Op 28 april 1778 vond bij de Haskerbrug in Oudehaske een opmerkelijke en chaotische gebeurtenis plaats die later bekend werd als de “poepeninvasie”. Al eeuwenlang trokken in het voorjaar honderden Munsterlanders – in Friesland vaak “poepen” genoemd – de grens over om als marskramers (kiepkerels) of hannekemaaiers hun brood te verdienen. Meestal waren deze seizoensarbeiders welkom, maar sommigen hielden zich bezig met smokkel, vooral van linnen en andere textielwaren. Om ontdekking te voorkomen verzonnen de smokkelaars steeds nieuwe routes. De Munsterlanders vervoerden hun goederen via het Bentheimse naar Overijssel, waar ze in pramen en turfschepen werden geladen. Via de Vecht, Giethoorn, Ossenzijl, de Linde, Kuinre en de Tjonger bereikten ze uiteindelijk Oudehaske, destijds een belangrijk douaneknooppunt met zes commiezen.
Op de bewuste avond arriveerden zes turfschepen, opvallend zwaar bemand met 8 à 10 mannen per schip. De douaniers vertrouwden het niet en begonnen de lading te controleren. Onder de turf bleek linnen verborgen. Zes “poepen” die de wacht hielden, gedroegen zich brutaal en gooiden zelfs turf naar de commiezen. Toen een van de douaniers versterking ging halen, doken overal in het dorp Munsterlanders op, sommigen gewapend met hooivorken. Aangemoedigd door veenbaas Theunis Jacobs de With vielen ze de commiezen aan. De douaniers werden zo zwaar mishandeld dat ze moesten vluchten. Die nacht werd veel linnen gelost en weggevoerd, maar de volgende dag wist men toch meerdere daders te arresteren. In sommige schepen werd wel 4000 pond linnen gevonden. Zes mannen werden veroordeeld tot twee jaar verbanning uit Friesland. De With, gezien als aanstichter, werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs en zijn aanzienlijke invloed. Ook andere betrokkenen, zoals Otte Jans en Foppe Pieters, ontliepen vervolging. De gebeurtenis toont hoe levendig – en soms explosief – de grenshandel in de 18e eeuw kon zijn.
Volledige tekst Smokkel in de Haske
Poepeninvasie in Haskerland dinsdag 28 april 1778
De invasie werd een strijd en vond plaats op de avond van 28 april 1778 bij de Haskerbrug in het vredige Oudehaske. In deze strijd speelden de turfschepen van de Munsterlanders een grote rol, want ……..de “poepen” kwamen met turfschepen. En als er in Oudehaske niet een aantal wantrouwige “landsbedienden” (douane) was geweest, wellicht hadden de turfschepen ongemerkt hun lading gelost en zou niemand meer weten wat zich op die avond afspeelde bij de Haskerbrug. Dat er in vorige eeuwen honderden Munsterlanders en andere Duitsers als marskramers of ‘lapkepoepen’ in het voorjaar over de grens kwamen om hier hun koopwaar op het platteland te verkopen is bekend. Ook weten we dat er tegelijk veel “hannekemaaiers” langs dezelfde wegen hier kwamen om de boeren te helpen bij het maaien. De eerste groep noemen we ook wel kiepkerels. Bepaalde zaken in Leeuwarden en Sneek hebben weinig Nederlands klinkende namen en meestal danken dergelijke zaken hun bestaan aan een “kiepkerel”, die naar het rijke Friesland kwam om wat te verdienen met zijn handel. Zo stichtte Bernhard Voss in 1797 z’n winkel in Bolsward, in Sneek deed Benedictus Lampe dat in 1834, gevolgd door Clemens en August Brenninkmeijer in 1841 eveneens in Sneek. Anton Dreesman en Willem Vroom openden in 1881 hun zaak in Amsterdam en in 1880 deed Johann Theodoor Peek (met Cloppenburg) dat in Den Haag. De kiepkerels met hun kiepen (een soort mand voor de koopwaar) of ladenkastjes op de rug verdwenen hierdoor langzamerhand van het platteland. De activiteiten van zowel de handelende kiepkerels als de maaiende hannekemaaiers die hier te voet kwamen, kwam de boerenbevolking op het platteland goed van pas. De Poepen bij Oudehaske probeerden met illegale middelen rijk te worden.
Hoe kwamen die Poepen hier?
Hoe groot elk jaar deze vreedzame “poepen”-invasie was, is moeilijk te achterhalen, maar het zullen er ongetwijfeld vele honderden geweest zijn. Dat daarbij vaak getracht werd goederen, meest textielwaren (linnen,wollen,enz.) over de grens te smokkelen, is ook een feit. We vinden enige malen in de processtukken dat dergelijke lieden werden gegrepen en veroordeeld. Om nu zo weinig mogelijk risico te lopen werd er van alles verzonnen. De Munstersen brachten de goederen naar het “Bentheimse” en daar werd de smokkelwaar in pramen en schepen geladen, die blijkbaar de Vecht konden afzakken. Mogelijk heeft de douane van Overijssel de schepen inderdaad als turfschepen beschouwd. Vanaf de Vecht ging men dan door de Giethoornse wateren en Ossenzijl, over de Linde naar Kuinre en dan via de Tjonger, Vierhuizervaart en Hogedijkstervaart naar Rottum en zo naar Oudehaske. De vaart van Rottum naar Oudehaske loopt nu uit in het Nannewijd, dat er toen nog niet was. Destijds lag ongeveer 100 meter ten westen van de driesprong (bij de kerk in Oudehaske) de bekende Haskerbrug. Ten noorden hiervan kwam men in de Haskervaart en kon men vandaar Heerenveen en ook Joure gemakkelijk bereiken.
Oudehaske het centrale punt
Oudehaske schijnt destijds een centraal punt geweest te zijn, getuige het feit, dat daar zes “landsbedienden” (commiezen) waren gestationeerd. Alle binnenvaart uit Overijssel ging hierlangs. Nu moet het voor de douane wel vreemd geweest zijn dat de “poepen” met zes schepen, geladen met turf uit het zuiden kwamen, want het was toch algemeen bekend dat deze lieden in de regel geen turfhandelaren waren. Bovendien passeerden de meeste turfschepen in zuidelijke richting. Toch schijnt reeds meerdere malen op deze wijze de smokkelhandel bedreven te zijn. Want er waren enkele veenbazen in Oudehaske die heel goede maatjes met de Munstersen waren. Dat waren Theunis Jacobs de With, Jan Aarts de With en Pieter de Koudewinter. Behalve deze veenbazen waren er nog twee personen die de “poepen” graag zagen komen n.l. Otte Jans, winkelier in zoetwaren en Foppe Pieters, koopman in linnen, “hebbende eene groote winkel in de Haske”. Zij waren het die op die dinsdagavond “toevallig” bij de brug waren en niet gemerkt hadden dat er iets bijzonders aan de gang was. Wel hadden zij de “landsdienaren” gezien die zich met de schepen bezig hielden en ook een menigte “poepen”, maar zonder “bemoeienis” hiermee gehad te hebben waren ze naar bed gegaan, behalve dan Jan Aarts de With. Die had blijkbaar meer gezien, vandaar dat hij het buiten Friesland voorlopiger veiliger vond. Ubbe Sijbrands, de 50-jarige dorpsrechter van Oudehaske was die avond omstreeks 11 uur uit zijn bed gehaald, om de “landsbedienden” bij te staan. Er viel toen echter voor deze boer met de “snaphaen” al weinig meer te doen, want de strijd van de Friese “soldaten” was geëindigd met een nederlaag tegen de overmacht.
Het gezag verliest de slag maar…
Wat was er gebeurd? Tegen de avond arriveerden zes turfschepen op de rede van Oudehaske. Ze waren behalve met turf ook beladen met mensen. Op elke schuit voeren 8 a 10 man mee. Voor de brug in Oudehaske werd halt gehouden, blijkbaar om wat te gaan eten en de dorst te lessen, alsmede een bespreking te hebben met de “kameraden”. De “landsdienaren” vertrouwden de mannen niet erg, want het was hun duidelijk dat het Munstersen waren en zij wilden wel eens zien wat er onder de turf verborgen was. Vijf “poepen” en een “half-poep” te weten Joost Tijbes en verder Geert Lammerts, Harm Geusing, Harm Scholten, Geert Boetens uit Munsterland en Dirk Lautenbach uit Harlingen, hielden de wacht bij de turf. Tijdens het zoeken door de commiezen werd het genoemde zestal zeer brutaal. Het gezag werd beledigd en een van de zes was zo vrij om een turf tegen het zitvlak van een commies te gooien. Daar de comiezen dieper begonnen te graven en het linnen zagen, ging één man er op uit om assistentie te halen. Overal in Oudehaske doemden de “poepen” op die, schreeuwend en scheldend, sommigen met hooivorken bewapend, op de commiezen afgingen. Theunis Jacobs de With stond op een verhoging en vuurde de “poepen” aan: ”Toe maar, sla er op”.
De Friese commiezen konden er niet tegenop, getuige de tekst: “zoodanig dat de landsbedienden door het menigvuldig slaan en schoppen en andersints door het zestal zoo ijselijk wierden mishandelt dat zij om haar leven te salveren, genoodzaakt waren de visitatlinnen te overhandigen", vermelden de processtukken niet. Zes werden gearresteerd, die allen bekenden. Zij werden overgebracht naar Leeuwarden. De zes mannen werden voor twee jaren uit Friesland verbannen.
De overige daders gepakt
Ofschoon er die nacht veel linnen werd gelost en de “poepen” er de volgende dag mee vandoor gingen, kreeg men ze te pakken. Het bleek dat er uit sommige schepen wel 4000 pond linnen te voorschijn kwam. Hoe men er in geslaagd is deze troep van 50 á 60 man een heel lichte straf te geven is de vraag, gezien hetgeen er gebeurd was. Met Theunis de With was het moeilijker. Hij werd als de aanvoerder beschouwd, maar was een man met geld. De rechters achtten zijn schuld niet bewezen en spraken hem vrij. Jan Aarts de With, Pieter de Koudewinter, Otte Jans en Foppe Pieters zijn niet voor het Hof geweest. Zij gingen met andere “poepen” vrijuit wegens gebrek aan bewijs.