousters Wiebe - trad als timmerman in de voetsporen van zijn vader. De jongste zoon, Julius, is niet oud geworden. Op 22 februari 1944, hij was toen 29 jaar, kwam hij bij een bombardement van Nijmegen om het leven. Zijn laatste rustplaats vond hij op de R.K.-begraafplaats in Joure. De laatste loodjes We zijn even op een zijspoor terechtgekomen, maar zo gaat dat als mensen en momenten uit voorbije jaren tot de verbeelding beginnen te spreken. Nu dan echter terug naar ‘De Ster’. Daar werd het stil nadat in 1909 de laatste van de 8 kinderen was getrouwd en het ouderlijk huis had verlaten. Ingrijpend was echter vooral dat het met de gezondheid van de vrouw des huizes langzaam maar zeker bergafwaarts ging. Hulp was opnieuw geboden en die kwam van haar kleindochter Wilhelmina Hanzens. Na het overlijden van haar ouders, in 1908 en 1909 was zij in het ouderlijk huis blijven wonen. Daar namen tenslotte ook haar grootouders hun intrek, nadat op 12 november 1915 ‘De Ster’ was verkocht aan Petrus Paulus IJsselmuiden uit Franeker. De Jouster jaren van de nieuwe herbergier in ‘De Ster’ zijn goed voor een apart verhaal. Eerst volgen wij nog even Johannes en IJda Bosma op hun levenspad. Op 3 januari 1916 bereikte IJda het einde van dat pad. In de meimaand van 1922 vertrok Johannes Bosma met 3 kleinkinderen - Jan Johannes, Willebrordus en Ida Tecla Hanzens naar Leeuwarden. Zijn laatst bekende adres in de Friese hoofdstad was Groot Schavernek 13. Daar beheerden zijn dochter Geertruida en zijn schoonzoon Johannes Dominicus Ettema het hotel ‘Nieuw Duinkerken’. Johannes Bosma overleed 5 juli 1927 op de leeftijd van 89 jaar. In de overlijdensakte werd hij weer gewoon Jan genoemd. Terecht natuurlijk want dat was bijna 90 jaar lang zijn echte naam geweest. De teloorgang van herberg ‘ De Ster’  In het tweede nummer van dit tijdschrift is beschreven op welke manier zo'n 140 jaar geleden de Jouster herberg ‘De Ster’ van de grond kwam. Nu nog enkele bijzonderheden over de teloorgang. De herberg werd in 1915 eigendom van Petrus Poppe IJsselmuiden, elders ook genoemd met de voornamen Petrus Paulus. Tot dan toe was hij in Franeker kruidenier geweest. Hij stond daar overigens niet de ganse dag achter de toonbank. Dat liet hij vaak over aan zijn vrouw, Antje Postma. Zelf spande hij dan zijn kedde voor een volgeladen wagen en probeerde hij om ook in de omgeving van Franeker zijn kruidenierswaren aan de vrouw te brengen. Antje Postma was afkomstig uit Haskerdijken. Haar vader was daar zowel veehouder als kastelein. Zelf werkte zij voor haar trouwen in de herberg ‘De Twee Gemeenten’ in Irnsum en woonde daar ook. Poppe IJsselmulden, de vader van Petrus, was timmerman in Franeker. Zoon Petrus werkte in zijn jonge jaren bij een boer in Friens. Dat was aardig in de buurt van ‘De Twee Gemeenten’ en daar hebben Petrus en Antje elkaar dan ook leren kennen. Hun gemeenschappelijke herinneringen aan de herberg in Irnsum hebben wellicht een rol gespeeld bij de beslissing om na ruim 20 jaar in Franeker te hebben gewoond en gewerkt te hebben een nieuwe kans te wagen in de Jouster herberg ‘De Ster’. Zij waren op 3 mei 1894 getrouwd in de gemeente Hennaarderadeel en woonden daarna in Franeker, de geboorteplaats van de heer des huizes. Daar werden ook de 6 kinderen van Petrus en Antje geboren. Van Franeker naar Joure Naar Joure, 8 man en vrouw sterk. De nieuwe kastelein in ‘De Ster’ vroeg en kreeg, evenals zijn voorganger een vergunning voor de verkoop van sterke drank in het klein. De vergunning gold voor zowel de benedenlokaliteit (de gelagkamer) als de bovenzaal. De benaming ‘herberg’ verdween geruisloos uit beeld. Op een fietsenrek naast de toegangsdeur kwam ‘Café De Ster’ te staan. Het zou kunnen betekenen dat het café de belangrijkste bron van inkomsten was. Wat dat betreft, had men de tijd niet mee. De oorlog 1914‑1918 mocht dan wel aan ons land voorbijgaan, uit voorzorg werd wel de mobilisatie afgekondigd. Veel jongemannen, ook uit Joure, moesten hun burgerpakje ruilen voor de wapenrok. Bovendien werd de bovenzaal minder vaak verhuurd. Veel verenigingen zetten noodgedwongen hun activiteiten op een laag pitje. Na de oorlog werd het niet meteen veel beter. Ook in Joure heerste de Spaanse griep en dat was opnieuw een rem op cafébezoek. De kastelein had het daar maar moeilijk mee. Hij was toch al wat stug en gehaast. Alles moest meteen, niets kon wachten. Zijn vrouw was anders. Plezierig in de omgang en goedgemutst. Zo bleef het evenwicht bewaard. Maar toch, meevallers waren zeldzaam in die tijd. Een bijzondere meevaller Over een bijzondere meevaller staat een aardig verhaal in een speciale Kramerkrant, uitgegeven ter gelegenheid van de derde ‘Kramerdag’, een familiereünie, op 24 september 1995. Uit dit verhaal valt op te maken dat Hendrik (Kappie) Kramer in ‘De Ster’ een stamgast was. Op een goede dag zal hij daar ongetwijfeld hebben verteld dat zijn zoon Hendrik jr. enkele vaten wijn in de wacht had gesleept die waren aangespoeld op de Waddenkust en afkomstig waren van de ‘West Atleta’. En ja hoor, Petrus IJsselmuiden wilde wel een paar vaten wijn overnemen. Dit handeltje kreeg een nasleep. Hendrik jr. maakte kennis met Regina, de oudste dochter van de kastelein. Zij trouwden op 18 mei 1917 in Joure. De receptie werd natuurlijk in ‘De Ster’ gehouden. Best mogelijk dat bij die gelegenheid nog een glaasje West Atletawijn is geschonken. Ook de drie zusters van Regina trouwden in Joure. Eeke Cecilia op 19 april 1921 met Hendrikus Stoelinga, Petronella op 24 mei 1922 met IJpke Rijpma en Cecilia Jacoba op 24 juni 1925 met Lucas ten Have. Age Eelke, de jongste zoon, trouwde op 23 april 1930, ook al in Joure, met Cecilia Harmens Kruis. Allemaal bekende namen voor de Jousters van die tijd! Poppe (Paul), de oudste zoon, vertrok in 1926 als slagersknecht naar Irnsum. Later had hij daar een eigen slagerij. Hij trouwde met Akke Hettinga. Eeke Cecilia trouwde na het overlijden van Hendrikus Stoelinga met Willem Kramers uit Leeuwarden. Tot zover enkele gegevens over het wel en wee van de familie IJsselmuiden. De Kramer vergadering Een bijzonder evenement in ‘De Ster’ was de jaarlijkse Kramervergadering in de bovenzaal. Dan vond de verrekening plaats tussen Kappie Kramer en de tuinders uit Joure en omgeving. De tuinders lieten hun groenten en fruit met de Libra-boten van Hendrik Kramer vervoeren naar de veiling in Sneek. De vracht werd eenmaal per jaar verrekend. Dat was voor beide partijen niet onbelangrijk, maar minstens zo belangrijk was de schutjaspartij, het sluitstuk van de Kramer‑vergadering. Op 18 oktober 1922 werd weer eens zo'n Kramervergadering gehouden. Het zou de laatste keer zijn dat Petrus IJsselmuiden voor dat doel de bovenzaal beschikbaar had gesteld. Eind december van dat jaar vergaderde daar nog de plaatselijke korfbalclub, maar een week later was het allemaal over en uit. In de Jouster Courant van 5 januari 1923 maakte hij door middel van een advertentie bekend dat hij zijn café had overgedragen aan de heer J.D. Bijkersma. Op de voorlaatste dag van 1922 had die overdracht plaatsgehad. Voor de buitenwacht kwam het nieuws volstrekt onverwacht. Het zal wel het gesprek van de dag zijn geweest. Maar alles went, ook de komst van een nieuwe kastelein in ‘De Ster’ en dus ging men spoedig weer over tot de orde van de dag. De familie IJsselmuiden verhuisde; in eerste instantie naar de Groenendalstraat, waar Petrus en Antje door het leven gingen als Pake en Beppe Ster. Later woonden zij op de hoek van de Driessenstraat, naast het zogenaamde doktershuis en tenslotte namen zij hun intrek in het Theresiahuis. Antje Postma overleed op 8 mei 1946 op de leeftijd van 80 jaar. Petrus IJsselmuiden werd 96 jaar oud. Hij overleed op 14 december 1965. ‘De Ster’ kreeg na het vertrek van de familie IJsselmuiden in Johannes Dirk Bijkersma en Lutgertje Leyen een jong, pasgetrouwd kasteleinsechtpaar binnen de muren. Zij gingen voortvarend van start. Zelfs meer dan voorheen wisten verenigingen en instanties de weg naar de bovenzaal te vinden. Het café werd nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Daar werd op 15 maart 1923 een demonstratie op het groene laken verzorgd door de ‘biljartprofessor’ G. de.Richt. De aspiraties van de familie Bijkersma reikten echter verder. In 1927 kocht Johannes Bijkersma van Djurre Feitsma diens hotel-restaurant schuin tegenover de Scheen. Het pand aan de Midstraat waarin bijna anderhalve eeuw lang ‘De Ster’ gevestigd was geweest, kreeg in Wijbren Taconis een nieuwe eigenaar en in een confectiezaak een andere bestemming. Later kon het winkelend publiek op dit mooie hoekje van de Midstaat terecht bij achtereenvolgens Halma Textiel, Gez. Bosma ‑ ook in textiel en sedert 1972 bij de Hema.