De gevechten van Scharsterbrug in april 1945
In april 1945 bevond Jogchem Rypkema zich als onderduiker op de boerderij van zijn ouders aan de westkant van Scharsterbrug, samen met vier andere onderduikers. In zijn dagboekaantekeningen beschrijft hij de laatste, chaotische oorlogsweek in het dorp. Vanaf 8 april werd duidelijk dat de geallieerden snel naderden. De spanning liep op toen de Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) werden opgeroepen om Duitse verbindingen te verstoren. In de nacht van 9 op 10 april probeerde de N.B.S. de brug onklaar te maken. Daarbij werd een Duitse wachtpost neergeschoten, maar de actie mislukte toen Duits luchtafweergeschut het vuur opende op de brugwachterswoning, met tragische gevolgen. Zoals in het document staat: ‘De overval was mislukt’. De Duitse bruggenwacht werd nerveus en schoot zelfs op een eigen voertuig dat te laat op hun “halt”-roep reageerde.
Op 12 april trok een uitgeputte Duitse colonne door het dorp, een schril contrast met hun intocht in 1940. De dagen erna groeide de verwachting dat de bevrijding nabij was.
Op15 april bliezen de Duitsers de brug op, wat grote schade aanrichtte aan de boerderij van Rypkema: ‘Alle ramen, op drie na, waren er uit… honderden dakpannen waren eraf ‘. De familie trok deels weg; Jogchem, zijn vader en de onderduikers bleven om het vee te verzorgen.
Op 16 april barstten de gevechten los. Artillerievuur sloeg vlakbij in, Duitsers trokken zich terug, en uiteindelijk stormden Franssprekende Canadese soldaten van het Regiment de la Chaudière de boerderij binnen. Café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp brandden volledig af. Rondom de boerderij lagen gesneuvelde Duitsers; in totaal vielen er 11 Duitse doden en één Canadese.
Op 17 april werd het gebied volledig veiliggesteld. De chaos was enorm, maar de bevrijding was een feit. De gebeurtenissen maakten diepe indruk op Rypkema en zouden hem zijn leven lang bijblijven.
De gevechten van Scharsterbrug in april 1945
(Het complete artikel)
Bij de bevrijding van Scharsterbrug was ik (Jogchem Rypkema, red.) ondergedoken op de ouderlijke boerderij van Sake Rypkema, de eerste boerderij over de Scharsterrijn, rechts, van de Jouster kant af gezien. Naast mijzelf waren er toen nog vier onderduikers van elders: Ton, Nico, Toon en Jan. Van de gebeurtenissen heb ik dagboekaantekeningen gehouden, waaraan het volgende is ontleend.
Zondag 8 april 1945
Via Radio Oranje hoorde ik, dat de geallieerden naar het noorden waren opgerukt tot Balkbrug bij Meppel. Op die dag werden tevens de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) opgeroepen om de achterwaartse verbindingen van de Duitsers te verstoren Het begon spannend te worden.
Maandags 9 april
's Avonds, nadat we naar bed waren gegaan, werden we 's nachts wakker door geweervuur dat uit de richting van de brug kwam. In een mum van tijd waren mijn ‘slapie’ Ton en ik uit bed en achter een raam gaan liggen dat uitzicht bood op de brug. We konden echter niets bijzonders zien en het schieten was opgehouden zodat we weer naar bed gingen. Kort daarop hoorden we weer schieten, maar nu met zwaarder geschut: alles dreunde. Ook nu zagen we niets en werd het weer rustig.
Dinsdag 10 april
's Morgens vroeg zagen we, dat de brugwachterswoning zwaar was beschadigd en hoorden we dat de vrouw van brugwachter de Bruin bij de beschieting dodelijk was getroffen en dat de tweede brugwachter Bleeker ernstig en zijn vrouw licht gewond waren. Laatstgenoemden zijn toen met onze wagen op luchtbanden door Rinke de Jong naar het ziekenhuis in Heerenveen vervoerd. Op de weg terug, nabij Oudehaske, kwam hij nog in een razzia van de Grüne Polizei op onderduikers terecht, waarbij, zo vertelde De Jong, hem de kogels om de oren vlogen. Hij kwam echter heelhuids thuis. In de afgelopen nacht had de N.B.S. een aanval op de brug gedaan met de bedoeling deze onklaar te maken. Deze brug werd bewaakt door leden van de Volkssturm (oudere Duitse militairen), die gelegerd waren in café Vos. Eén van hen, die op de brug wachthield, werd door de N.B.S. neergeschoten en voor dood achter gelaten. De gealarmeerde andere leden van de Duitse bewaking zijn vervolgens door de N.B.S. ontwapend en krijgsgevangen gemaakt. Opnieuw bij de brug gekomen, bleek de neergeschoten Duitser te zijn verdwenen: deze had nog kans gezien een bij Hielkema gelegen boot te bereiken, die ook een Duitse bewaking had en over luchtafweer bleek te beschikken. Dit geschut is toen vervolgens op de daar tegenovergelegen brugwachterswoning gericht met de genoemde tragische gevolgen. Met medeneming van de in beslag genomen wapens heeft de N.B.S. de reeds gevangengenomen Duitsers moeten achterlaten en de aftocht geblazen. De overval was mislukt. De Duitse bruggenwacht bleek ’s avonds café Vos te hebben verlaten en hun intrek te hebben genomen in de woning van Frans de Boer, die aan de overkant direct aan de Scharsterrijn was gelegen. Dit mocht echter uit niets blijken en om die reden moest de fam. De Boer ook in hun woning blijven. De Duitse bruggenwacht was behoorlijk zenuwachtig geworden. Toen in de schemering een auto van de St Nykster kant kwam aanrijden werd reeds op 100 meter afstand van de brug met verschillende stemmen “halt” geroepen. Nadat de auto was gestopt, mocht deze weer doorrijden. Toen ik 's avonds laat nog een luchtje wilde scheppen, naderde van dezelfde kant weer een auto. Ik was benieuwd of er weer een “haltbrullerij” zou volgen. Toen die auto niet vlug genoeg stopte, nadat “halt” was geroepen, werd het vuur geopend dat uit de auto werd beantwoord. Het bleek een Duitse auto te zijn en er volgde een grote scheldpartij omdat de Duitsers dus elkaar hadden beschoten.
Donderdag 12 april
Deze dag werden we geconfronteerd met een Duitse terugtocht die in fel contrast stond met hun intocht op 10 mei 1940. Lange colonnes liepen langs in de richting St Nyk, ongeordend, sommigen strompelend of hinkend, velen geheel of gedeeltelijk in burgerkleren met daar tussendoor op boerenwagens gezeten Duitsers, die het lopen niet meer aankonden. Het geheel maakte een aller miserabelste indruk. Heit achtte het raadzaam de paarden helemaal achter in ons land te brengen en de wagen op luchtbanden uit elkaar te nemen. De daaropvolgende dag gaf hetzelfde beeld.
Zaterdag 14 april
's Morgens kwam de commandant van de bruggenwacht bij ons een paard en wagen opeisen om militairen naar Lemmer te brengen. Dankzij de genomen voorzorgsmaatregelen kon deze eis afgewimpeld worden. Ook bij onze buren Joh. Bonekamp en Jogchem Hettinga lukte dit niet: geen paarden en wagens beschikbaar. Klaas Leenstra en Severinus Asma waren wel de pineut. Het gerucht ging, dat onze bevrijders reeds voor Heerenveen stonden: wanneer alles wat meeliep, zouden we misschien over een paar uren reeds bevrijd kunnen zijn. De telefoon was een doorlopende informatiebron; deze bleef functioneren, ook met plaatsen die reeds bevrijd waren. Toen Ton en ik op het erf rond de boerderij liepen, merkten we een paar Duitsers op bij onze molen. We besloten er heen te lopen en een praatje met hen te maken. Het bleken Duitsers te zijn met de opdracht naar de verwachte Engelsen uit te zien. Ze zaten om de beurt boven in de molen, van waaruit op de weg naar Sneek en Scharsterbrug kon worden uitgezien. Elke auto die op de nieuwe weg reed werd voor een ‘pantzerspähwagen’ aangezien, iets wat ons belachelijk voorkwam omdat we er gewoonweg niet in konden geloven. Ze vertelden ons, dat ze de ‘Tommies’ binnen de twee uur verwachtten en dat ze zodra ze die zagen, de benen zouden nemen. Wanneer we overalls voor hen hadden, dan gebruikten ze die liever; wij konden hun geweren dan wel krijgen. Tegen een uur of vier 's middags waren ze verdwenen.
Zondag 15 april
In de vroege morgen bleken er veel Duitsers in het dorp te zijn die zich langs de weg en de trambaan ingroeven. Ook op het erf van onze boerderij en daarbinnen wemelde het van de militairen. Een vriend van me, die aan de overkant van het kanaal woonde en hier even kwam kijken, vertelde dat ze bezig waren de brug te ondermijnen. Terwijl we stonden te praten, hoorden we een zware ontploffing: een grote rookwolk boven de nieuwe weg maakte duidelijk, dat de brug in die weg was opgeblazen. Mijn vriend maakte dat hij wegkwam, voordat hem de mogelijkheid om terug te gaan zou zijn ontnomen. Even later kwam een klein autootje de oprit naar onze boerderij oprijden. De wagen bleek afgeladen te zijn met allerlei spullen, maar ook met kazen en flessen wijn. De chauffeur, een ‘Hauptmann’, stelde zich voor en zei, dat hij een kamer van ons moest gebruiken. Na een rondgang door de woning viel zijn keus op de voorkamer. Hier moest direct de kachel aangemaakt worden en dan zou hij na een uurtje terugkomen. De kachel werd aangezet maar bleek tot saboteren geneigd: grote rookwolken vanwege een niet trekkende natte schoorsteen maakten het verblijf in die kamer onmogelijk. Na alle ramen tegen elkaar opengezet te hebben, trok de rook wat weg. Toen de Hauptmann weer arriveerde constateerde hij met een nors gezicht: “viel zu kalt”, waarna hij zonder iets te zeggen rechtsomkeert maakte en zijn intrek nam bij meester De Vries, recht tegenover ons. Omdat onze boerderij, de eerste aan deze kant van de Scharsterrijn, erg gevaarlijk lag, was inmiddels besloten dat Mem en mijn zusjes en broertjes verderop naar Severinus Asma zouden gaan. Ze namen zoveel mogelijk kleren en spullen van waarde mee. De moffen op onze boerderij waren begonnen dekkingsgaten in de boomwal rond de boerderij te graven. Eén van hen, waarmee we een praatje maakten vertelde ons dat de brug na een kwartier zou worden opgeblazen. We wilden toen direct alle ramen en deuren openzetten, maar de mof lachte en zei, dat dit niet nodig was. Slechts in een omtrek van zo'n 100 meter van de brug zou er gevaar voor de ramen bestaan. We stonden met hem naar de voorbereidingen te kijken tot hij zei “Jetzt” en begon af te tellen. Ik ging in huis, maar Ton en Nico bleven buiten. Plotseling hoorden we een doffe zware dreun met direct daarop het geluid van rinkelend glas. Ton, Nico en de mof sprongen vlug achter een muur want de brug was in honderden stukken uiteengeslagen die door de lucht gierden. Een aantal zware stukken sloegen bij ons door het dak. Alle ramen, op drie na, waren eruit, een dakvenster lag op de grond en honderden dakpannen waren eraf. Het was een grote ravage en ik vond dat het er al aardig oorlogsachtig uit begon te zien. De mof zei nog, dat hij dit niet had voorzien en dat het een bijzonder zware lading moest zijn geweest. De mensen die bij ons in de buurt woonden en nog niet waren vertrokken, gingen nu ook verderop. Dit gold ook voor onze arbeider Rinke de Jong en zijn gezin. Ik haalde nog vlug onze radio uit de schuilplaats en bracht die ook bij Asma. Heit, de vier onderduikers en ik zouden op de boerderij blijven om het vee, 24 stuks, te verzorgen. We hadden ondertussen van alles in de kelder gesleept: bedden, een bus met melk, primus, petroleum en alle etenswaren die we konden vinden. We begonnen ons wat in te richten en Ton trok van leer met het bakken van een spiegeleitje. Het zal 's middags rond een uur of één zijn geweest, dat we het eerste schieten hoorden. Doordat er met lichtspoormunitie werd geschoten, konden we de kogelbanen volgen. De oostkant van onze boerderij was gevaarlijk terrein geworden. Het schieten werd behoorlijk hevig, duurde een tijd lang, waarna het luwde en van tijd tot tijd opnieuw begon. Ons huis zat vol met Duitsers: een gedeelte zat in onze woonkamer, een gedeelte was in de keuken bezig met het koken voor de manschappen, anderen zaten in de stal te eten of lagen er te slapen, terwijl de rest in de gevechtsstellingen lag. Tegen melkenstijd gingen we met zijn allen naar de stal: Heit en ik om te melken, de vier onderduikers verzorgden het vee, drinkwater en voer. Onder het melken kwam een Duitser met het bericht, dat hij aan de overkant van de Scharsterrijn drie ‘Pantzerspähwagen’ had gezien doch dat deze zich inmiddels hadden teruggetrokken. Een andere Duitser vroeg ik, wat we hadden te verwachten. “Ein oder zwei Nächte im Keller und ihr seit frei” was het antwoord. Er viel met hen heus wel te praten. We waren juist klaar met melken toen een kletsnatte Feldwebel de stal binnenkwam. Volgens zijn verhaal was hij aan de overkant van de Scharsterrijn door de ‘Feind’ verrast. Hij had een uur lang in een sloot gelegen en was daarna ter hoogte van onze molen het kanaal over gezwommen. De molen had diverse treffers gekregen en was ernstig beschadigd. Daarna was hij weer door sloten wadend bij de boerderij terecht gekomen. Hij was totaal verkleumd en vroeg o. m. om droge kleren. We hebben hem toen naar de aan de overkant wonende Wiersma (N.S.B.-er) verwezen met de mededeling dat hij daar zeker wel zou slagen. Wij gingen eerst naar de kelder om te eten en daarna naar boven in de woonkamer, waar de moffen chocolademelk hadden gemaakt waarvan we ook ons deel kregen. Daar voegde onze Feldwebel zich weer bij ons en vertelde, dat hij op het door ons aangewezen adres uitstekend was geslaagd. Hij bleek een echte fanatiekeling te zijn. Hij was woedend over het feit, dat hij aan de overkant van de Scharsterrijn had gezien, dat ook burgers aan de gevechten deelnamen (N.B.S.’ers?). Hij noemde hen verraders en had opdracht gegeven op iedere burger te schieten. Hij ging verder met: ik weet wel dat jullie erop gespitst zijn, dat de Engelsen komen; jullie denken dat Duitsland de oorlog verloren heeft maar zover is het nog niet en komt het ook niet. Toen ik daarop vroeg: waarom niet, het begint er toch aardig op te lijken, antwoordde hij: “Weil der Führer. uns den Sieg versprochen hat”. Ik zei daarop, dat de Führer ook maar bij machte moest zijn om zijn belofte gestand te doen; Kriegsmarine die op zee thuishoort en ook jij van de Luftwaffe vecht als infanterie; waar zijn de Duitse schepen en waar zijn de Duitse vliegtuigen? Daarop zei hij, dat ze op het ogenblik gebrek aan benzine hadden, maar dat ze binnenkort over vliegtuigen zouden beschikken die geen benzine nodig hadden omdat ze op het raketsysteem gebaseerd zouden zijn. Bovendien was de luchtterreur boven Duitsland binnenkort ook afgelopen: er werd de laatste hand gelegd aan een nieuw geheim wapen, waarmee, door het overhalen van een hendel, de gehele lucht boven een stad van vliegtuigen zou zijn gezuiverd. Maar, vervolgde hij, stel dat Duitsland de oorlog verliest; ik hoop dan in even goede doen te zijn als vóór de oorlog en voorts in de gelegenheid jullie hier nog eens op te zoeken. We zullen dan één en ander nog eens bespreken en ik ben er heilig van overtuigd dat jullie het dan met me eens zullen zijn dat het, ook wat jullie zelf betreft, beter ware geweest, dat de Duitsers hier waren gebleven. Het schieten was inmiddels opgehouden. We gingen naar de kelder om te gaan slapen. We deden ons eerst nog te goed aan wat blikjes met gesuikerde condens melk die de Duitsers in onze keuken hadden achtergelaten. Heit besloot om van de gevechtspauze te profiteren en ging naar Asma waar de rest van de familie verbleef.
We zouden juist gaan slapen, toen een Duitser naar beneden kwam om spek te vragen. We hadden een zijde spek in de kelder die goed weggeborgen was. Ons antwoord was dat we geen spek hadden. De Duitser wilde dit niet geloven; hij werd kwaad en zei, dat hij dan zelf wel zou zoeken. Dit werd door een Feldwebel verboden. Die kwam toen zelf naar beneden en zei dat ze slechts een paar sneetjes spek nodig hadden voor het bakken van een ei. Om van alles af te zijn, hebben we hem toen een paar sneetjes gegeven van een klein stukje spek, dat we in de broodtrommel hadden. Een uurtje later werden we wakker gemaakt door een mof die naar “Essig” vroeg. Op onze manier begrepen we niet wat hij bedoelde ondanks zijn uitgebreide pogingen om ons dit te verduidelijken, onverrichter zake ging bij tenslotte weer naar boven.
Maandag 16 april
's Morgens werden we om een uur of 7 door Heit gewekt. Hij was van Asma vandaan dwars door het weiland gegaan om te melken maar werd door Duitsers tegengehouden die hem eerst niet door wilden laten gaan en dit pas toestonden toen ze begrepen wat bij wilde. Na het melken werd er eerst maar sporadisch geschoten, het had niet veel te betekenen. Het zal rond 10 uur 's morgens zijn geweest dat het schieten heviger werd en in een echt spervuur uitmondde. Heit, Nico en Jan waren in de kelder, Ton en ik waren in de woonkamer waar een Duitser piano speelde toen we een granaat hoorden fluiten die in de buurt van de kerk ontplofte. Hoewel de Duitser door bleef spelen werd dit ons te link en gingen we eveneens in de kelder. Het artillerievuur ging door: het gefluit van de granaten en de inslag daarvan volgden heel kort na elkaar en de tussentijd werd steeds korter. Bovendien waren de inslagen zo te horen heel dichtbij en we zaten in grote spanning te wachten op het moment, dat de boerderij zou worden getroffen. Plotseling werd het artillerievuur verlegd: de pauzes tussen het fluiten en de inslagen werden groter en na enige tijd durfden we weer naar de woonkamer te gaan (later konden we zien, dat we helemaal in de vuurlinie hadden gelegen: aan de westkant van de wat hoger gelegen oprit van de weg naar onze boerderij waren diverse granaattrechters precies in de lijn van onze voorkamer en de dichtstbijzijnde was maar een 20 meter daar vandaan). Het geweer- en mitrailleurvuur ging ondertussen onverminderd door, slechts door kortstondige pauzes onderbroken. Waarschijnlijk hadden onze bevrijders inmiddels bezitgenomen van het Hollandiacomplex, waar onze boerderij recht tegenover staat. Het was bloedlink aan de oostkant van de boerderij te zijn. In de namiddag besloten we vroeg met melken te beginnen. Heit en ik molken en onze onderduikers maakten de drinkgoten schoon en vulden deze met emmers water uit de pomp, omdat de waterleiding was uitgevallen. We zaten nog te melken toen plotseling een stel moffen de dwarsstal kwamen binnen rennen met de kreet: “Alles abhauwen”. Ze renden naar het voorhuis en samen met de daar nog aanwezige Duitsers door naar onze buurman Johannes Bonekamp. We vingen op, dat er een rookgordijn boven de Scharsterrijn hing en dat ze nu een oversteek van onze bevrijders verwachtten. Terwijl er buiten een hels geweer- en mitrailleurvuur gaande was, bleven wij in afwachting van de komende dingen alléén, (d.w.z. zonder moffen) in de stal achter. We prikten een witte doek aan een hooivork om daarmee te attenderen op onze aanwezigheid, wanneer de bevrijders zouden arriveren. Het duurde toch nog wel een klein halfuur toen een stel soldaten met zwartgemaakte en bezwete gezichten de dwarsstal schietend binnenstormden. De eersten renden meteen door naar het voorhuis, waar ze met een stengun een roffel in de kelder afvuurden (waarmee praktisch alle weckflessen van Mem sneuvelden) en vervolgens door naar buurman Bonekamp. De daaropvolgende soldaten deden het wat rustiger hetgeen ons de gelegenheid gaf hun te vragen of ze melk wilden drinken (dit met het oog op hun bezwete uiterlijk). We kregen echter geen respons: ze verstonden kennelijk ons Engels niet. Toen zag ik op hun schouderbandjes staan ‘Regiment Chaudière’ en begreep ik dat we met Frans sprekenden te doen hadden (het bleken Franssprekende Canadezen te zijn). Moeilijk overschakelend op Frans, waar we helemaal niet op waren voorbereid bleek dat ze graag melk wilden drinken nadat we er eerst zelf van gedronken hadden. Heit stond erop, dat we eerst het werk in de stal afwerkten, voordat we naar buiten gingen Buiten gekomen, zagen we tot onze grote schrik, dat de boerderij van Hendrik Bonekamp en café Vos in brand stonden. In de schemering wierpen de hoog oplaaiende vlammen flakkerende schaduwen op onze boerderij en dit tezamen met het angstig geloei van het vee in de boerderij van Bonekamp, gaf een bijzonder onheilspellende en spookachtige sfeer. Opeens zagen we een hele vonkenregen op onze boerderij neerkomen; we schrokken ons dood, omdat we ons realiseerden, dat dit door de ontbrekende en kapotte dakpannen ook gemakkelijk brand bij ons kon veroorzaken. We hebben toen in allerijl alle aanwezige ladders bij de schuur opgezet en zoveel mogelijk emmers water klaargezet om onmiddellijk te kunnen ingrijpen, wanneer er ergens begin van brand zou ontstaan. Het ging gelukkig goed en toen het grootste gevaar geweken was, waagden we ons in de richting van de brug waar de Canadezen inmiddels druk bezig waren met het maken van een noodbrug. Het huis van Sake Speerstra tussen café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp bleef behouden, doordat onze onderduiker Ton reeds brandende gordijnen, aan de voorkant boven, door de gebroken ruiten naar binnen trok en doofde en een stuk van de houten dak omlijsting, dat ook vlam had gevat, kon afbreken. Voor het huis van kapper Berkenpas (het latere huis van Hein Kemme) stond een stuk afweergeschut richting brug met daarachter een dood achterover hangende Duitse soldaat. Bij meester De Vries, in de dakkapel vóór, vonden we onze fanatieke Feldwebel terug, die dus niet meer terug zou kunnen komen, zoals hij graag wilde. Hij lag doodgebloed achter een machinepistool, zonder dat we resterende munitie konden vinden.
Dinsdag 17 april
's Morgens tijdens het melken vonden we een Duitser die zich in de dwarsstal tegen de buitenmuur, vóór de koeien, had verscholen en later op het erf nog een tweede in een kuil met bieten die zich met stro had afgedekt. Beiden zijn door ons aan de Canadezen overgedragen. Eén koe bleek door een kogel in zijn achterpoot te zijn gewond, een verwonding die later niet ernstig bleek te zijn. Binnen en buiten de boerderij was het een gigantische chaos. Rondom lagen gesneuvelde Duitsers. Voor onze keuken lag er één die in mijn bijzijn door een Canadees handig van zijn polshorloge werd ontdaan; een vulpen die hij vond, bood hij mij aan. Ik heb die niet aangenomen, ik vond het lijkenschennis, doch vechtend in een oorlog op leven en dood ga je dit soort zaken kennelijk anders zien. Wel heb ik zijn portefeuille in bewaring genomen met o.m. geadresseerde kaarten voorzien van het opschrift ‘Fröhliche Ostern’ waarvoor hij kennelijk geen gelegenheid had gehad deze te posten. Volgens het zakboekje was het een 17-jarige jongen uit Bremen. Het geheel heb ik later toegezonden aan het Rode Kruis. Het erf lag bezaaid met geweren, handgranaten, munitie, een paar pantservuisten, uitrustingsstukken zoals helmen en gasmaskers, uit de Hollandiafabriek afkomstige kazen, blikjes gesuikerde condensmelk, kapotgeschoten dakpannen, enz. 's Middags werden de lijken van de gesneuvelde Duitsers verzameld door N.S. B.-ers onder toezicht van veldwachter Wagenaar. Men gebruikte ons melkbuskarretje om de gesneuvelden naar de weg te brengen waar een grotere wagen stond waarop ze werden overgeladen. De N.S.B.-ers die het melkkarretje moesten trekken, werden opgejaagd met “opschieten, opschieten” door politieagent Wagenaar, die een getrokken pistool in de hand hield. Onze oprit naar de boerderij werd gekruist door draden van het toen nog bovengrondse elektriciteitsnet, waarvan de palen omvergeschoten waren. Door onoplettendheid van onze agent, struikelde hij over die draden en viel hij voorover waarbij zijn pistool afging. Het was een geluk dat geen van de vele omstanders werd geraakt. Samenvattend zijn de gevolgen van de gevechten aan de westkant van de Scharsterrijn als volgt geweest: 1 gesneuvelde Canadees (in de sloot naast het kappershuis); 11 gesneuvelde Duitsers, waarvan het merendeel rond onze boerderij; 2 Duitse gevangenen; 2 afgebrande woningen, café Vos en de boerderij van Hendrik Bonekamp. Het echtpaar Bonekamp heeft de brand in hun kelder heelhuids overleefd, doch het op stal staande vee is omgekomen. Al met al zijn het dagen geweest die een dermate grote indruk hebben achtergelaten dat deze niet licht worden vergeten.
(Red. Jogchem Sakes Rypkema heeft verschillende functies gehad op ministeries, als laatste inspecteur bij de Rekenkamer. Hij woonde met z’n vrouw toen in Delft. Na z’n pensionering kwam hij terug naar Joure. In 2000 overleed hij.)