Uitgelichte vensters:

Hendrik Feddes van Dam Hendrik Feddes van Dam was een vervener met veel veenderijen in Opsterland, maar hij heeft ook een stuk veenland in Oldeouwer gehad. Op 17 febr. 1885 zijn ze naar Oldeouwer geweest om vier percelen klijnland op te nemen en op 19 febr. is de veiling aldaar, die als duur werd beschreven. Toch gaat de koop door en zo wordt de 37-jarige H. F. van Dam eigenaar van een veenderij in Oldeouwer. Een week later stelt hij Popk(j)e Simons aan als opzichter. Op 9 april zijn de woningen klaar en op 12 april heeft hij met Piet Brons (ook vervener uit Gorredijk) voor de eerste keer weekgelden rondgebracht. Dan zien ze ook dat het graven hier zwaar werk is, maar de specie is goed. In mei 1885 kopen de gezamenlijke verveners in Oldeouwer de hoopsteden (stapelplaatsen van de turf) voor een prijs van Fl. 7300,- ruim voor 5 bunder. Het eerste jaar is vlot verlopen, maar in 1886 regent alles nat en wordt er weinig of niets verdiend. Op een gegeven moment gaat het achteruit in de venen en wordt er minder verkocht en verliezen ze geld. Bovendien breken er in 1898 stakingen uit en richt een zware storm aanzienlijke vernielingen aan in de veenderij. Op 5 febr. 1898 is de veenderij verlopen en wordt alles verkocht. In het Advertentieblad voor Joure en Omstreken van 21 febr. 1898 staat te lezen: Bij heden voor van Dam, Brons en Postuma, door notaris Gatsonides te Gorredijk gehouden palmslag van eene veenderij onder Oldeouwer, zijn o.a. toegewezen aan J. H. Kemme te Scharsterbrug 4.40,10 ha vergraven en nog niet vergraven Klijnland voor F .1722,- en 3.74,80 ha dito voor F.1078,-: J. H. Meijners te Luinjebert, 3.12,80 ha dito voor F.1251,-: J. E. Wind te Oldeouwer en D. en H. Maat te Rohel, 1298,00 ha dito voor F.1453,-: J. E. Wind, 3.14,80 ha dito met woning voor F.1315,-: Th. Pijlman te Tjalleberd, turfschuur met hoopstede voor F.1001,-, terwijl later nog uit de hand zijn overgedragen, o.a. aan J. H. Kemme 2.66,40 ha vergraven en nog niet vergraven Klijnland voor F.2500,- en J. H. Meijners 2.26,80 ha klijnland voor F.2751,-. De verkoping had plaats zonder uitloving van verhooggeld en zonder kosten voor de kopers. Later, op 17 maart 1898 worden de veenderijgereedschappen bij boelgoed à contant verkocht door Notaris Velding. Na de verkoop komt H. F. van Dam tot de conclusie, dat hij en Piet Brons elk "huit" mille hebben verloren aan het uitstapje naar Oldeouwer. Hieruit blijkt dat Piet Brons mede eigenaar was. 

Een publieke aanbesteding Op 27 september 1834 verzamelt een grote groep dagloners zich in de herberg van Pier Pieters Veltman in Sint Nicolaasga (momenteel café De Hoeke) voor de publieke aanbesteding van het graven en slatten van de oude en nieuwe vaart tussen het dorp en het Tjeukemeer. De werkzaamheden zijn belangrijk voor de afwatering en het vervoer in de regio, dat in die tijd grotendeels over water plaatsvindt. De aanbesteding staat onder toezicht van notaris Tjalling Siebrandus van der Ley, met als getuigen onder meer Bruin Ydes Agricola, een invloedrijke boer en gemeenteraadslid, en de dorpsvoogden Jitte Sierds Feenstra en Reinder Jacobus Groenendal, die zelf land aan de nieuwe vaart hebben liggen. De dagloners komen uit omliggende dorpen zoals Idskenhuizen, Wijckel, Bakhuizen, Joure en Heerenveen. Onder hen bevindt zich Johannes Lykles Nijholt, een 32‑jarige arbeider uit Sint Nicolaasga, die vanwege zijn gezin goed werk kan gebruiken. De notaris leest zestien artikelen voor met voorwaarden over betaling, uitvoering, afmetingen van de vaart en verantwoordelijkheden van de aannemers. Het werk wordt verdeeld in vijftien percelen, elk aanbesteed per vijf Nederlandse ellen. Er wordt gemijnd: de prijs zakt telkens verder totdat niemand meer verlaagt. Johannes Nijholt weet uiteindelijk vijf percelen binnen te halen, samen goed voor 1080 ellen en een totaalbedrag van ƒ150,20. De totale aanbesteding komt uit op ƒ634,20. De arbeiders moeten direct beginnen; het deel vanaf het Tjeukemeer tot het Slot moet klaar zijn op 18 oktober 1834, het resterende deel uiterlijk 31 oktober. Na afloop klinken de romers en jenever vloeit rijkelijk, want het zware werk vereist mankracht en voorbereiding. In 1860 volgt opnieuw een aanbesteding, ditmaal in opdracht van de gemeente Doniawerstal, omdat de vaart in de loop der jaren te smal en te ondiep was geworden voor grotere tjalken en turf- en beurtschepen. Daarbij worden de dijken geslecht en oude graverijen aangevuld. Aanbesteding Fearten fan Sint Nyk Hieronder het complete verhaal Op zaterdag 27 september 1834 rond 9.30 uur loopt de herberg van Pier Pieters Veltman (momenteel café de Hoeke) geleidelijk aan vol. Het merendeel van deze mannen is dagloner. Ze komen uit Idskenhuizen, Wijckel, Bakhuizen, Snikzwaag, Heerenveen, Joure, Oosterzee en Sint Nicolaasga. Al deze mannen komen op de aanbesteding van de Sint Nykstervaart af. De aanbesteding zal plaats vinden om 10.00 uur. Notaris Tjalling Siebrandus van der Ley uit Langweer is aanwezig en heeft als getuigen bij zich Bruin Ydes Agricola en Rintje Sietzes Sietsma. Als dorpsvoogden zijn aanwezig Jitte Sierds Feenstra en Reinder Jacobus Groenendal. In wiens belang was deze aanbesteding, de raadsverslagen uit die tijd vertellen daar niets over. Wel weten we dat vervoer vroeger voor een groot gedeelte over het water moest. Of mogen we voorzichtig aannemen dat er ook wel enig eigenbelang in het geding was. Bruin Ydes Agricola 1772-1842, gemeenteraadslid van Doniawerstal was een boer met aanzien. Hij boerde op het eerste gedeelte van het Westein en had land aan de oude vaart. Ook handelde hij regelmatig in land. Reinder Jacobus 1762-1839 en Jitte Sierds Feenstra 1785-1835 behartigden de belangen voor het dorp. Reinder Jacobus was boer op de Lemmerdyk en kon vanuit zijn raam de oude vaart zien. Jitte Sierds, ook boer, zal als oud schoolmeester van Doniaga wel de schrijver geweest zijn maar beiden hadden land aan de nieuw te graven vaart liggen. Van Rintje Sietzes Sietsma weten we alleen dat hij boer was op het Westein. Dagloners Onder de dagloners bevindt zich de Sint Nykster Johannes Lykles Nijholt, een man van 32 jaar, in de kracht van zijn leven. Hij is getrouwd met Ynske Jelles Bosma. Ze hebben 4 kinderen en Ynske verwacht de vijfde. Het maalde hem al enkele dagen in het hoofd om, want werk om deze tijd van het jaar dat kon hij wel gebruiken. Rond 10.00 uur, Pier Pieters moest zelfs nog naar de zolder om er stoelen bij te zetten, heeft iedereen dan toch een plaatsje in de herberg. Dan is het woord aan de notaris. Hij begint met het voorlezen van zestien artikelen, waarin alle condities staan, die te maken hebben met aanbesteding en werk. Het karwei wordt aanbesteed in vijftien percelen, lopend vanaf het Tjeukemeer tot aan het dorp Sint Nicolaasga. Er was in die tijd al een afwateringssloot, welke zorgde voor het drooghouden van de Van Eysingapolder. Deze inpoldering dateert uit het jaar 1778. Er moest gegraven en geslat worden. Het zand dat uitgegraven werd, moest geslecht worden op de kant van de Scharleijen, acht palmen uit de kant en over een lengte van twee ellen, acht palmen en vijf duimen. (Een palm is 10 cm, een el 69 cm en een duim 2,5 cm red.) Om het werk werd gemijnd en de aanneemsom werd vastgesteld over vijf ellen en voor de hoogste mijner zat er nog ƒ0,50 strijkgeld aan vast. Enkele mannen hadden het zweet al op hun voorhoofd staan hoewel ze nog geen schop in de grond hadden gezet.  Johannes Lykles zette het eerste perceel in op ƒ 2,10, maar na een aantal verlagingen ging Anne Hendriks Brinksma uit Idskenhuizen er mee vandoor voor ƒ 1,30. Zo gingen er vijftien percelen door de herberg en heen en weer werd er verlaagd. Johannes houdt er vijf percelen aan over, hij staat voor 1080 ellen en dat voor 150,20 Nederlandse guldens. De totale aanbesteding komt uit op ƒ 634,20 en ze mogen dezelfde dag nog beginnen met het werk. Het achterste gedeelte, lopend vanaf het Tjeukemeer tot aan het Slot (boerderij Ypma) met een versmalling naar het dorp St. Nyk – bekend als de ‘âld feart’ - moet op 18 oktober van datzelfde jaar klaar zijn. Voor de ‘nije feart’, het voorste gedeelte, dat meer graafwerk inhoudt, krijgen ze de gehele maand oktober. Na afloop komen de romers en jenever uit het buffet; er zullen vast wel mannen aanwezig zijn met een droge keel. De aannemers zullen wel wat werkvolk bij elkaar moeten scharrelen want één man met kruiwagen kan dit werk niet aan.  Op 14 februari 1860 volgde er weer een nieuwe aanbesteding, dit keer in opdracht van de gemeente Doniawerstal. De vaart was waarschijnlijk niet toereikend genoeg voor de tjalken, turf- en beurtscheepjes. Vanaf 1850 begon men ook met het bemesten van de landerijen met terpaarde dat vervoerd werd in grotere tjalken. In de bepalingen van 1860 werd regelmatig gesproken over verwijden en uitdiepen van de vaart. Met de vrijkomende specie werden de polderdijken geslecht en de oude graverij werd weer aangevuld. Publieke Aanbesteding  Op heden Zaterdag den zevenentwintigste der maand September des jaars Eenduizend achthonderd vierendertig des voordemiddags ten tien uren ten huize van Pier Pieters Veltman, kastelein wonende te Sint Nicolaasga zijn wij Tjalling Siebrandes van der Ley openbaar Notaris in het kanton Lemmer Arrondissement Sneek Provincie Friesland residerende te Langweer, en in tegenwoordigheid van de twee hierna te noemen en mede ondergetekende getuigen ten verzoeke van de aan ons zeer wel bekende  Jitte Sierds Feenstra, boer en Reinder Jacobus Groenendal, boer en beide wonende te Sint Nicolaasga in de hoedanigheid als administrerende dorpsvoogden van den dorpe Sint Nicolaasga overgegaan tot de publieke aanbesteding van het slatten van na te melden vaart, lopende vanaf het dorp Sint Nicolaasga tot aan de Tjeukemeer. Opvolgende Condities en Voorwaarden Artikel Een: De aanbesteding zal geschieden bij Nederlandse guldens van honderd cents ieder halve en geen mindere gedeelten dan vijf cents van dien. Artikel Twee: De aannemers bij den afloop der besteding afwezig zijnde wordt die toewijzing aan een ander in hunner naam gegeven en het proces verbaal door den zodanigen zijnentwege getekend het welk dezelfde kracht en uitwerking zal hebben of als zulks aan hun in persoon geschiedt en door getekend ware. Artikel Drie: Wanneer twee of meer laagst mijnende personen even laag mijnen, zullen dezelve gehouden zijn met verlaging van het vorige opnieuw te mijnen waartoe ook eenieder als verkiezende mede zal worden toegelaten Artikel Vier: Iemand als gelastigde van een andere mijnende verlagende of aannemer wordende, zal verplicht zijn op aanvrage van aanbesteders of notaris dadelijk zijne lastgeving te noemen bij verkiezende of gebreke waarvan hij in eigener naam wordt aangetekend en al zoo zelve verbonden is. Artikel Vijf: Wanneer twee of meer personen tezamen aannemers worden, zullen dezelve tezamen en ook solidair dat is elk hunner in het bij zonder voor het geheel verbonden zijn. Artikel Zes: Dat men van finale aannemers zal mogen aannemen wiens men wil zodat iedere mijnder of verlager voor zijn bod moet vast staan en dus niet het regt van terugtasting op den tweeden, derden of vierden mijnder of verlager zonder gehouden te zijn daarvan redenen te geven waarom zulks geschiede. Artikel Zeven: Dat men het uitgeloofde strijkgeld weder zal mogen intrekken zoo er geen aannemer naar genoegen zijn. Artikel Acht: Dat met het aangenomen werk zal mogen worden begonnen dadelijk na de aanbesteding, het gehele werk zal moeten afgedaan zijn voor zover de vaart strekt vanaf de huizinge het Slot genaamd tot in de Tjeukemeer voor of op den achttienden oktober dezes jaars en zover genoemde vaart strekt vanaf de huizinge voornoemd tot aan het dorp Sint Nicolaasga uiterlijk op den laatsten dag der maand oktober dezes jaars. Artikel Negen: De aannemers zullen gehouden zijn om het aangenomen werk naar den inhoud dezer conditiën te moeten maken op eigen kosten van drank en gereedschappen en zelfs ter plaatse moeten schikken alle de daartoe benodigde materialen of gereedschappen zonder enige verplichting van de aanbesteders. Artikel Tien: Indien de aannemers met hun aangenomen werk in gebreke mogen blijven of bij den bepaalden tijd niet hebben afgedaan of overeenkomstig de bepalingen en conditiën hebben gemaakt, houden de aanbesteders de vrijheid om het werk op des aannemers kosten te laten afmaken, indien de aannemers na een bepaalde tijd dan het aangenomen werk moeten werken zullen de aanbesteders het recht hebben om elkaars van de aannemersprijs drie gulden te korten. Artikel Elf: De aannemers zullen het gehele werk op hun hoeden moed moeten hebben en houden totdat hetzelve geheel is afgedaan opgenomen en goedgekeurd van de aanbesteders of opziener of derzelver gelastigde zodat het tot volkomen genoegen moet zijn en naar de inhoud der conditiën. Artikel Twaalf: De aannemers zullen de aarde van de te graven vaart moeten werpen op den kant van de zogenaamde Scharlijen en dezelve behoorlijk slegten op eene afstand van acht palmen van de kant der vaart op eene breedte van twee ellen acht palmen en vijf duimen. Artikel Dertien: De betaling zal geschieden in zilvergeld zo der eenige voor geld gaande of andere papieren geldwaarde hebbende of zullende krijgen in een termijn als het werk is afgedaan opgenomen en tot genoegen is van aanbesteders opziener of gelastigde. Artikel Veertien: De aanbesteders houden aan zich het recht om het te besteden werk in te houden zoo er geen aannemers zijn of hetzelve niet na genoegen kan worden aanbesteed. Artikel Vijftien: Tot strijkgeld wordt gesteld op ieder per ceel vijftig cents en er wordt geen verlaaggeld uitgeloofd. Wanneer twee of meer personen in verschil zijn wie het eerst gemijnd heeft, staat in deze de finale deselve aan den geroeper. Artikel Zestien: De aannemers zullen gehouden zijn de vaart te graven ter wijdte onder in den bodem vier ellen en vier palmen en op de hoogte van den tegenwoordige stand van het buitenwater zes ellen en drie palmen zodat dezelve aan weerskanten een dosering zal moeten verkrijgen van drie palmen twee duimen per drie palmen twee duimen diepte in de vaart tenminste van één el naar den tegenwoordigen stand van het water van het buitenwater zullende echter wanneer het water hoger mocht worden, de aannemers gehouden zijn zich naar den tegenwoordige stand van het water te regelen. Duidelijke en openlijke voorlezing der conditien wordt aan de gegadigde aannemers ten besteding aangeboden als volgt. Het eerste Perceel Strekkende zich uit het Tjeukemeer tot aan het tweede perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Johannes Lykles Nijholt arbeider wonend te Sint Nicolaasga met eene somma van twee guldens tien cents, verlaagd door Anne Hendriks Brinksma arbeider wonende te Idskenhuizen twintig cent, door Johannes Lijkles Nijholt vermeld twintig cent door Anne Hendriks Brinksma vermeld twintig cents, door Klaas Dofler arbeider wonende te Wijckel vijftien cents, door Anne Hendriks Brinksma vermeld vijf cents. Hierop geen meerdere verlagingen geschied zijnde, is Anne Hendriks Brinksma aannemer geworden voor de somma van een gulden dertig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het tweede Perceel Strekkende vanaf het eerste tot aan het derde perceel, per vijf Nederlandsche ellen, de laagste mijner is Jan Hendriks de Vries, arbeider wonende te Wijckel met eene somma van een gulden, verlaagd door Anne Hendriks Brinksma, arbeider te Idskenhuizen vijfendertig cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Anne Hendriks Brinks ma aannemer geworden voor de somma van vijfenzestig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het derde Perceel Strekkende vanaf het tweede tot aan het vierde perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Roelof Arends Bloemberg, arbeider te Snikzwaag met eene somma van zeventig cents, verlaagd door dezelve tien cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde, is gemelde Roelof Arends Bloemberg aannemer geworden voor de somma van zestig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het vierde Perceel Strekkende vanaf het derde tot het vijfde perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste is Klaas Jans Hofmeyer arbeider wonende te Sint Nicolaasga met eene somma van tachtig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde, is gemelde Klaas Jans Hofmeyer aannemer geworden voor de somma van tachtig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het vijfde Perceel Strekkende vanaf het vierde tot aan het zesde perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Geert de Haan arbeider wonende te Heerenveen met eene somma van één gulden. Verlaagd door Johannes Lykles Nijholt arbeider wonende te Sint Nicolaasga dertig cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Johannes Lykles Nijholt aannemer geworden voor zeventig cents. Het zesde Perceel Strekkende vanaf het vijfde tot aan het zevende perceel, waarvan vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Willem Jans van Talen arbeider wonende te Joure met eene somma van negentig cents. Verlaagd door Geert Jacobs de Jong wonende te Heerenveen vijf cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Geert Jacobs de Jong aannemer geworden voor vijfentachtig cents. Het zevende Perceel Strekkende vanaf het zesde tot aan het achtste perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Pier Jans Jetten arbeider wonende te Sint Johannesga met eene somma van vijfennegentig cents. Verlaagd door Anne Hendriks Brinksma arbeider wonende te Idskenhuizen twintig cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Anne Hendriks Brinksma aannemer geworden voor de somma van vijfenzeventig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het achtste Perceel De oude vaart met de Slotmolen en beurtschipper Jelle de Jong. Haan arbeider wonende te Heerenveen met eene somma van één gulden. Verlaagd door Johannes Lykles Nijholt arbeider wonende te Sint Nicolaasga dertig cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Johannes Lykles Nijholt aannemer geworden voor zeventig cents. Het zesde Perceel Strekkende vanaf het vijfde tot aan het zevende perceel, waarvan vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Willem Jans van Talen arbeider wonende te Joure met eene somma van negentig cents. Verlaagd door Geert Jacobs de Jong wonende te Heerenveen vijf cents. Hierop geen meerdere verlaging geschied zijnde is gemelde Geert Jacobs de Jong aannemer geworden voor vijfentachtig cents. Strekkende vanaf het zevende tot aan het negende perceel, waarvan vijf per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Johannes Lykles Nijholt arbeider wonende te Sint Nicolaasga met eene somma van vijfenzeventig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde, is gemelde Johannes Lykles Nijholt aannemer geworden voor de somma van vijfenzeventig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het negende Perceel Strekkende vanaf het achtste tot aan het tiende perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Johannes Lykles Nijholt arbeider wonende te Sint Nicolaasga met eene somma van zeventig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde is aannemer zijnde is gemelde Johannes Lykles Nijholt aannemer geworden voor de somma van zeventig cents per vijf nederlandsche ellen. Het tiende Perceel Strekkende vanaf het negende tot aan het elfde perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Johannes Lykles Nijholt arbeider wonende te Sint Nicolaasga met eene somma van vijfenzeventig cents. Geene verlaging hierop geschiedt zijnde is gemelde Johannes Lykles Nijholt aannemer geworden voor de somma van vijfenzeventig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het elfde Perceel Strekkende vanaf het tiende tot aan het twaalfde perceel waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Heere Thomas van der Werf arbeider wonende te Joure met eene somma van één gulden. Geene verlaging hierop geschied zijnde is gemelde Heere Thomas van der Werf aannemer geworden voor de somma van één gulden per vijf Nederlandsche ellen. Het twaalfde Perceel Strekkende vanaf het elfde tot aan het der tiende perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Johannes Feenstra arbeider wonende te Sint Johannesga met eene somma van één gulden vijfennegentig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde, is gemelde Johannes Feenstra aannemer geworden voor de somma van één gulden vijfennegentig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het dertiende Perceel Strekkende vanaf het twaalfde tot aan het veertiende perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Harmen Jans de Jong arbeider wonende te Bakhuizen met eene somma van twee guldens vijfentwintig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde, is gemelde Harmen Jans de Jong aannemer geworden voor de somma van twee guldens vijfentwintig cents per vijf Nederlandsche ellen. Het veertiende perceel Strekkende vanaf het dertiende tot aan het vijftiende perceel, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Harmen Jans de Jong arbeider wonende te Bakhuizen met eene somma van één gulden tachtig cents. Geene verlaging hierop geschied zijnde is gemelde Harmen Jans de Jong aannemer geworden voor de somma van één gulden tachtig cents. Het vijftiende perceel Strekkende vanaf het veertiende perceel tot aan het dorp Sint Nicolaasga, waarvan per vijf Nederlandsche ellen de laagste mijner is Klaas Douwes Dijkstra arbeider wonen de te Sloten met eene somma van één gul den vijftig cents. Verlaagd door Romke Melis de Jong, arbeider wonende te Oosterzee, tien cents door Geert Jacobs de Jong, arbeider wonende te Heerenveen tien cents. Geene verlaging hierop meer geschied zijnde is gemelde Geert Jacobs de Jong aannemer geworden voor de somma van één gulden dertig cents per vijf Nederlandsche ellen. En verklaarden de aannemers zich te verbinden om hun aangenomen werk in alles te zullen volbrengen, en zich naar de voren omschreven conditiën te onderwerpen. Hiermede is dit proces verbaal van aanbesteding gesloten ten dage en plaatse in het hoofd dezes gemeld. Waarvan acte gedaan en gepasseerd in tegenwoordigheid van Bruin Ydes Agricola, lid van de Grietenijraad van Doniawerstal en Rintje Sietzes Sietsma boer, beide wonende te Sint Nicolaasga, als ten dezen speciaal verzochte en bevoegde getuigen welke deze acte met de aanbesteders en aannemers benevens ons Notaris nagedane voorlezing hebben getekend.

Het Gemengd Koor in Joure speelde meer dan een halve eeuw een centrale rol in het culturele leven van de gemeenschap. Hoewel er al in 1877 een koor met dezelfde naam bestond, werd het huidige koor in 1898 nieuw leven ingeblazen als Kroningskoor ter ere van de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Kort daarna kreeg het de blijvende naam Gemengd Koor, opnieuw onder leiding van Gjalt Brouwer. Zoals in het document staat: “Het nieuwe koor ging voortvarend van start.” Het koor kende vele hoogtepunten, vooral door de succesvolle uitvoeringen van zangspelen en operettes, waaronder Franchemont, De Meikoningin, Rose Marie en Het klokje van de Heremiet. De uitvoeringen trokken veel publiek en zorgden soms voor een tijdelijke groei van het ledental. Toch bleef dat ledental een terugkerend probleem: “Een vaste kern bleef het koor onder alle omstandigheden trouw, maar veel anderen haakten vrij snel weer af.” Daarnaast kampte het koor met een reputatie van elitair te zijn, wat potentiële leden afschrikte. De oprichting van arbeidersverenigingen zoals Nij Libben in 1920 versterkte de sociale scheidslijnen in Joure. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde het koor zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer en legde het de activiteiten stil tot 1945. Na de oorlog vervaagde het elitaire imago en bloeide het koor kortstondig op, mede dankzij de langdurige inzet van lokale dirigenten zoals Brouwer en Ids van Dijk. Na diens vertrek begon echter de neergang. Wisselende dirigenten, dalende motivatie en financiële problemen leidden uiteindelijk tot het einde van het koor rond 1959. Het zangkoor als tijdsbeeld (Het complete artikel) Langer dan een halve eeuw, van 1898 tot na 1950, is het gemengd koord een belangrijke steunpilaar geweest onder het culturele leven in de Vlecke Joure. Het was daar overigens niet het eerste zangkoor onder die naam. Reeds in 1877 moet een koor zijn opgericht dat de naam “Gemengd koor” kreeg. Uit een bewaard gebleven tekstboekje blijkt dat op tweede kerstdag 1879 door dit koor een uitvoering werd gegeven onder de noemer “Buitengewone vergadering”. Opvallend is dat bij die gelegenheid bijna uitsluitend Duitse liederen werden gezongen. Het koor stond onder leiding van Gjalt Brouwer, een bekende figuur in de Jouster gemeenschap van die tijd. Een lang bestaan is het koor niet gegund geweest. In 1889 werd nog wel opgewekt het 12½-jarig bestaan gevierd, maar ruim 4 jaar later viel het doek. Weer vier jaar later werd het koor nieuw leven ingeblazen. Aanvankelijk onder de naam Kroningskoor. Het nieuwe koor leverde een belangrijke bijdrage aan de Kroningsfeesten die op 6 september 1898 in Joure werden gehouden ter gelegenheid van de kroning van Koningin Wilhelmina. Ruim een maand later werd het gelegenheidskoor omgeturnd tot een blijvend koor onder de naam “Gemengd Koor”, met opnieuw Gjalt Brouwer als directeur. Het nieuwe koor ging voortvarend van start. Het 10-jarig bestaan werd op 29 en 30 juli 1908 gevierd met het organiseren van een “Nationale Wedstrijd voor Gemengde Koren en Fanfarekorpsen”. Aan het concours namen 11 zangkoren en 15 fanfarekorpsen deel, op een enkele uitzondering na allen afkomstig uit Friesland. De zangvereniging “Excelsior” uit Steenwijk zorgde voor het nationale tintje. Pieken en dalen Het bestaan van “Gemengd koor” is gekenmerkt door pieken en dalen. De zangspelen en operettes die in de loop der jaren ten gehore werden gebracht waren stuk voor stuk hoogtepunten. De serie begon in 1902 met “Franchemont| de Marskramer”. Later volgden “Marten de Dorpsviolist” (1905), “De Meikoningin” (1909), “Marijke van Scheveningen” (1917), “Rose Marie” (1918), “Marion de Marketentster” (1923), “Het klokje van de Heremiet” (1929), “De barbier van Straatsburg” (1932) en “Nelly” (1938). Sluitstuk was het Vlaamse zangspel “Lieveke van Hemel”, de bijdrage van het 50-jarige “Gemengd Koor” aan de Jubileumfeesten die van 14 tot en met 17 Juli 1948 werden gehouden samen met de eveneens jubilerende muziekvereniging “Concordia” (40) en de gymnastiekvereniging “Vriendschap & Kracht-Hygiëa” (65). Meermalen verleende het strijkorkest “De Dilletant” medewerking aan de uitvoeringen maar in andere gevallen zorgde een eenzame pianist(e) voor de muzikale ondersteuning. De uitvoeringen trokken veel belangstelling en dat vertaalden zich vaak in een tijdelijke toename van het aantal leden. Juist het ledental echter is dikwijls een bron van zorg geweest. Een vaste kern bleef het koor onder alle omstandigheden trouw, maar veel anderen haakten vrij snel weer af. Een vervelend etiket Het ledental werd bovendien ongunstig beïnvloed door een etiket dat het koor kreeg opgeplakt. Veel mensen vonden het koor wat elitair en dat weerhield hen ervan zich daarbij aan te sluiten. Bij het koor ging men uit van het principe dat iedereen die de toonladder beheerste, welkom was, maar men sloot de ogen niet voor de drempelvrees bij sommige mensen. Reeds enkele jaren na de oprichting van het koor pleitte directeur Gjalt Brouwer voor het houden van volksuitvoeringen, want - aldus de directeur - onder de werkende stand vindt men beste zangers. Het lukte echter nooit om veel twijfelaars over de drempel te trekken. Het gelukte al helemaal niet nadat in 1920 de arbeiderszangvereniging “Nij Libben” en het Arbeidersstrijkje waren opgericht.  Dat accentueerde alleen maar de standsverschillen tussen drie bevolkingsgroepen: de werkende stand, de middenstanders en andere middenmoters, en de burgerij alle drie nogal in zichzelf gekeerd. De meeste leden van “Gemengd Koor” behoorden tot de tweede groep. Uiteindelijk had het “Gemengd Koor” echter wel de langste adem. In het begin van de bezettingsjaren weigerde men zich aan te sluiten bij de Kultuurkamer en ging men zogenoemd met vakantie. Die vakantie duurde tot september 1945. Met ruim 30 leden en met als directeur Ids Jacob van Dijk, die in 1925 het stokje van Gjalt Brouwer had overgenomen ging het koor opnieuw van start. “Nij Libben” en het “Arbeidersstrijkje”, om dezelfde reden ondergedoken, kwamen niet weer boven water. Het etiket dat “Gemengd Koor” ooit kreeg opgeplakt, begon inmiddels aardig te verbleken. Ook dat was een tijdsbeeld. Vooral in de eerste jaren na de bezetting was er sprake van toenemende saamhorigheid. Toch begon zich voor het koor ook een negatieve ontwikkeling af te tekenen. Het werd duidelijk waaraan jarenlang de stabiliteit van het zangkoor te danken was geweest; de inzet van directeuren uit de eigen, vertrouwde omgeving, voor wie bovendien de liefde voor de muziek en de gebondenheid aan de Vlecke zwaarder wogen dan de hoogte van een financiële tegemoetkoming. Met die instelling heeft Gjalt Brouwer ruim 20 jaar voor het koor gestaan en Ids van Dijk zelfs bijna 30 jaar. Het slotakkoord Na de periode Van Dijk werd het een komen en gaan van directeuren die van elders kwamen en de bevlogenheid van hun voorgangers misten. Onder die omstandigheden begon de teloorgang van het koor zich af te tekenen. In 1959 werd nog wel - zij: het een jaar te laat - het 60-jarig bestaan gevierd, maar daarna ging het snel bergafwaarts. De animo verslapte, het ledental slonk en omdat de kosten niet daalden, kwam de bodem van de schatkist in zicht. Kortom, de motivatie ontbrak om opgewekt het hoogste lied te blijven zingen. Na alweer een weinig inspirerende repetitie kwamen de leden dan ook tot de slotsom dat die avond in feite het slotakkoord voor “Gemengd Koor” had geklonken …

It Nannewiid It Nannewiid, ook wel Haskerwide of it Wide genoemd, dankt zijn oorsprong aan de vervening. In de atlas van B. Schotanus uit 1685, staat op de plaats waar nu de golven van het Nannewiid kabbelen, alleen het woord ‘hooylanden’. Omstreeks 1750 kregen die hooilanden, nadat ze waren aangekocht door veenbazen uit Giethoorn een andere functie. Er werd turf gestoken. De turf werd met pramen via de Hogedijkstervaart naar Vierhuis vervoerd waar het vervolgens op grotere schepen werd overgeladen en naar Amsterdam werd verscheept. Eén van de verveners was de in 1724 geboren Nanne Dirks Drijfhout uit Heerenveen. Deze veenbaas kende het belang van goede aan- en afvoerwegen. Hij zorgde ervoor dat er wegen werden aangelegd, bruggen werden gebouwd en vaarten werden gegraven. Bij Vierhuis liet hij gedeelten uitdiepen om een betere doorvaart te krijgen. Ook liet hij een herberg bouwen aan de oevers van it Nannewiid op de plaats waar nu het witte bruggetje over de Veenscheiding ligt. Hij kon daar met zijn arbeiders afrekenen en men kon er een drankje nuttigen. De schippers konden er vanaf hun schip zo op de wal stappen. Zo werd it Nannewiid in de jaren na 1750 als onderdeel van de vele vergravingen langzamerhand van land in water veranderd. Het werd één van de vele vergraven landen rond Sintjohannesga. Na de inpoldering in 1870 heeft men overwogen om it Nannewiid ook droog te leggen en ge- schikt te maken voor landbouwgrond maar om financiële redenen is dit toen niet doorgegaan. It Nannewiid heeft zijn naam naar alle waarschijnlijkheid ontleend aan deze nijvere veenbaas Nanne Dirks Drijfhout. Het is jarenlang een heerlijk rustige waterplas geweest. Een uniek stukje natuur met een schitterende flora en fauna. Het meertje was er alleen voor de natuur en een enkele keer werd de rust door menselijke bedrijvigheid verstoord door een enkele visser of jager. In de jaren twintig en der tig komt het meertje steeds meer in de be- langstelling van recreanten. Met name het gebied ten zuidwesten van de plas oefende grote aantrekkingskracht uit op dagjes mensen Die huurden voor een dag of een middag een boot en vertoefden dan veelal een poosje op de zogenaamde Douwe Pôle. Dit was een gebied van omstreeks 10 hectare en bestond uit moeras, schraalland en bosjes. Het werd genoemd naar Douwe Postma tot wiens boerderij deze gronden rond 1900 behoorden. De ongerepte natuur was voor velen een lust voor het oog. Veel bijzondere planten en dieren kwam je hier tegen. Fonteinkruid, groot nimfkruid, de visotter, de blei, de kwabaal en de kleine modderkruiper. Het water was er zo helder dat je de snoeken kon zien zwemmen. De bramen van de Douwe Pôle waren bekend om hun voortreffelijke smaak Beroepsvisser Hotze de Jong uit Sintjohannesga had er een klein schuurtje, waar ‘s zomers thee en frisdrank was te verkrijgen. Vanaf 1947 tot 1958 was visser Hotze de Jong er beheerder en onbezoldigd veldwachter. Vooral in het broedseizoen was toezicht wel nodig om daarmee het roven van eieren tegen te gaan. Naast it Nannewiid lagen nog twee kleinere meertjes. lt Middelgat en it Lytse Wiide. lt Lytse Wiide is thans volledig verdwenen. lt Middelgat is er nog wel en wordt door de meesten it Lytse Wiide genoemd. (Daar waar het bankje op een verhoging staat). In 1926 werd er aan de kant van Oudehaske een natuurbad aangelegd. Een bassin met springtoren en badhokjes en een haventje met steigers zorgde voor een toename van het aantal recreanten in dit gebied. Vooral in de beginjaren was er veel animo voor. Het bestuur organiseerde regelmatig watersportfeesten. In 1928 landden er zelfs drie watervliegtuigen op it Nannewiid. Door de gemeentelijke herindeling van Schoterland en Haskerland in 1934 kwamen Oudehaske en Sintjohannesga in dezelfde gemeente te liggen. Dit deed de raad besluiten om een betere verbinding langs het Nannewiid aan te leggen. Voorheen was dit een slecht begaanbare zand- weg maar op 15 juni 1939 werd er een nieuwe verharde weg door freule Vegelin van Claerbergen geopend. De nieuwe weg kreeg de toepasselijke naam Badweg. It Nannewiid is voor Heerenveen en om streken een waardevol natuurgebied geworden. Het ligt in een mooi poldergebied en wordt omzoomd door riet en houtgewas. Ook is het nu nog steeds een belangrijke broed- en pleisterplaats voor diverse (water)vogel. De bloemen en de planten in de schraallanden tussen Lytsewiide en Nannewiid zijn zeer bijzonder. Bijvoorbeeld ‘krabbenscheer’ komt hier voor die zo karakteristiek is voor langzaam dichtgroeiende laagveenplassen. Daarnaast is it Nannewiid ook een belangrijk recreatiegebied geworden. ‘s Zomers wordt er gezwommen en gesurfd en ‘s winters kan er meestal gauw geschaatst worden. Toch bestond er al enige jaren onvrede over het meer. Het water was erg troebel, modderig en erg ondiep. Een initiatiefgroep o.l.v. Durk Kornelis, Henk Gemser en Kor Bloemsma stelden alles in het werk om it Nannewiid uit te baggeren. In de jaren negentig ging er een nieuw project van start, het zgn. Regiwa Project: Regionaal Integraal Wa- terbeheer. Daarin werd it Nannewiid op een natuurlijke manier schoongemaakt met behulp van een Helofytenfilter van rietplanten. Tegelijkertijd werd de waterhuishouding van en naar het meer grondig aangepakt. Het agrarisch gebied van zo’n 900 ha. rond het meer kreeg een peilverlaging en de visstand werd weer op peil gebracht. Het herstellen van de kwaliteit van het water vraagt enig geduld maar zeker is dat it Nannewiid op deze wijze alle eer krijgt die het toekomt en er vele generaties na ons nog van dit prachtige natuurgebied genoten kan worden. 

De Bûtsingel en omstreken tussen 1909 en 1954 Het onderschrift Midstraat enz. bij de foto nummer 1 uit 1931 is niet helemaal correct en enigszins misleidend: van de Midstraat is enkel de toren van de Hervormde kerk te zien en verder alleen de achterkant van een aantal huizen aan de Midstraat. De Midstraat zélf is niet te zien. Het sintelpad rechts op de foto had in 1931 de naam ‘Symenstege’. Het pad liep van de Bûtsingel naar de Midstraat en kwam bijna recht voor de kerk uit. Tegenwoordig heeft het de naam ‘Hobbe van Baerdtstraat’, zo genoemd naar de grietman van Haskerland, Hobbe van Baerdt, (1615-1650). Hij was ook de grote man achter het bouwen van de toren (1628) en de Hervormde kerk (1644), waar hij dan ook in beide gevallen de eerste steen gelegd heeft. De familie Van Baerdt heeft ooit het plan gemaakt om een state te bouwen op de plaats waar nu zo’n beetje de Bûtsingel loopt.              (Foto nr. 1) Het toegangspad kwam van de Midstraat waar nu de Pluswinkel is en daarvoor hotel Van Terwisga. Tekeningen en kaarten zijn ook gemaakt, maar het bouwwerk zélf is er nooit gekomen! De Hobbe van Baerdstraat maakt deel uit van het allereerste uitbreidingsplan van Joure van vlak na de tweede wereldoorlog; het zogenoemde ‘Stratenplan’. Het bruggetje rechts op de foto gaat naar ‘Het Achterom’; een aantal woningen van bouwvereniging ‘Werkmanslust’. Vanouds was dit een stukje van het oude kerkpad naar de kapel die aan het begin van de huidige Harddraversweg   stond en rond 1590 afgebroken is. Het pad liep achter de Midstraat langs en kruiste de Scheen waar de huidige watertoren staat en ging verder als ‘Binnenpaed’ achter Westermeer langs de oude boerderijen naar Haskerhorne en verder naar Oudehaske.Het zijpaadje rechtsonder op de foto loopt naar enkele tuinderijen op een plaats waar later de kleuterschool ‘De Pikestjelp’ gebouwd werd, aan de rand van het ‘Expositieterrein’. De kleuterschool is inmiddels alweer afgebroken om plaats te maken voor woningbouw. In het huisje achter straatlantaarn woonde in de dertiger Roel Otter, een bekende klokkenschilder. Ook maakte hij mooie schilderijen en tekeningen. Nóg eerder woonde hier sinds 1890 de houtdraaier en pompmaker Sybren van der Veer. Zijn werkplaats was achter de woning. In 1922 hebben zijn beide zonen Jelle en Douwe het oude tramstation aan de Enkele Regel gekocht en gingen op die plek verder met het maken van stoelen dat toen hun specialiteit geworden was. Het water links van de Symenstege heette destijds ‘De Vijver’. Het was een wat breed uitgevallen sloot; maar toch…. Het was nog een overblijfsel van het oude laatmiddeleeuwse vaarwater dat vanaf de ‘Overspitting’ via de ‘Roggemolensteeg’ Achterom, (Foto nr. 1) langs de zuidkant van de Midstraat, richting Harddraversweg naar de Jonkersvaart liep. Bij het water staat de vrouw van Marten de With. Zo te zien, is ze aan de schoonmaak; haar man had een melktapperij. Marten de With was lange jaren de man van de kleine trom van het muziekkorps ‘Concordia’. Links van het water met de brug was in 1931 de voorbeeldtuin ‘De Glascultuur’.   Het was een project van de Jouster tuinders samen, in samenwerking met Plaatselijk Belang en het Nut. Een beetje meer naar links, en niet meer op de foto te zien, stond een aantal kassen om daarin groente en fruit te kweken om zo te poging de Jouster tuinderijen op een wat hoger peil te brengen tegenover de concurrentie uit het Westland. In het tijdvak van 1749 tot 1927 was op deze grond de eerdergenoemde tuin van Krijn Wybrens en Wybren Krijns met hun boomkwekerijen; later bekend als de ‘Taconistuin’.  Toen het met de voorbeeldtuin niet zo goed wilde slagen, besloot de gemeente Haskerland dat er maar huizen gebouwd moesten worden op de oude tuin.  Zodoende is op deze plek het eerste uitbreidingsplan van Joure ontstaan; het zogenoemde ‘Stratenplan’, met als herinnering aan de kwekerij van Wybren Krijns daarin nog een aantal straatnamen zoals Eikenlaan, Lindelaan en Beukenlaan. Foto nummer 2 dateert uit 1912. De sloot lijkt hier wel wat op een vijver. Veel huizen staan hier nog niet. Foto nummer 3 is van rond 1920 en geeft een overzicht vanaf de Jouster toren naar de kwekerijen van Wybren Krijns. Erg duidelijk is de opname helaas niet. Midden op de tuin zijn de woningen te zien die door bouwvereniging Bûtsingel in 1905 gebouwd zijn. Foto nummer 4 is een briefkaart die op 13 oktober 1909 door Wybren Krijns verstuurd werd naar Den Heer L. Eversdijk in Biezelinge (bij Goes) met op de achterzijde de volgende tekst: M. In antwoord op Uw briefkaart bieden wij U 4 mooie hoogstamlei-iepen aan. 18-19 cm omvang op 1 M. Zéér mooie bomen met 3-3 ½ M vlucht a f.2.- per stuk. Hoogachtend Wijbren Krijns. Foto nummer 5, in 1954 gemaakt door Anno Halma, geeft een beeld van de Hobbe van Baerdtstraat nadat het Stratenplan uitgevoerd was. De opname is gemaakt in zuidwestelijke richting. Er staan al flink wat meer woningen dan op de vorige foto’s. Marten de With woonde in 1931 in het huis links vooraan. Later hebben daar nog Tette (Flie) Veenstra en bakker Meijer gewoond. Als iemand van de lezers weet wie de beide vrouwen zijn die op de stoep lopen, dan zou schrijver dat graag horen. Ook dit was weer zo’n stukje van het oude Joure waar de tijd niet stil bleef staan!!

In de 19e eeuw waren de hygiënische omstandigheden in Joure nog zeer gebrekkig. Stromend water, riolering en moderne sanitaire voorzieningen ontbraken volledig. Veel mensen deelden één buitentoilet, vaak een eenvoudig houten ‘húske’ dat loosde op sloten of open water. Dit leidde tot ernstige gezondheidsproblemen, waaronder cholera en tyfus. In 1849 eiste een cholera-epidemie in Joure twintig doden in één week. Om de situatie te verbeteren, stelde de gemeente Haskerland in 1866 een gezondheidsverordening vast. Deze bepaalde onder meer dat elk huis een waterpomp moest hebben en dat secreten aan strikte eisen moesten voldoen. Toch bleef handhaving achter. In 1880 waarschuwde de Jouster Courant dat de gemeente nalatig was en dat “de sanitaire omstandigheden bij lange na niet voldoen”. Een ingezonden brief wees op een school waar fecaliën al zes jaar in een kuil lagen te rotten. Door een dreigende tyfusepidemie besloot de gemeenteraad in 1881 tot invoering van een nieuw tonnenstelsel met “reukeloze secreettonnen”. Er werden honderden houten tonnen en zinken trechters aanbesteed. De tonnen werden regelmatig geleegd door de gemeentelijke reinigingsdienst of door pachters die het recht op inzameling huurden. De inhoud werd per ‘beerschip’ afgevoerd en gebruikt als mest, vooral op de arme zandgronden in Drenthe en Zuidoost-Friesland. Tot ver in de 20e eeuw bleven de tonnen in gebruik, vooral in stegen en oudere buurten waar riolering ontbrak. Pas in de jaren 70 verdwenen de laatste húsketontsjes. De allerlaatste ton in de gemeente Skarsterlân werd rond 1986/87 vervangen door een watercloset. Het document sluit af met verhalen van de ‘tonneurs’, de mannen die de tonnen ophaalden. Hun werk bracht soms komische, soms onsmakelijke situaties met zich mee, variërend van verloren sieraden tot extreme stankoverlast en bijzondere taferelen in de stegen van Joure. De ‘Húsketontsjes’ in Joure (Het complete artikel) Het is algemeen bekend dat zo’n anderhalve eeuw geleden de hygiënische omstandigheden in Joure ietwat anders waren dan heden ten dage het geval is. Gas, water en elektriciteit bijv. in de vorm zoals wij die kennen, waren in die tijd volslagen onbekend. Ook in Nederland kwamen om die reden in de 19e eeuw nog veelvuldig besmettelijke ziektes voor zoals bijv. cholera en tyfus; ziektes veroorzaakt door gebrekkige sanitaire omstandigheden en slechte kwaliteit drinkwater. Dit alles mede als gevolg van slechte huisvesting. Vooral in de wat dichter bevolkte streken; in wat mindere mate op het platteland. Secreten Toiletten, destijds ”secreten” genoemd, waren alléén te vinden in de huizen van de gegoede burgers. En dan uiteraard nog zonder stromend water! Binnen de lagere bevolkingsklassen moesten vaak meerdere huisgezinnen gezamenlijk slechts één secreet met elkaar delen. Veel van die ”húskes” loosden bovendien op open water of sloten al of niet via een zinkput. Ook in Joure was dat nog tot ver in de 20e eeuw het geval. Lees er de verhalen van Marten Buis maar op na. Ook de oudere inwoners van thans kunnen zich dat nog zeer goed herinneren. In de eerste helft van de 19e eeuw begon de overheid in te zien dat dit zo niet langer kon met het oog op het gevaar van de verspreiding van besmettelijke ziektes. In 1849 heerste er in Joure nog een cholera-epidemie die veel slachtoffers eiste. De ziekte kwam voor in alle standen. In de week van 1 tot 8 september waren er 20 sterfgevallen. Zelfs éénmaal 6 mensen op één dag! Op provinciaal en gemeentelijk niveau begon men met het uitvaardigen van bouwvoorschriften en zogenaamde ‘bepalingen van gezondheidspolitie’ Om enigszins een beeld te krijgen hoe het zo’n 150 jaar geleden in Joure gesteld was met de sanitaire omstandigheden, heeft Hanneke Staal van het ”Geakundich Wurkferbân” in samenhang met de museumexpositie ”Poepgoed!” enig onderzoek verricht in het gemeentearchief van Haskerland naar gegevens betreffende de gemeentelijke reinigingsdienst en dan meer in het bijzonder naar de ‘húsketontsjes’. Uit de gevonden documenten is door ondergetekende het volgende samengevat. Verordeningen In Joure wordt in de gemeenteraadsvergadering van 30 mei 1866 de ‘Verordening met bepalingen van gezondheidspolitie in de gemeente Haskerland’ vastgesteld. In deze verordening staan allerlei bepalingen die betrekking hebben op het bouwen en renoveren van woningen en zaken die van invloed zijn op de openbare gezondheid. Specifiek golden deze bepalingen in bebouwde kommen. art. 11 elk huis te voorzien van één pomp of vergaderbak van water, tenzij binnen 30 ellen afstand van het huis een algemene pomp of bak beschikbaar is. (NB: 30 ellen komen ongeveer overeen met 20 meter). art. 12 de secreten mogen niet anders dan in of nabij de woningen worden geplaatst dan volgens opgave en aanwijzing van de gemeenteopzichter der gebouwen.   art. 32 t/m 39 In deze artikelen worden allerlei eisen gesteld m.b.t. de secreten, mestvaalten en andere stortplaatsen van vuil, bijv.: - het is verboden secreetmest te werpen in vaarten, sloten of kanalen. - mestvaalten opruimen of anders verbeteren met afdekking en opvang van weglopende gier in bakken. - secreten alleen te ledigen in door de gemeente beschikbaar gestelde vaartuigen, bakken of karren. Wat dit laatste punt betreft, staat in art. 36 aangegeven ”dat de aanwezigheid van deze vaartuigen of karren zal worden aangekondigd door het blazen op een hoorn”. Ook het wildplassen zoals wij dat heden ten dage noemen, was destijds al bij verordening geregeld!! art. 39 Tot slot nog een ”ijzersterk” artikel met de volgende bepaling: binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening moeten alle secreten die niet aan de eisen voldoen, zijn aangepast. art. 40: Het is verboden om tegen muren of omheiningen van kerken en openbare gebouwen of op of aan de openbare wegen, straten, voetpaden of pleinen te wateren of zijne natuurlijke behoefte te doen. Overtreding zal worden bestraft met een geldboete van 1 gulden. Een dergelijke boete was dus niet mis voor die tijd. Blijkbaar is dit een moeilijk te realiseren bepaling en was de termijn van 6 maanden iets té optimistisch ingeschat!! Een jaar later komt er n.l. een aanvulling op de verordening waarin de termijn van 6 maanden wordt gewijzigd in de volgende tekst: ‘Te beantwoorden aan de voorschriften op de eerste vordering van B&W en binnen de daarbij te bepalen termijn’. Reacties Dit laatste was blijkbaar weer een veel te rekbaar en te vrijblijvend begrip, gezien de artikelen in de Jouster Courant van november 1880 toen er in Joure een aantal gevallen van tyfus werd geconstateerd en er een epidemie dreigde uit te breken. In een ingezonden stuk van (graanhandelaar) T.G. Cath stelt deze dat de gemeenteraad met B & W in gebreke is gebleven m.b.t. het handhaven van de geldende verordeningen en eerder genomen besluiten t.a.v. de openbare gezondheid! Er is in de achterliggende jaren niet datgene gedaan wat volgens de verordening vereist was. Als voorbeeld noemt hij dan de nieuwgebouwde school bij het huidige D.E.-plein waar dan al 6 jaar lang - vanaf de nieuwbouw - de fecaliën in een diepe kuil worden verzameld en daar liggen te rotten en te stinken! Ook zet hij grote vraagtekens bij de kwaliteit van het water uit de pomp bij deze school. Deze bevindt zich n.l. in de directe nabijheid van de vroegere begraafplaats!! Ook de hoofdredacteur van de Jouster Courant schrijft in november 1880 in een hoofdartikel dat de sanitaire omstandigheden binnen de gemeente bij lange na niet voldoen aan de geldende verordeningen en dat door de overheid niet datgene is gedaan wat nodig is om de verspreiding van besmettelijke ziekten te helpen voorkomen. ”Voorts”, zo vervolgt de redacteur, ”was het niet alreeds de grote hygiënist uit de oudheid (Mozes S.B.) die aan het volk Israël als een Goddelijke inzetting het volgende voorschreef: “Gij zult een plek hebben buiten de legerplaats en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten. En gij zult bij uw uitrusting een schopje hebben en wanneer gij buiten gaat zitten daarmee een gat graven en uw uitwerpselen weer bedekken”. (Deut. 23:12-13). “Maar wij, kinderen der 19e eeuw, prat op onze beschaving”, aldus nog steeds de redacteur, ” wij slaan die eerste lessen van levenswijsheid in de wind, bevuilen het water om ons heen en verpesten de lucht rondom ons en zijn daarom zelf medewerkers aan besmettelijke volksziekten”. In deze trant gaat onze redacteur nog een poosje door maar doet daarnaast tevens nog een aantal voorstellen en zaken ter verbetering (die overigens al lang conform de verordening hadden moeten zijn uitgevoerd) -het dempen van sloten en vaarten die niet (meer) voor afwatering of scheepvaart worden gebruikt. -een betere doorstroming van water naar de veenpolder. -voorts het invoeren van een zodanig tonnenstelsel, en ik citeer letterlijk: “dat minder dan het tegenwoordige de naakte waarheid laat zien en ruiken”. Blijkbaar hadden de destijds in gebruik zijnde secreettonnen geen afdekking en gaven ze nogal aanleiding tot stankoverlast. Een nieuw tonnenstelsel, zo gaat de Jouster Courant verder, zal uiteraard geld kosten, maar het is beter dat geld hier aan uit te geven dan aan dokter, apotheker en kerkhof. De waarde van een mensenleven is niet in nog zo veel geld uit te drukken. In een kanttekening geeft de redacteur nog aan dat bij een goede exploitatie van secreetmest er door diverse gemeentes geld mee verdiend wordt bij het verpachten van de inzameling van secreetmest. Het tonnenstelsel Kennelijk zien nu ook gemeenteraad met B & W in dat er op korte termijn iets moet gebeuren om te voorkomen dat de tyfus zich nog verder zal uitbreiden: Op de gemeenteraadsvergadering van 4 april 1881 wordt o.a. besloten tot invoering van een “tonnenstelsel met reukeloze secreettonnen”, op kosten der gemeente en in werking te treden per 1 januari 1882. Er volgt nu snel actie: Bestek en voorwaarden worden opgesteld voor: “het maken en leveren van 275 privaattonnen. Te maken van Amerikaans grenen, 22 mm dik, beide zijden gladgeschaafd. Met 3 banden van gegalvaniseerd ijzer, ieder verbonden middels 3 roodkoperen klinknagels. Alsmede 2 ijzeren haken aan elke ton en een gegoten ijzeren ring in de boven bodem van de ton. Buitenwerkse diameter bovenzijde 34cm, diameter onderzijde 41cm, hoogt 43cm. Behalve deze tonnen nog 75 stuks tonnen met iets grotere afmetingen, resp. 38/44/48cm. De bodems onder en boven secuur passend in de kroozingen op te sluiten na vooraf goed in de menie gezet. De tonnen aan de binnenzijde over te verven met lijvige menie.  Bij oplevering testen op waterdichtheid. Voorts het maken en leveren van 140 stuks bijbehorende zinken trechters en deksels.” De aanbesteding De aanbesteding van deze werken heeft plaats op 25 mei 1881. Timmerman Pieter Thomasma uit Arum gaat de tonnen maken voor fl. 767,50. Trechters met deksels worden gegund aan Sybrandus Petrus Keverling uit Joure voor een bedrag van fl. 97,30. (S P was een neef van de bekende Jouster kopergieter Keverling) Op 31 augustus 1881 wordt een tweede aanbesteding gehouden. Pieter Thomasma is weer de laagste inschrijver. Hij gaat 400 tonnen maken voor een bedrag van fl. 960,- De 200 stuks bijbehorende trechters worden net als daarvoor gegund aan Sybrandus Petrus Keverling, voor een bedrag van fl. 109,90. (Per stuk gerekend valt de 2e aanbesteding dus nogal wat goedkoper uit). Enfin, vanaf 1 januari 1882 heeft de gemeente Haskerland de beschikking over een stelsel met “reukeloze secreettonnen”!!! De verordening wordt nog aangepast met de eis dat voortaan alléén van dit type secreetton gebruik mag worden gemaakt en dat de secreten van de bewoners hiervoor geschikt moeten worden gemaakt. Verpachting van de Gemeentereiniging In de 19e eeuw werd bij veel gemeenten de reiniging verpacht aan derden. Blijkbaar was het financieel aantrekkelijk om tegen betaling van een pachtsom ”het recht te verkrijgen tot inzameling en toe-eigening van haard as, vuilnis en secreetmest binnen de kom van het Vlek Joure”. Hetzelfde recht gold voor puin en stenen op de wallen der gemeente aangeboden. De ingezamelde materialen werden door de pachter verkocht aan derden en na aftrek van kosten kon de pachter aldus winst maken. De mest werd veel gebruikt om woeste grond in cultuur te brengen (ontginning). Het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap en materieel werd door de gemeente beschikbaar gesteld aan de pachter. Deze moest dit op eigen risico beheren en gebruiken en bij beëindigen van de pachttermijn (van 3 jaren) weer overdragen aan de volgende pachter. Naar de duur van de periode waarover de gemeente Haskerland de reiniging heeft verpacht, is geen verder onderzoek gedaan in het gemeentearchief. Alléén van een 3-tal pachtovereenkomsten uit de periode 1891 tot 1900 zijn de volgende gegevens bekend:  Periode 1891-1894: pachter was Gosling Tjebbes Vogelaar. Pachtsom: fl. 418,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij te betalen wegens het huren van kerkvoogdijterrein aan de Sluisdijk Periode 1894-1897: pachter was “Eerste Veenkoloniale Mestverzameling” Stadskanaal. Pachtsom: fl. 401,- per jaar + fl. 105,- aan NH Kerkvoogdij. Periode 1897-1900: pachter was Pieter Baukes Haagsma. Pachtsom: toelage ad. fl. 120,- te betalen uit gemeentekas. De betaling aan Kerkvoogdij werd blijkbaar door de gemeente gedaan (was uit pachtvoorwaarden gehaald). Uit deze gegevens blijkt dat de gemeente inmiddels op de exploitatie geld moet toeleggen in plaats van er geld aan over te houden! Wellicht de invloed van de kunstmest?  De Tonnetjes in de 20e eeuw Oorspronkelijk werden de tonnen vanaf de tonnenwagen bij de Slúsdyk overgezet in een bokvaartuig en dan vanaf de Hurdspytse naar de dwingel gevaren; ongeveer op de plek waar nu de Noordelijke rondweg ligt. Daar werden de tonnen geleegd in een gemetselde opslagbak. De lege tonnen werden omgespoeld met een beetje lysol erbij in het spoelwater ter desinfectering en waren aldus gereed voor een volgende ronde. Als de opslagbak vol was, kwam er een ”beerschip” om de ”beer” (half vloeibare fecaliën) op te halen voor verder transport. Meestal werd de beer vervoerd naar streken met een zanderige bodem om daar middels deze organische mest de bodemstructuur te verbeteren. Op deze manier is veel bijgedragen aan de ontginning van woeste gronden in Drenthe en zuidoost Friesland. Schrijver dezes kan zich nog uit zijn jeugdjaren herinneren dat er op gezette tijden (ca.1945-1950) een “beerschip” via de toen nog niet afgesloten Schoterlandse Compagnonsvaart naar Jubbega/Hoornsterzwaag kwam om daar zijn onwelriekende inhoud bij diverse boeren op het land af te leveren. De stank was dan gedurende een aantal dagen tot in wijde omgeving bijna niet te harden!! Het ”jiskelân” was voor de Jouster jeugd altijd een plek waar ze graag naar toe gingen. Je kon daar van alles vinden wat iemand anders als rotzooi had weggedaan. Maar ook wel overgebleven fruit van de groenteboer dat nog niet helemaal verrot was en nog best eetbaar was. Je kon daar ook leuk spelen. Uit zeer betrouwbare bron is mij verzekerd dat je, als je een beetje vlug en handig was, best wel over de drijflaag in de fecaliën opslagbak kon lopen! Het mislukte ook wel eens en hoe kom je dan thuis bij je moeder? Je kleren in de (oude) Schipsloot uitspoelen ging best, alleen de geur was er niet uit te wringen! In het kader van dit artikel valt nog te vermelden dat het vaste huisvuil en ander afval vroeger jarenlang werd gestort in petgaten iets verderop in de Haskerveenpolder. Die werden er deels mee gedempt en met een laag(je) teelaarde afgedekt zodat er grasland mogelijk werd. Door Cees Boersma, veehouder aan het Kanaal, is mij ooit verteld dat zijn koeien wel eens door die bovenlaag heen zakten en hun poten bezeerden aan scherpe stukken die daar in het verleden gestort waren. Tonnen die in de loop der jaren defecten vertoonden, werden nog heel lang gerepareerd door Willem Wiersma aan de Slachtedijk (de vader van accordeonist Gerard). In de Jouster Courant van 27 Juni 1952 wordt melding gemaakt van het dempen van de opvaarten aan de Boterstraat en de Vissteeg. Deze opvaarten stonken enorm en waren overbodig voor de scheepvaart. “Boter en vis zijn organische producten, die, wanneer ze tot ontbinding overgaan, geuren verspreiden die nu niet bepaald strelend zijn voor het menselijk reukorgaan”, aldus één der leden in de gemeenteraadsvergadering alwaar het besluit tot demping werd genomen. In de Jouster Courant van 6 Februari 1953 lezen we dat de reinigingsdienst van Haskerdijken is verpacht aan de heer S. Welles. Hij krijgt hiervoor 400 gulden per jaar. Omdat zijn ronde is uitgebreid, wil hij voor het komende jaar een vergoeding van 500 gulden. De raad toont begrip en gaat akkoord. Er komt een gemeentelijke subsidie van 25 gulden wanneer de privaatton wordt vervangen door een watercloset. Een belangrijke beslissing is het aanvaarden van een omvangrijk rioleringsplan. In de Beerskesteeg, Bloemsteeg, Gerben Martenssteeg, Vissteeg en Kakelsteeg heersen ”middeleeuwse toestanden”, met stinksloten en soms slechts enkele tonnen voor tientallen mensen en meer gezinnen. Dit is vragen om infectieziekten. Totale kosten van e.e.a. fl. 493.000, - Daarnaast nog een bedrag van fl. 207.000, - voor de aanleg van een Imhoff bezinktank als rioolwaterzuivering voordat het rioolwater op de Zijlroede wordt geloosd. Tot ongeveer begin 70-er jaren zijn in HASKERLAND de laatste tonnen in gebruik geweest. Het waren met name díe woningen die niet op het rioleringsstelsel waren aangesloten die nog van een privaatton gebruik moesten maken. In Joure waren dat woningen op ”Lyts Luchtenveld” (in 1968 afgebroken) en aan de Groenendalsteeg. Verder nog een aantal woningen in Haskerdijken /Oudehaske/ Haskerhorne/ Delfstrahuizen. De allerlaatste ton die in de gemeente, inmiddels samen met Doniawerstal SKARSTERLAN genoemd, nog in gebruik was, had zijn plaatsje in (of bij) de woning direct naast de kerk in Scharsterbrug. De ”tontsjeauto” was al lang niet meer in gebruik zodat de ton werd geleegd in de ”jiskewein” en vermengd met het gewone huisvuil. Zo rond 1986/87 kwam ook daar een W.C. de taak van het húsketontsjes overnemen. De inhoud van de tonnen werd in de nadagen van het stelsel geleegd in een betonnen kuilsilo bij boer Sytsma in de Haskerveenpolder omdat de dwingel onderhand was gesloten en op die plaats inmiddels de nieuwbouw van woningen richting ”Skipsleat” had plaatsgevonden. De kieviten en grutto’s op het land van boer Sytsma vonden zodoende goed nestmateriaal in de papierresten afkomstig uit de tontsjes. De tonneurs De laatste ”tonneurs” in Joure waren: Hendrik de Vries (uit de Vissteeg), Murk de Vries (uit de Kaekelsteeg), Siebren Vermaning (van de Scheen), Pier Postma      (voorman), Franke Borger (later brêgewipper), Wisse van der Meulen, Jetze Kamminga, Minne Bosma, Job Veenstra, Kees Postma en Lukas van der Molen, (alleen als invaller, werkte normaal bij de jiskewein) In St. Nyk waren de laatste medewerkers van de tonnenophaaldienst: Jappie Mink, Hessel Nijholt, Hendrik Draaier en Bouke de Jong (alleen als invaller). Wat beleefden de tonneurs? Enige wederwaardigheden uit het leven van de Jouster tonneurs opgetekend uit de mond van Lukas van der Molen: Het gebeurde wel eens dat bij de schoonmaakhandeling op het toilet een gouden ring of armband een verdieping lager terecht kwam. Dit overkwam ook een Jouster mevrouw. Bij de eerstvolgende tonnenwisseling vroeg ze dan ook heel timide aan de tonnenman of de inhoud van de ton ook kon worden overgegoten in een andere ton opdat het verloren sieraad kon worden teruggevonden. ”Nou, dat is niet nodig hoor”, zei Lukas, ”ik vind hem zo wel!” Hij stroopte de mouw van zijn overall op en diepte met blote handen de armband van de bodem op. Regelmatig kwam het voor dat tijdens het wisselen van de ton het toilet “bezet” was. Menige eerbare huisvrouw is zich tijdens een rustig zitje lam geschrokken door het gerammel van de heren tonneurs vlak onder haar achterste. Er werd niet altijd door de mannen gewaarschuwd. Vooral niet als er op bepaalde adressen wat jongere dames woonachtig waren. Wij kunnen ons dat heden ten dage maar moeilijk voorstellen maar als bij slager Brugt Zijlstra de ton werd gewisseld dan ging dat verkeer door de slagerij, rakelings langs de geslachte halve varkens die daar aan de haken hingen. Tijdens het ”skoft” zo rond de middag, zaten de tonnenmannen regelmatig lekker van hun gebakken visje te genieten op de treeplank van hun tonnenauto bij de visboer. Die combinatie met de bekende penetrante geuren rond de auto deed menig Jouster passant griezelen. De tonnenauto werd in zijn nadagen enigszins wrakkig. Ook de motor had z’n beste tijd gehad. Dat het gebeurde eens op een rit naar Delfstrahuizen dat de radiateur begon te koken en nogal wat water verloor. Het koelwater moest worden bijgevuld ergens bij een poldersloot. Vraag: Hoe krijg je water uit de sloot in de radiateur? Antwoord.: Schep met een lege privaatton water uit de sloot en schenk het met de drinkbeker van de thermosfles - met koffie - in de (nauwe) opening van de radiateur. Schud de beker goed leeg en ga dan pas koffiedrinken. Opm. S.B.: Aan de hand van bovengeschetste bezigheden behoeft het geen verder betoog dat de mensen van de reinigingsdiensten op die manier wel een flinke mate van weerstand tegen ziekten opbouwden en dus vrij weinig ziek waren. Hetzelfde geldt overigens ook voor mensen die op rioolwaterzuiveringen werken. Er werd door de Jouster tonneurs ook wel eens meegewerkt aan statistisch onderzoek bij de bevolking. De toentertijd welbekende NVSH (Ned. Ver. voor Seksuele Hervorming) was ook in Joure als verspreider van anticonceptiva niet onbekend; dat op deze manier werd de frequentie van de activiteiten tijdens het liefdesspel van menig Jouster echtpaar regelmatig in kaart gebracht door de heren tonneurs middels het tellen van het aantal aanwezige condooms in de ton. (De uitkomsten van deze tellingen werden dan op straat meteen maar even luidop besproken en geanalyseerd). Ergens aan de Keakelsteech stond een húske waar na het doen van de grote boodschap géén húskepapier meer voorradig was. Vraag: Hoe wordt de uitlaatopening gereinigd…?? Antwoord.: Met je blote handen natuurlijk! Ja, en hoe dan verder? Antwoord: Aan de wand afvegen, niet zo moeilijk doen! Aldus werd dit de standaardprocedure in húske Keakelsteech. Na verloop van tijd begon de kleur van het húske-interieur dus enigszins te veranderen. Dat echter niet alléén, maar ook de directe omgeving van húske Keakelsteech begon ook heel anders te geuren.  Dit nu in zodanige mate dat de heren tonneurs er niet meer wensten te tonneren wegens de onprettige reuk nabij het húske. De húske-bezitter toog daarop naar de chef-tonneur en deed daar zijn beklag over de werkweigering van diens ondergeschikten. Dadelijk ging de chef mee naar het etablissement aan de Kakelsteeg om ter plaatse de zaak in ogenschouw te nemen. Na de zaak te hebben bekeken en de geur kort maar heftig op zich te hebben laten inwerken, verklaarde de chef-tonneur dat zijn personeel alléén verplicht was de ton mee te nemen als deze door de eigenaar van het húske buiten was gezet op minstens 5 meter afstand van het húske (of daarbij nog met de windrichting rekening moest worden gehouden, vermeldt de geschiedenis niet). Aldus werd dit de vervolgprocedure bij húske Keakelsteech. Als het soms wat laat was geworden bij de tonnenophalerij werd een scherpe bocht in de weg wel eens met ietwat te hoge snelheid van de tonnen auto genomen. De deksels op de tonnen, maar ook de inhoud daaronder, bleven dan niet altijd op hun plaats. De definitie van ”reukelooze” tonnen was dan, duidelijk te ruiken, niet meer   van toepassing.

Tweehuis is een klein gehucht in de voormalige gemeente Skarsterlân, bestaande uit slechts twee huizen aan Het Deel. De naam verving het oude Konvintspaad en verwijst naar de twee boerderijen die er ooit stonden. Al in 1849 komt Tweehuis voor op kaarten en er was vroeger een overzet naar Sythuizen, vooral gebruikt door voetgangers, turfstekers en later fietsers. De noordelijke boerderij droeg het jaartal 1707; beide boerderijen stonden dicht op elkaar en werden eeuwenlang bewoond door de familie Walstra. In 1882 werd de noordelijke boerderij afgebroken en elders herbouwd, waardoor Tweehuis tijdelijk “Eénhuis” werd. In 1898 brandde de zuidelijke boerderij af door hooibroei, waarna deze werd herbouwd met het jaartal 1898 op de gevel. De Walstra’s bewoonden de boerderij generaties lang. In 1939 werd het bedrijf geveild en gekocht door Joost de Jong, die het voor zijn zoon bestemde. Vanaf 1940 woonde het jonge echtpaar Tjitte Homme en Namkje de Jong er. In 1931 was Tweehuis opnieuw een tweehuis geworden door de bouw van een burgerwoning naast de boerderij. De omgeving bood rust, ruimte en natuur, maar het leven was er hard: melk ging per schouw naar de fabriek, en in vroegere tijden brachten de boeren kaas en boter per schip of over het ijs naar Sneek. Een opmerkelijke gebeurtenis was de ontdekking van een dief die zich in een opgerolde vloermat had verstopt. De vrouwen van Tweehuis bonden hem vast “aan de pomp”, waarna de rechtbankheren toevallig langskwamen en het incident afhandelden. De onterecht verdachte arbeider werd later volledig gerehabiliteerd. Jelke de Jong, geboren in 1950, groeide op in Tweehuis en beschrijft een jeugd vol natuur, werk op het erf en avonturen op en rond Het Deel. Tot 1991 bleef de familie De Jong er boeren; daarna nam de familie Jaarsma het bedrijf over. Tweehuis bleef een plek van schoonheid, maar niet altijd onder elke weersomstandigheid. Tweehuis Hieronder het complete verhaal Toen ik op een druilerige namiddag in de maand september van dit jaar (2005) in Tweehuis kwam, werd mij pas duidelijk dat er een Tweehuis in onze gemeente Skarsterlân lag. Een flinke boerderij met een loopstal ernaast, een schuur en nog een burgerhuis vormen het gehuchtje met die naam. Een naambord is niet te vinden. Wel de straatnaamaanduiding Tweehuis. Die naam kwam in de plaats van het vroegere Konvintspaad. Alleen de huisnummers 1 en 2 bestaan want er zijn immers maar twee huizen. Het aardrijkskundig woordenboek van Nederland samengesteld door K. ter Laan e.a. uit 1942 vermeldt Tweehuis als volgt: 1e buurt onder Velp (NB); 2e gehucht onder Haskerdijken in Haskerland. Ook op de kaart van “Haskerland, de Vierde Grietenij van Zevenwouden” (1849) vinden we de benaming Tweehuis, aan het water van Het Deel. Er was vroeger bij Tweehuis een overzet naar Sythuizen. Dat overzetten gebeurde daar tot die functie werd overgenomen door die van de Nieuwe Schouw. De Vegelinsweg werd in 1846 verhard tot aan de Nieuwe Schouw. Het overzetten daar maakte de weg naar Akkrum korter en beter. Bovendien kon die ‘oerhaal’ paard en wagen, later ook auto’s, naar de overkant brengen. Bij Tweehuis bleef het bij voetgangers en later fietsers, ook veel arbeiders die vroeger in de turf werkten maakten er gebruik van. De combinatie telwoord met huis of huizen is een heel gewone. Topografische namen in die samenstelling zijn er te vinden van ‘twee’ tot en met ‘negen’ in ons land. Dat geldt ook voor het meervoud b.v. Vierhuis (ook in onze gemeente) en Vierhuizen (liefst viermaal, o.a. een keer bij Jirnsum). Tweehuizen bestaat dus ook en wel als gehucht onder Bierum in Groningen.  Tweehuis werd Eenhuis en daarna Geenhuis! Van de geschiedenis over Tweehuis is niet zo veel bekend. Gelukkig is er iets te vinden in het gemeenteblad van Haskerland van sept. 1939 (de nummers 5, 6, en 7). Dat was een bijlage van de toen in deze contreien bekende krant de ‘Hepkema’. Ook het Vrije Volk van 11 april 1956 had een stukje over Tweehuis. We weten in ieder geval dat er in Tweehuis twee huizen   of te wel twee boerderijen hebben gestaan. Ze stonden vrij dicht bij elkaar. Er bleef slechts een doorgang over van zo’n dikke meter. De ene, de noordelijke boerderij, was parallel aan Het Deel gebouwd. De andere, de zuidelijke, stond loodrecht daarop aan Het Deel en was iets meer landinwaarts gebouwd zodat de buurbewoners vanuit hun voorhuis ook de Kapelle van Haskerdijken konden zien. Daar was het soms een komen en gaan van mensen bij zondagse kerkdiensten, bij begrafenissen en doordeweekse vergaderingen. Het moet een welkome afwisseling geweest zijn in het anders zo stille landschap. Op de gevel van de noordelijke boerderij stond het jaartal 1707. Dat moet het bouwjaar zijn geweest. Of er eerder ook al een boerenhoeve stond, is niet bekend. Bewoners waren o.a. Heert Greults en z’n gezin, z’n opvolger werd Wybren Heerts en die gaf zijn taak weer over aan z’n zoon Heert Wybrens. In 1882 werd deze boerderij afgebroken en opnieuw gebouwd aan de Vegelinsweg. Toen Heert Greults er woonde, was zijn buurman op de zuidelijke boerderij zijn broer Brand Greults. In het floreenkohier van Haskerdijken van 1850 zijn die namen van beide pachters terug te vinden als Heert en IJsbrand Greelts Walstra. De spelling is wat anders maar dat kwam vroeger heel vaak voor. Eigenaar van de boerderijen blijkt volgens hetzelfde document hr. Mr. P.B.J. Vegelin van Claerbergen te zijn. Op de kadastrale kaart van 1832 staan de beide boerderijen vrij dicht op elkaar getekend, op die van 1887 ontbreekt er één. Dat klopt ook want in 1882 werd de boerderij (de noordelijke) van Heert Wybrens Walstra afgebroken en opnieuw gebouwd aan de Vegelinsweg. Toen werd Tweehuis eigenlijk Eenhuis. Maar het zou nog erger worden. Eenhuis werd in 1898 zelfs Geenhuis. In dat jaar brandde de zuidelijke boerderij totaal af wegens hooibroei. En dat terwijl ook die boerderij geheel vernieuwd was in 1890, want dat jaartal stond er voor de brand op. Na de herbouw kwam datzelfde jaartal weer op de gevel, maar van de 0 werd, heel knap, een 8 gemaakt! Geslachten lang woonden en werkten er Walstra’s. Geslachten lang bleef de naam Walstra verbonden aan deze sate en landen. Pas in 1939 kwamen er nieuwe bewoners. Dat werd de familie De Jong. In het Friesch landbouwblad van eind november 1939 kwam o.a. het volgende bericht onder het kopje ‘Uitslag verkopingen’ voor: ‘Sate en landen ‘Tweehuis’ te Haskerdijken’. Aan den Zuidelijken oever van het vaarwater Het Deel te Haskerdijken, is gelegen b.g. onroerend goed. Op kaarten van omstreeks het jaar 1700 staan twee boerderijen. Toen waren ze gelegen aan een weg of pad komende uit de richting Joure. Hier was gelegenheid voor overhaal over ’t vaarwater; de weg ging vervolgens door Krom-Haskerdijken in de richting Oldeboorn. Deze boerderij is langer dan 200 jaren door de dezelfde familie bewoond. Kinderen volgden steeds de ouders op. Tot1904 werd ’t steeds gehuurd van een oude adellijke familie; in dat jaar evenwel werden de eigendommen aan de bewoners in koop aan geboden op aannemelijke voorwaarden, waardoor deze boerderij in eigendom overging aan de toenmalige huurders. Overlijden van deze was oorzaak dat deze thans publiek wordt geveild. De sate is groot 27.07.37 ha of 73.7 pdm; in de voorgevel is een gedenksteen aangebracht vermeldende 1890, in dat jaar werd het toen bestaande door brand verwoest en daarna het thans bestaande gebouwd. Het is een solied, ruim gebouw. Er is stalling voor 56 stuks rundvee en 4 paarden. Ook is een gierkolk aanwezig, inhoud 100 m3. Mede is op ’t erf aanwezig een groot hok, ingericht voor varkensmesterij, zowel als voor veestalling, de landen liggen allen aaneengesloten. De huizinge vormt een middelpunt. Ze verkeren in goede staat van cultuur…’Op 21 november 1939 was het palmslag d. w.z. verkoop bij handjeklap zoals dat ook op de veemarkt gebeurt. Het aantal kopers viel enigszins tegen. In de zaal van Bijkersma te Joure vond de verkoopceremonie plaats. Ondanks de tegenvallende animo werd de prijs van het onroerend goed toch nog 113 maal verhoogd. De gunning vond plaats tegen een bedrag van f 55.144. Joost de Jong van de boerderij waar veel later bowlingcentrum It Haske zou komen, werd de koper. Hij kocht het voor zijn zoon. Zo konden later in de meimaand Tjitte Homme en Namkje de Jong hun boerenbedrijf starten aan het Deel in Tweehuis. De lange traditie van de Walstra’s werd afgesloten en een nieuwe generatie De Jong kwam. Inmiddels was het in 1931 weer echt Tweehuis geworden. Want toen werd er op kleine afstand naast de boerderij een burgerwoning gebouwd. Daar kwam Keimpe Walstra te wonen naast de Walstra-boerderij. Die woning staat er nog; de familie Quartel geniet daar al sinds de tachtiger jaren van de rust en ruimte aan de oever van Het Deel. Ruimte was er genoeg rondom. Prachtige wolkenpartijen zeilden boven het groen door de lucht. Zonsopgang en ondergang konden er bewonderd worden. Het kon er ook stormen zodat de regen tegen de ramen kletterde. Bij hevige sneeuwval in de winter kon je er geïsoleerd raken. Maar in het voorjaar zongen de vogels het hoogste lied. De kievit, de scholekster, de grutto en de leeuwerik vlogen onbekommerd over de weilanden. Kikkers kwaakten in de sloten en ook de eenden deden mee in het water van Het Deel. De rust voor de bewoners van Tweehuis was beperkt. Er moest hard gewerkt worden. De melk werd per schouw naar de melkfabriek gebracht. In vroeger tijden ging dat anders. Toen Heert Greults en Brand Greults beiden op de twee boerderijen van Tweehuis boerden, ging de eigengemaakte kaas en de boter naar de weekmarkt in Sneek. Dat ging in de zomer per schip en in de winter indien mogelijk met de slee over het ijs. De boeren gingen zelf mee om geld te beuren en inkopen te doen. Voedsel voor het gezin en voor het vee. De boerinnen werkten even hard mee o.a. bij het melken, bij het boter en kaas maken. Werk was er altijd wel op zo’n bedrijf. Daarnaast was er de zorg voor de kinderen. In die tijd moet het -volgens v.H. in de Hepkema- gebeurd zijn dat Heert Greults en zijn vrouw zo nu en dan geld misten uit een la van het kabinet. De verdenking viel op de arbeider. Maar betrappen konden ze hem niet. Het bleef een raadsel tot het opgelost werd op een erg koude dag midden in de winter. Het vroor hard. De broers Brand en Heert waren naar Sneek. Van ’s morgens 8 uur tot ’s middags ongeveer 4 uur. ’t Was marktdag. De beide boerinnen en twee meisjes dronken thee in de noordelijke boerderij. Op een zeker moment hoorden ze wat gestommel en lawaai in de opkamer. De vrouw van Heert Greuls opende de trapdeur en ontdekte een manspersoon in de opgerolde vloermat. Die mat stond vaak in de winter opgerold tegen een muur uit zuinigheidsoverwegingen. Een gewoonte die veel meer op het boerenplatteland voorkwam. Een van de vier vrouwen haalde onmiddellijk een dik touw uit de schuur en daarmee bonden ze de vreemde insluiper vast aan de pomp. Het wachten op het manvolk begon. Ze vonden het wel erg lang duren. Het was echter koud en het vroor. Het zou wel druk op het ijs zijn met schaatsers, arrensleden en ijspret activiteiten. Veel mensen zwierden over Het Deel voorbij de boerderijen van Tweehuis. Dat er iemand gevangen zat aan de pomp kon niemand van de schaatsers bevroeden. Eén van de meisjes stond op de uitkijk. Zij zag op een gegeven moment een clubje heren schaatsen die met de rechtbank in Heerenveen hadden te maken. Zij vertelde hen wat er aan de hand was. De heren bonden de schaatsen af en gingen poolshoogte nemen. Zij prezen de kordaatheid van de dames en genoten van de geserveerde thee met koek. Er werden zelfs gouwenaars uit het pijpenrek opgestoken zodat het ondanks of dankzij de inbreker een gezellig samenzijn werd. De heren beloofden ‘dit varkentje’ wel te zullen wassen. Ze bekeken de opgerolde mat, maakten een situatietekening van opkamer en mat, dankten voor de genoten gastvrijheid en verlieten de boerderij. Zij hielden hun belofte en stuurden bij terugkomst direct enkele politiemannen naar Tweehuis. Maar helaas waren de vrouwen van Tweehuis betere oppassers dan de dienders van Hermandad. De gevangene wist onderweg aan zijn begeleiders te ontsnappen. Pas na dagen van intensief speuren kreeg men de man weer te pakken. De ware dader van de gelddiefstal was nu gelukkig bekend. Heert Greults schaamde zich diep en maakte z’n excuses tegenover z’n arbeider die hij lange tijd ten onrechte van diefstal had verdacht en beticht. De familie Greults was opgelucht dat het raadsel nu was opgelost. Men liet overal bekend maken dat hun arbeider niets te verwijten viel, er werd in een nabijgelegen dorp een huis voor    hem gekocht en z’n leven lang kon hij rekenen op een goed weekloon. Dat werd dus prima opgelost door de familie Heert Greults. Deze diefstal affaire had trouwens op de gemoederen van de Tweehuisters diepe indruk gemaakt. De geschiedenis bleef heel lang in de familie voortleven. Dieptepunten en hoogtepunten leiden over het algemeen een lang leven. Zo ook de boerderij afbraak in 1882 en de grote brand in 1898. Vooral in de tijd dat de overzet Tweehuis-Sythuizen nog gebruikt werd, was het soms druk met passanten: postbezorgers, broodventers, kooplieden, veenarbeiders en ander voetvolk op weg naar o.a. Joure of Oldeboorn. Ook de passanten hadden hun spannende verhalen. De geschiedenis raakte in het archief, maar Tweehuis bleef In 1940 kwam het jonge echtpaar Tjitte Homme en Namkje de Jong op de zuidelijke boerderij terecht. De bepaling ‘noordelijke’ is hier eigenlijk overbodig want de andere boerderij was al sinds 1882 verdwenen. Hadden zij nog weet van de vroegere diefstal affaire? Hun zoon Jelke in ieder geval wel, maar dan via de archieven. De Jouster Jelke de Jong is opgegroeid op de boerderij van Tweehuis. Hij is van 1950. Zijn oudere broer Joost kwam later als opvolger op de boerderij van z’n vader. Tjitte Homme stierf toen hij 39 jaar was. Dat was veel te jong. Moeder Namkje zette het boerenbedrijf voort met haar broer tot zoon Joost oud genoeg was om zelfstandig de zaak te runnen. Dat was in 1966 toen hij trouwde. Jelke heeft tot zijn 16e jaar op Tweehuis gewoond. Verveling en eenzaamheid heeft hij daar niet gekend. Er was altijd wel wat voor de vier broertjes te beleven. Het hooi, de kalfjes, de andere beesten, de waterkant met het bootverkeer in de zomer, spelen in de schuur en niet te vergeten de Deelsmolen in de buurt waar ze bovenin klommen. Natuurlijk werd er schoolgegaan. Dat gebeurde aldus: met het bootje zelf naar de overkant van Het Deel roeien, daarna lopen of soms fietsen, in de winter waren de schaatsen veelal een nuttig middel om je te verplaatsen. Was er een dokter of een veearts nodig dan kwam ook die met een bootje over Het Deel naar hen toe. De winkelier Speelman uit Joure kwam om de zoveel tijd met het boekje voor de boodschappen en bracht die later. Lang hebben Jelke en zijn familie het op Tweehuis zonder elektriciteit en telefoon moeten doen. Dat veranderde pas in 1966. De familie Joost de Jong bleef er boeren tot 1991. Daarna kwam de familie Jaarsma. Zij leven en werken er met plezier. De rust en de ruimte prefereren ze verre boven stadsgewoel en rijtjeshuis. Op de gevel van de boerderij staat nog altijd het jaartal 1898. Eigenlijk kon ik niet zien dat de 0 in een 8 was veranderd. Tweehuis: een mooi oord maar niet onder elke weersomstandigheid!   

Carrosseriefabriek Smit in Joure was ruim tachtig jaar een toonaangevend bedrijf in de Nederlandse busbouw. Het bedrijf werd in 1917 opgericht door Jan Alexander Smit, die de failliete wagenmakerij van zijn neef overnam. In de beginjaren produceerde Smit vooral karren, wagens en koetsen voor boeren en middenstanders. Dankzij vakmanschap, handelsgeest en soms een beetje geluk groeide het bedrijf snel. Vanaf de jaren twintig begon Smit met het bouwen van carrosserieën op gemotoriseerde voertuigen. De vraag naar vrachtauto’s en later bussen nam toe, waardoor in 1926 een smederij werd bijgebouwd. Grote opdrachten kwamen onder meer van transportbedrijf Libra en Douwe Egberts. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de productie grotendeels stil, maar Smit wist te overleven door voertuigen om te bouwen en gasgeneratoren te installeren. Na 1945 kwam de groei in een stroomversnelling. Smit bouwde trailers, ambulances en vanaf 1948 ook bussen, onder andere voor de LAB in Leeuwarden. In de jaren vijftig en zestig breidde het bedrijf uit naar een nieuwe fabriek aan de Vegelinswei. De bussen werden steeds luxer en groter, met voorzieningen als airco, verstelbare stoelen en ruime bagagecompartimenten. Op het hoogtepunt werkten er circa 95 medewerkers en werden er jaarlijks zo’n 70 bussen gebouwd. In totaal produceerde Smit ongeveer 3000 bussen. Smit exporteerde naar vele landen en ontwikkelde bekende modellen zoals de Eldorado, Comfortliner, Euroliner en Orion. Naast touringcars bouwde het bedrijf ook bijzondere voertuigen: rijdende winkels, mobiele bankkantoren, bibliobussen, hospitalitybussen en zelfs een rondvaartboot zonder wielen. In de jaren negentig werd modernisering noodzakelijk. In 1996 nam DAF het bedrijf over, maar besloot later de productie te verplaatsen. Dit betekende het einde van de fabriek: in 1999 sloten de deuren definitief. Daarmee kwam een einde aan een uniek stuk Jouster industriegeschiedenis Smit: Ruim 80 jaar tussen de Wielen Hieronder het complete verhaal Op de parkeerplaats Sinnebuorren staan nogal eens bussen geparkeerd. Die bussen vervoeren talloze bezoekers naar Museum Joure. De oplettende kijker ziet in vele ge­vallen de naam ‘Smit’ ergens op die bus­sen staan; niet zo opvallend trouwens. Je weet dan dat die bus gebouwd is bij de carrosseriebouwer Smit in Joure. Helaas bestaat dat bijzondere, boeiende en belang­rijke bedrijf niet meer. In 1999 werden de deuren van de fabriek aan de Vegelinswei voorgoed gesloten. De bussenbouw in Jou­re was geschiedenis geworden. Wel een geschiedenis die bewaard moet blijven. Dat moet ook de laatste directeur Jochem Willem Smit gedacht hebben. Hij liet een boek over zijn bedrijf schrijven. Het eerste exemplaar van dat boek werd op 10 juni 2005 hem door de auteur in ’t Haske aangebo­den onder het oog van vele oud werkne­mers en afnemers. Een prachtig kijk en leesboek! Gelukkig was er veel in het ar­chief bewaard gebleven en de rest wist de oud-directeur wel, die zélf de grote promotor van de bussen wordt genoemd. De auteur Albert van Huizen had dus volop de mogelijkheid er met de uitgeverij Aprilis (Zaltbommel) iets moois van te maken. Een interessant verhaal in 200 bladzijden en 450 foto’s. Verbazingwekkend wat daar aan de Vegelinswei allemaal in de loop der jaren werd gebouwd. Degelijk vakmanschap gepaard aan creativiteit en koopmanschap deed er een fraai bedrijf ontstaan. Er werden alleen al totaal zo’n 3000 bussen gebouwd en op z’n top werkten er een 95 medewerkers. Er kwam zelfs een moment dat de bussenbouwer Smit de grootste exporteur van Nederland werd. Maar…Niet slechts Smits bussenbouw verdween, van de ongeveer honderd bedrijven uit de jaren vijftig waren er in 1999 nog vier over! Lagelonenlanden namen de productie over zoals o.a. Polen, Turkije en Brazilië. Jan Alexander Smit begon in 1917 Jan Alexander Smit begon z’n bedrijf in 1917. De Eerste Wereldoorlog bracht toen in Europa veel misère. Economisch dus niet de beste tijd om een bedrijf op te zetten. Jan Smit deed dat echter wel. Hij nam de failliete wagenmakerij van z’n neef Uilke Smit over. Die neef kon het niet bolwerken in z’n pas drie jaar eerder nieuwgebouwde wagenmakerij aan wat nu de Tolhúswei heet.  Jan Smit had het vak goed geleerd in Oudeschoot. Zijn vader had er een wagenmakerij en de zoons hielpen mee. In die tijd had bijna iedere plaats een wagenmaker. Er waren heel wat karren en wagens nodig. Vooral de boeren waren belangrijke afnemers. Koetsen, brikken en tilbury’s behoorden ook tot het assortiment van ‘Smit’s Rijtuig- en Wagenmakerij’. Onder die naam werd het bedrijf in 1917 ingeschreven in het Handelsregister. Zo rond de jaren twintig ging het de wagenmakerij van Smit aardig voor de wind. Aanvankelijk was er veel reparatiewerk en handel in gebruikte wagens en rijtuigen, maar er konden nieuwe machines aangeschaft worden zodat de productie van nieuw rijdend materiaal beter kon gebeuren. Van alles werd gebouwd: kruiwagens, stort- en wipkarren, hooiwagens, karren voor de bakker, melkboer en kruidenier, sjezen met of zonder kap, barouchettes waarbij de koetsier op de hoge bok zat, brikken en glazen wagens. Zonder geluk vaart niemand wel. Behalve handelsgeest had Jan Smit soms ook geluk. Dat had hij eens bij het aankopen van een partij bomen in Gaasterland. Ieder dacht dat die hol waren. Daar was de prijs ook op gebaseerd. Bij het omzagen bleek dat verreweg de meeste exemplaren gaaf waren. “In stikje bûter yn’e brei”.  Carrosseriebouwen wordt belangrijk Het was de jonge ondernemer gelukt een goede naam voor zijn producten op te bouwen. Het eerste gemotoriseerde ‘rijtuig’ van Smit werd gebouwd zo ongeveer in 1921. Het was een fraai gebouwde cabine en laadbak op het chassis van een T-Ford. In 1932 kwam die in bezit van de Jouster bakker Valkema om er de klanten mee te bedienen. Dat betekende dat achter het pand in 1926 een grote smederij gebouwd moest worden. Maar goed ook, want in 1930 kwam de vraag van het Jouster transportbedrijf Libra om een grote trailer voor goederen en later een voor vee te bouwen. De eerste twee van de rij die volgde. De Libra (van Hendrik Kramer) stapte van de scheepvaart over op vrachtauto’s en had dagelijkse lijndiensten door heel Nederland. Ook Douwe Egberts (DE) plaatste later grote orders voor personen- en transportvervoer. Ook de bussen van Slof uit Joure werden bij Smit gebouwd. Carrosseriebouw werd voor Smit de belangrijkste activiteit. Maar het repareren en herstellen van voertuigen bleef een onderdeel, zoals ook de handel in gebruikte voertuigen. Zelfs had Smit een levendige handel in wielen, die wegens ruimtegebrek her en der in Joure lagen opgeslagen. Door deze activiteit van Carrosserie Smit ontstond in de volksmond de bijnaam ‘Jan Wiel’, een soortgelijke naamgeving deed zich voor bij DE door de bijnaam ‘Douwe Pypke’. De periode van WO II  was moeilijk. Het gemotoriseerde verkeer stagneerde. Er viel nog maar weinig te repareren aan wat er nog reed aan bussen en vrachtauto’s. Sommige vrachtauto’s werden weer omgebouwd tot wagens die door paarden getrokken konden worden. Soms moesten er gasgeneratoren in bussen of vrachtauto’s gebouwd worden, ook dat kon bij de firma Smid.  Na de Tweede Wereldoorlog  Na 1945 werd de carrosseriebouw beperkt door een toewijzingssysteem. Men wilde hierdoor vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen. Herrijzend Nederland moest zo gauw mogelijk weer gemotoriseerd worden. Voldoende werk vond de firma Smit toen in het ombouwen van militaire transportmiddelen tot vrachtauto’s. Ook de eerste serie ambulances van De Vrij (Leeuwarden) waren oorspronkelijk legervoertuigen die omgebouwd werden. Langzamerhand kwam de productie van trailers en transportauto’s weer op gang. Ze vonden in het hele land aftrek. De echte bussenbouw kwam in en na 1948 op gang. De LAB (Leeuwarder Auto Bedrijf) bestelde een bus bij Smit i.p.v. bij Hainje in Heerenveen (ook bussenbouwer). Die bus viel zeer in de smaak en er volgden meer opdrachten. De relatie met Hainje vertroebelde hierdoor enige tijd. De laatste legde zich speciaal toe op stads- en lijnbussen voor het openbaarvervoer. Smit bouwde vooral touringcars en daarom (vanwege Hainje?) weinig lijnbussen. In de vijftiger jaren kwamen ook de orders van defensie, o.a. voor 60 lesvoertuigen met speciale, dubbele cabines en 150 laadbakken op vrachtwagens. De bestaande werkplaats aan wat nu Tolhúswei 2 is (waar Kanne z’n curiosa verhandelt), werd veel te krap. Uitbreiding kon met hulp van het gemeentebestuur even verderop op de hoek Slachtedijk en Vegelinswei gerealiseerd worden. Dat gebeurde in 1950. Er moest door de gemeente wel eerst met DE onderhandeld worden want daar wilde die firma in de toekomst zelf ook uitbreiden. Een flinke investering was nodig. Het aantal orders bleef stijgen. Defensie vroeg een serie van 60 personeelsbussen. De 50 werknemers in 1955 hadden volop werk. De groei zat er goed in. De naam Smit stond borg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. In datzelfde jaar moest het fabrieksgebouw nogmaals uitgebreid worden. Naast de bussen werden ook verhuiswagens gebouwd met luxe cabines voor 7 á 8 personen. De familie kon eventueel meeverhuizen! Luxer en luxer De bussen werden luxer en luxer. Ook groter. In 1988 verscheen er zelfs een dubbeldekker. Meer chroom en meer versieringen. Airco, koelkast, toilet, koffie-en frisdrankautomaat, een verhoogd achterdeel in de bus, beweegbare stoelen, veel ruimte voor koffers onderin en meer voorzieningen en snufjes die het reizen tot een waar genot moesten maken. Naar de wensen van de opdrachtgevers werd goed geluisterd. Dat alles moest uitgedacht en uitgetekend worden op de tekentafels. Op de tekenafdeling waren 3 á 4 mensen bezig. De afdeling financiën telde 5 á 6 man. V akbekwame medewerkers voerden de uitgewerkte ideeën uit. De verschillende afdelingen hadden hun eigen specialismen zoals de plaatwerkerij, de constructieafdeling en de spuiterij. Dan was er het magazijn en de afdeling reparatie. De bussenbouw vormde de hoofdmoot. Het aantal medewerkers steeg tot zo’n 95.  Eén van hen was Gosse Dalstra, hij begon op z’n vijftiende en eindigde op z’n zestigste. Hij was heel lang trouw aan het bedrijf. Geen uitzondering echter. Ook Jaap Kuiken en Lammert Fokkens gaven lange jaren hun beste krachten aan de bussenbouw. Zo waren er veel meer. Men stond voor een fraai product en dat gaf voldoening. Ook de vele kopers zagen het fraaie en degelijke product. Men kon de bussen o.a. zien op de RAI en op het ‘Concours d’élegance’ te Noordwijk waar de fa. Smit eens met dertien inzendingen drie eerste en twee tweede prijzen in de wacht sleepte. De bussen veranderden qua lijn en vorm. Maar ook het aan de fa Smit toegeleverde chassis. Dat werd veel zwaarder zodat ook de bussen groter konden worden. De chassismerken Bedford, Austin, Morris en Fiat maakten langzamerhand plaats voor het nieuwe type toerbus chassis van DAF. De afnemers zaten overal. Na 1960 vind je geregeld de namen van o.a. Harmanni (Assen), Paulusma (Drachten), Kras (Ammerzoden), Wiebenga (Siegerswoude), Slof (Joure), BBI (Emmen), HAVI (Rijssen), White Cars (Heerlen), LABO (Leeuwarden), LAB (idem), ZWH (Balk), Arke (Enschede), ESA (Marum), Sybesma (Sneek), OAD (Holten), Broere (Hendrik Ido Ambacht), Dalstra (Surhuisterveen) in de boeken. Behalve in eigen land sloeg de firma ook de vleugels uit in het buitenland zoals Bulgarije, Duitsland, België, Tsjechië, Scandinavië en Polen. De Smit modellen presenteerden zich met mooie namen zoals bijvoorbeeld de Eldorado (1960), de Comfortliner, de Euroliner en de Orion (1984). Het laatste model was een topper en had een aantal varianten: de Orion Highliner, Grand Luxe, Mercurius, Antares, Economy. Ondertussen ging ook de handel in gebruikte bussen onverminderd door. Die bussen gingen na een grondige opknapbeurt naar o.a. Afrika, de Oostbloklanden en soms naar Suriname.  Bijzondere producten Bijzondere producten die bij de firma Smit het licht zagen, waren de treintjes voor Burgers’ Dierenpark; die serie was bestemd voor rondritten door het wildpark. Meer dan tien jaar is er veel publiek mee vervoerd langs het daar lopende wild. De rijdende winkel aan huis was ook een bijzonder product. A & O bestelde er tachtig van. Deze winkels op wielen waren een nuttige vervanging voor de verdwenen buurtwinkels. Ook VIVO en SRV hadden belangstelling. Het bleek een succes te zijn. In 1972 hadden de afnemers de keuze uit een tiental types met een lengte die lag tussen 5.50 en 11 meter. Bijzonder waren ook de mobiele bankkantoren met kogelvrij glas en de informatiebus van Veilig Verkeer Nederland. Vier bibliobussen voor Gelderland vormden in 1979 een bijzondere opdracht. Veel zorg werd er besteed aan de bouw van de speciale ‘hospitalitybussen’ voor o.a. Philips en Heineken om er bobo’s of vips mee te verplaatsen. Ook de wielerploegen PDM en RABO beschikten over luxe bussen om als rustpunt en vervoersmiddel te dienen bij wieler manifestaties in binnen- en buitenland. De spelersbus van PSV werd eveneens in Joure gebouwd. Een bus die te water gelaten moest worden, lijkt een grap of een ongeluk. Dat was het niet. Het was een bus zonder wielen van de fa. Smit van het type Eldorado, die in gebruik werd genomen als rondvaartboot. Het einde. Een bijzondere industrie was het daar aan de Vegelinswei. De oprichter Jan Smit heeft er de scepter gezwaaid tot 1960. Zijn zoon Alexander Jacob werd in 1948 medevennoot. De jongste telg uit het geslacht Smit, Jochum Willem (ook wel Joop) schoof in 1952 aan. De beide broers zetten met enthousiasme hun schouders onder de moeilijke maar mooie taak om ‘Smit’s Carrosseriefabriek NV’ uit te bouwen en te laten groeien. Zij slaagden er met hun medewerkers in een jaarlijkse productie te realiseren van 70 bussen. Dat was in 1990. De vader Jan Smit heeft dat niet meer meegemaakt, hij overleed in 1969. Ondanks het succes bleek het bedrijf in de negentiger jaren toe te zijn aan modernisering. Dat vereiste enorme investeringen. Overnamegesprekken vonden er plaats met DAF Eindhoven. In 1996 werd de overname een feit. De gebroeders Smit trokken zich terug uit het bedrijf. Alexander Smit overleed twee jaar later. In Eindhoven nam men de leiding van de Jouster fabriek over. Dat leek aanvankelijk goed te gaan. Toch ging het anders. DAF Bus eigenaar Van der Leegte besloot de Jouster activiteiten te verplaatsen. Dat besluit werd rampzalig voor dat bijzondere, boeiende en belangrijke Jouster bedrijf. De deuren werden gesloten. De medewerkers verdwenen naar elders of naar huis. Het geluid van plaatwerkers en ronkende bussen verdween. Het onkruid begon tussen de stenen op het bedrijfsterrein te groeien want het was voorjaar 1999.