Uitgelichte vensters:

Bakker Van der Brug in de Midstraat Meinte van der Brug opende op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel aan de Midstraat in Joure, aangekondigd met een opvallende aanbieding in de Jouster Courant. De bakkerij, herkenbaar aan de klokgevel, bestaat nog steeds, al wordt zij nu gerund door de familie Lenes. Meinte werd in 1919 geboren in Oosterend en leerde het bakkersvak van zijn vader. Later volgde hij de bakkersvakschool in Leeuwarden, waar hij zowel brood- als banketbakker werd. Na zijn huwelijk met Mina vestigde het paar zich in 1945 in Nes, maar daar zagen ze geen toekomst. In 1952 verhuisden ze naar Joure. Het werk in de bakkerij was zwaar en de dagen begonnen vroeg. Wettelijke regels bepaalden dat er niet voor vijf uur ’s ochtends gebakken mocht worden en dat vers brood pas na tien uur verkocht mocht worden. De politie controleerde dit streng. Het bakproces vergde veel tijd: deeg mengen, rijzen, ovens opstoken en vervolgens brood, banket en roggebrood bakken. Door de lange werkdagen schoot het sociale leven er vaak bij in, al vormden de avonden van de Fryske Krite een welkome afleiding. Van der Brug had in de beginjaren meerdere venters in dienst, maar door personeelstekorten stopte het venten in de jaren zeventig. De winkel werd enkele keren verbouwd en gemoderniseerd; de woonkamer aan de straatkant verdween om ruimte te maken voor een grotere winkel en etalage. Meinte stond bekend om zijn vakmanschap, vooral in banket. Zijn bruidstaarten, suikerbrood, oranjekoek, hazelnootpunten en sukadekoeken waren geliefd. Rond Sinterklaas en Kerst maakte hij uitgebreide etalages, soms met een miniatuurkerk van suikergoed. In 1979 droeg de familie de zaak over aan zoon Jan, die er veertien jaar mee doorging. Daarna nam de familie Hallema het bedrijf over en in 2026 de fam. Lenes. Na zijn pensionering wijdde Meinte zich aan tekenen en schilderen, een oude jongensdroom. Hij woonde tot op hoge leeftijd in Joure, waar hij na het overlijden van zijn vrouw Mina in 1999 alleen verder leefde, omringd door zijn schilderijen en enkele kippen in de tuin. Meinte overleed in 2012 Nu iets fijns, nu iets nieuws! t.g.v. de officiële opening (dus alleen die dag) 250 gr. Goudse moppen en 10 fijne spritskoeken voor fl.1,20…. Met deze aanbieding in de Jouster Courant opende Meinte van der Brug op 12 april 1952 zijn bakkerij met winkel in Joure aan de Midstraat. Nu bijna 75 jaar geleden. De bakkerij en winkel zijn er nog. Per 2026 zwaait de familie Lenes er de scepter.  Meinte werd in 1919 in Oosterend geboren. Na de lagere school kwam hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren. Om zelfstandig bakker te kunnen worden, heb je diploma’s nodig. Dat kon gebeuren op de bakkersvakschool in Leeuwarden. Na verloop van tijd ging ook Meinte naar die school: twee jaar voor broodbakker en een jaar voor banketbakker. Nadat Meinte en Mina in het huwelijksbootje waren gestapt, vestigde het jonge paar zich in een bakkerij in Nes (Dongeradeel). Dat was in 1945. Ze bleven er zes en een half jaar en kregen er twee kinderen. Ze zagen in dat ze daar op den duur geen goed bestaan konden opbouwen. Dat hadden ze goed gezien. Vroeg opstaan maar de wet... Het was hard werken in de bakkerij en de winkel. Om half vijf ’s morgens uit de ver en. Op zaterdag zelfs om twee uur in alle vroegte. Het was wettelijk bepaald dat je ’s morgens niet voor vijf uur mocht bakken en dat er voor tien uur geen vers brood verkocht mocht worden. Dit om nachtarbeid tegen te gaan. De politie controleerde dat. Van der Brug herinnert zich dat de politieman Van der Veen hem één keer heeft bekeurd omdat hij na een nogal laat geworden feestje alvast was begonnen in de bakkerij. Slapen lukte in die paar uurtjes toch niet. De napret van het feestje werd door de bekeuring wel enigszins bedorven. Dat wetsartikel bestaat al een aantal jaren niet meer. Voordat het broodbakproces begon, moest er nog heel wat gebeuren. Het deeg moest gemengd en gewogen worden, het rijzen in de rijskast duurde zo’n drie á vier uur, de oven moest aangezet worden. Daar werden kolen voor gebruikt en later gas. Meng-, afweegmachines en automatische rijskasten maakten het werk wat makkelijker. Na het broodbakken kon de bakker beginnen met het banket, de koek, het roggebrood en andere bakproducten. Het meel kwam uit een meelfabriek (vroeger een molen) in Uithuizermeden en later ook uit Heerenveen. Lange dagen waren het van ’s morgens heel vroeg tot laat in de middag. Dat betekende vroeg naar bed zodat het sociale leven er vaak bij in schoot. Dus weinig samenkomsten in verenigingsverband. Het contact tussen de Jousters bakkers beperkte zich tot een overleg over de vakantieregeling. De avonden van de Fryske Krite vormden daarom bijna de enige ontspanning voor het bakkersechtpaar.  Een bakkerij doe je niet alleen In het begin had Van der Brug enkele venters in dienst o.a. in St Nicolaasga. In Joure was het o.a. Van der Heide die er met de venterskar op uit trok. Zij werkten voor een vast loon met provisie van hun verkoop. Op die venterskarren stond eens als reclame: ‘Van der Brugs brood maakt sterk en groot’, maar dat verdween weer omdat de venters daar niet zo gecharmeerd van waren. Ook leverde hij wel bakkerswaren aan losse venters die op eigen risico ventten. Omdat er moeilijk venters te vinden waren was het in de zeventiger jaren afgelopen met het venten of ‘suteljen’. De klanten werd verzocht hun bakkersspullen zelf in de winkel op te komen halen. In de bakkerij had Van der Brug twee medebakkers, in de winkel een winkelmeisje en ook zijn vrouw hielp veel in de winkel. Zijn vrouw deed ook de boekhouding. Een paar verbouwingen maakten o.a. de winkel en de etalage groter en meer bij de tijd. De woonkamer aan de straat werd opgeofferd. Achter de winkel was leefruimte en boven nog een aantal kamers. De gevel verloor helaas aan de top z’n oorspronkelijk aanzien.   Tijd voor hobby’s? Tijd voor hobby’s had de bakker niet. Zijn enige hobby was bakken en vooral banket had zijn voorliefde. Veel plezier had hij aan het maken van bruidstaarten. De mooiste had een hoogte van vijf lagen. Speciaal zijn suikerbrood, oranjekoek en hazelnootpunten werden geroemd. Wat wij altijd bijzonder lekker vonden waren zijn sukadekoeken. In de Sinterklaastijd lag er op een grote tafel in de winkel allerlei sinterklaasgoed uitgestald. Zo omstreeks de Kerst maakte hij wel eens een miniatuur kerk van suikergoed voor in de etalage. Een indrukwekkende hoeveelheid prijzen en diploma’s kon hij nog laten zien. Kwaliteit stond immer hoog in z’n vaandel. In 1979 dacht de familie Van der Brug lang genoeg gewerkt te hebben. De opkomst van de supermarkten had het er voor de kleine zelfstandigen niet gemakkelijker opgemaakt. Hun zaak draaide goed maar het was (soms té) hard werken voor wat je er in de portemonnee voor terug zag. Ze deden de zaak over aan hun zoon Jan, één van de vier kinderen die ze hadden. Die hield het na zo’n 14 jaar voor gezien en de familie Hallema de zaak overnam. Op haar beurt gaf die het bedrijf per januari 2026 weer door aan bakker Lenes. Het is van de vele vroegere bakkers nog de enige echte bakker in Joure die z’n brood zelf hier nog bakt. Hoewel bakker Breimer in Joure wel banket maakt, wordt z’n brood in Lemmer gebakken. Schilderen een jongensdroom Over de vraag of hij weer bakker zou zijn geworden als hij voor die keuze gesteld zou kunnen worden, moest Van der Brug even denken. Hij antwoordde even later glimlachend: “Ja, as dat kinne soe, mar dan wol mei deselde frou. Sij wie tige saaklik en ik wie foaral fakman. Dat wie in prima kombinaasje”. En daar had hij gelijk aan. In zijn vrij nieuwe woning aan de Kolkstraat spraken we over zijn bakkersverleden van meer dan vijftig jaar. Bij de koffie aten we oranjekoek!  “Ut deselde bakkerij as froeger”, zei Van der Brug er met pretogen bij. Nog steeds prima van smaak. Zijn hobby is nu tekenen en schilderen. Dat was te zien. Er hingen en stonden enkele niet onverdienstelijke voorbeelden van zijn kunnen in z’n woning. Zelfs volgt hij nog schilderles en dat is kras voor een 85-jarige. Eigenlijk een jongensdroom maar in het schilderen en tekenen was in zijn jeugd geen ‘droog brood’ te verdienen, vond zijn vader. Dus dan toch maar liever bakker. Hij woonde tijdens dit interview in 2004 alléén want zijn vrouw Mina van der Brug overleed in 1999. Samen hebben ze nog 20 jaar ‘stil’ in hun nieuwe huis kunnen wonen aan de Kolk…. Buiten in de ren liepen enkele gevederde vrienden van hem rond. "Och, in pear hintsjes der hew ik wol aerdichheid oan", zei Meinte van der Brug. Meinte overleed in 2012.

De werf aan de Slachtedijk:  De Helling Onderstaand is een verkorte versie van twee oorspronkelijke artikelen De werf aan de Slachtedyk in Joure, tegenwoordig bekend als De Helling, is één van de oudste historische locaties van het dorp. Volgens documentatie bestond de werf waarschijnlijk al vóór 1653, het jaar waarin in de proclamatieboeken van Haskerland voor het eerst melding wordt gemaakt van ‘meester Schuytmaker Jan Alberts op de ‘Jower’’. De werf maakte deel uit van een bredere ontwikkeling van Joure in de 17e eeuw, een periode waarin de Vlecke sterk groeide dankzij gunstige waterwegen en de inzet van de grietmannen uit de familie Van Baerdt. De aanleg van De Kolk in 1614 – een verbreding en verdieping van de Overspitting – vormde een belangrijke impuls voor de scheepvaart. De Kolk werd een veilige binnenhaven, beschermd tegen stormen en vijandige scheepslieden. In het document staat dat schippers hier geen last hadden van ‘storm, hoge vloeden en oorlogszuchtige scheepslieden’ zoals in kustplaatsen als Stavoren en Harlingen. Hierdoor werd Joure een aantrekkelijke thuishaven voor koopvaardijschepen, vooral kofschepen. De economische bedrijvigheid in Joure was groot. De inwoners stonden bekend als ‘neerstich’ – ijverig – wat onder meer leidde tot een bloeiende handel in agrarische producten, klokken en koper. De predikant Sixtus Brunsveldt waarschuwde in 1656 zelfs de Jousters:  “ik bid u, terwijl gij so neerstich sijt om uw tijdlijck Broot in alle plaatsen te winnen… dat gij wat meer voor het Broot uwer sielen werckt”. De handel zorgde voor drukte op de vaarwegen, met beurtdiensten naar onder meer Sneek, Lemmer, Amsterdam en Enkhuizen. In 1749 telde Joure 1327 inwoners, waarvan er 52 schipper waren. Inclusief gezinnen en knechten leefden 301 mensen direct van de scheepvaart. Daarnaast waren er drie scheepsbouwers, drie smeden, één touwslager en 47 arbeiders die in de scheepvaart werkten. Onderzoeker R.S. Roorda concludeerde dat in de 18e eeuw ongeveer een kwart van de bevolking afhankelijk was van de scheepvaart, en dat er in die eeuw veertien scheepswerven actief waren. De scheepsbouw in Joure stond goed aangeschreven. In 1788 werd gesproken van “twee vermaarde Scheepstimmerwerven… wier baazen al voor lang den lof hebben gehad, dat zij zeer fraaie en snel zeilende koffen konden timmeren” . De werf aan de Slachtedyk was de grootste van deze twee. Hier werden onder meer koffen, schoeners en galjoten gebouwd. Het leven aan boord van een kofschip was zwaar en primitief. De bemanning sliep op opgevouwen zeilen in een lage roef, waar gereedschap aan de dekbalken hing. Bij storm werd een dekzeil over de roef gespannen om het droog te houden. In Oostzeehavens moest men voortdurend op diefstal letten, en koken aan boord was vaak verboden. Om risico’s op zee te beperken richtten Jouster schippers in 1736 het Schipperscompact op, een onderlinge verzekering waarbij men per reis premie betaalde. Uit de ‘gemeene kiste’ werden schades en nabestaanden vergoed. Tussen 1805 en 1856 werden in Joure 57 kofschepen gebouwd, waarvan er 31 verongelukten. Een deel daarvan kwam van de werf aan de Slachtedijk, waar de families Geerts en Gerrits generaties lang de leiding hadden. Periode van bloei Hierna volgt een periode van bloei onder Hette Geerts, die in 1823–1824 de oude werfgebouwen liet vervangen door een grote nieuwe schuur. Deze uitbreiding leidde tot een sterke productie: ‘toen van 1825 tot augustus 1827 acht kofschepen en drie tjalken van stapel liepen’. Toch stortte de scheepsbouw voor zeevaart na 1850 in door economische malaise en het wegvallen van overheidspremies. Toen Geerts in 1856 overleed, was de werf vrijwel leeg en zonder perspectief. De opvolger werd gevonden in Eeltsje Holtrop van der Zee uit IJlst, die in 1857 de werf huurde van jonkheer Vegelin van Claerbergen. Eeltsje had het vak geleerd van zijn grootvader Holtrop en stond bekend als een uitzonderlijk vakman. Hij bouwde op gevoel, zonder tekeningen: “Myn each is myn rij”. Zijn werfboeken tonen dat hij in Joure begon met een klein wildschietersbootje, maar al snel groeide de productie explosief. In totaal bouwde hij circa 850 schepen van twintig verschillende typen, waaronder beurtschepen, visaken, tjalken, snikken, boeiers en Friese jachten. Zijn reputatie werd vooral bepaald door de Friese jachten en boeiers, die bekend stonden om hun fraaie lijnen, snelheid en verfijnd houtsnijwerk. De boeier Friso, het statenjacht van Fryslân, geldt als zijn meesterwerk. Eeltsje’s schepen waren geliefd bij welgestelde opdrachtgevers en domineerden vaak zeilwedstrijden dankzij hun bijzondere onderwatervorm, met een gepiekte bodem die het water beter losliet. Het werk op de werf was zwaar: 30 tot 40 timmerlieden werkten van vijf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds. Alles gebeurde met de hand, van het branden van boegen tot het krom maken van planken. Eeltsje was streng: wie afweek van zijn vorm moest opnieuw beginnen. Hij kocht zelf het hout in Leeuwarden en liep daar ’s nachts heen met een flinke buidel geld op zak. Na 1880 kreeg de werf te maken met economische tegenslag, onder andere door de landbouwcrisis van 1877. Toch bleef Eeltsje bouwen, soms zelfs schepen ‘op de koop’ wanneer er geen opdrachten waren. Hij bleef een markante figuur in Joure, actief in kerk en politiek, en richtte zelfs de partij Recht voor allen op. Hij overleed in 1901. Zijn zoon Auke van der Zee zette de werf voort en introduceerde ijzeren schepen, waaronder motorboten en het kieljacht Stella. Hoewel hij een bekwaam vakman was, miste hij de creativiteit van zijn vader. De jaren ’20 en ’30 waren economisch zwaar en de werf kwam stil te liggen. Auke overleed in 1939. Na de tweede wereldoorlog kwam de werf in handen van de familie De Jong (Douwe Egberts), die het culturele belang ervan inzag. Restauraties volgden en nieuwe huurders hielden de scheepstraditie levend. In 1978 werd de werf eigendom van Stichting Het Kofschip, die het erfgoed bewaart. Ook andere stichtingen zetten zich in voor het behoud van de nalatenschap van Eeltsje en Auke.  Vandaag de dag is de werf nog steeds een levend monument van Friese scheepsbouwkunst met een lange periode van bloei.

Harmen Jans Groen en de Watersnood van 1825 Harmen Jans Groen, woonachtig in Vierhuis bij Sintjohannesga, was visser, loods en turfmaker. Zijn eenvoudige turfmakerswoning lag strategisch aan de Broeresloot, vlak bij het gevaarlijke Tjeukemeer. Op 3 februari 1825 trof een uitzonderlijk zware noordwesterstorm Friesland. Door springvloed en dijkdoorbraken bij onder meer Lemmer, Kuinre en Blankenham veranderde een groot deel van de provincie in een binnenzee. Groens eigen woning werd door het oprukkende zeewater verwoest, maar hij wist zijn gezin op tijd in veiligheid te brengen. Terwijl het water steeg en mensen in doodsangst op zolders en hooibergen vluchtten, voer Groen met zijn wankele punter door het woeste water om overlevenden te redden. Bij de boerderij van Ype Bernardus Holtrop wist hij een groep van circa 25 mensen te bereiken, die in een losgeslagen praam waren gevlucht. Met een lijn die hij hen toewierp, bracht hij hen in veiligheid op een turfschip. Ook op de dagen erna bleef hij zoeken naar drenkelingen, samen met Nanne Koopmans. In totaal redde Groen 37 mensen van de verdrinkingsdood. De ramp had enorme gevolgen: 150 vernielde woningen, 50.000 mensen die alles verloren, duizenden stuks vee verdronken en in de jaren erna een zware malaria-epidemie die in sommige dorpen meer dan een zevende van de bevolking het leven kostte. Ooggetuigenverslagen, zoals die van schoolmeester Feenstra uit Doniaga en Epke van Bienema uit Heerenveen, schetsen een beeld van chaos, angst en verwoesting. Voor zijn moed ontving Groen waardering van koning Willem I en de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen, al werd hij lokaal ook slachtoffer van roddel. Uiteindelijk werd hij volledig gerehabiliteerd. De H.J. Groenstraat in Sintjohannesga is een blijvend eerbetoon aan deze moedige mensenredder.

Op 28 april 1778 vond bij de Haskerbrug in Oudehaske een opmerkelijke en chaotische gebeurtenis plaats die later bekend werd als de “poepeninvasie”. Al eeuwenlang trokken in het voorjaar honderden Munsterlanders – in Friesland vaak “poepen” genoemd – de grens over om als marskramers (kiepkerels) of hannekemaaiers hun brood te verdienen. Meestal waren deze seizoensarbeiders welkom, maar sommigen hielden zich bezig met smokkel, vooral van linnen en andere textielwaren. Om ontdekking te voorkomen verzonnen de smokkelaars steeds nieuwe routes. De Munsterlanders vervoerden hun goederen via het Bentheimse naar Overijssel, waar ze in pramen en turfschepen werden geladen. Via de Vecht, Giethoorn, Ossenzijl, de Linde, Kuinre en de Tjonger bereikten ze uiteindelijk Oudehaske, destijds een belangrijk douaneknooppunt met zes commiezen. Op de bewuste avond arriveerden zes turfschepen, opvallend zwaar bemand met 8 à 10 mannen per schip. De douaniers vertrouwden het niet en begonnen de lading te controleren. Onder de turf bleek linnen verborgen. Zes “poepen” die de wacht hielden, gedroegen zich brutaal en gooiden zelfs turf naar de commiezen. Toen een van de douaniers versterking ging halen, doken overal in het dorp Munsterlanders op, sommigen gewapend met hooivorken. Aangemoedigd door veenbaas Theunis Jacobs de With vielen ze de commiezen aan. De douaniers werden zo zwaar mishandeld dat ze moesten vluchten. Die nacht werd veel linnen gelost en weggevoerd, maar de volgende dag wist men toch meerdere daders te arresteren. In sommige schepen werd wel 4000 pond linnen gevonden. Zes mannen werden veroordeeld tot twee jaar verbanning uit Friesland. De With, gezien als aanstichter, werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs en zijn aanzienlijke invloed. Ook andere betrokkenen, zoals Otte Jans en Foppe Pieters, ontliepen vervolging. De gebeurtenis toont hoe levendig – en soms explosief – de grenshandel in de 18e eeuw kon zijn.   Volledige tekst Smokkel in de Haske Poepeninvasie in Haskerland dinsdag 28 april 1778 De invasie werd een strijd en vond plaats op de avond van 28 april 1778 bij de Haskerbrug in het vredige Oudehaske. In deze strijd speelden de turfschepen van de Munsterlanders een grote rol, want ……..de “poepen” kwamen met turfschepen. En als er in Oudehaske niet een aantal wantrouwige “landsbedienden” (douane) was geweest, wellicht hadden de turfschepen ongemerkt hun lading gelost en zou niemand meer weten wat zich op die avond afspeelde bij de Haskerbrug. Dat er in vorige eeuwen honderden Munsterlanders en andere Duitsers als marskramers of ‘lapkepoepen’ in het voorjaar over de grens kwamen om hier hun koopwaar op het platteland te verkopen is bekend. Ook weten we dat er tegelijk veel “hannekemaaiers” langs dezelfde wegen hier kwamen om de boeren te helpen bij het maaien. De eerste groep noemen we ook wel kiepkerels. Bepaalde zaken in Leeuwarden en Sneek hebben weinig Nederlands klinkende namen en meestal danken dergelijke zaken hun bestaan aan een “kiepkerel”, die naar het rijke Friesland kwam om wat te verdienen met zijn handel. Zo stichtte Bernhard Voss in 1797 z’n winkel in Bolsward, in Sneek deed Benedictus Lampe dat in 1834, gevolgd door Clemens en August Brenninkmeijer in 1841 eveneens in Sneek. Anton Dreesman en Willem Vroom openden in 1881 hun zaak in Amsterdam en in 1880 deed Johann Theodoor Peek  (met Cloppenburg) dat in Den Haag. De kiepkerels met hun kiepen (een soort mand voor de koopwaar) of ladenkastjes op de rug verdwenen hierdoor langzamerhand van het platteland.  De activiteiten van zowel de handelende kiepkerels als de maaiende hannekemaaiers die hier te voet kwamen, kwam de boerenbevolking op het platteland goed van pas. De Poepen bij Oudehaske probeerden met illegale middelen rijk te worden.   Hoe kwamen die Poepen hier? Hoe groot elk jaar deze vreedzame “poepen”-invasie was, is moeilijk te achterhalen, maar het zullen er ongetwijfeld vele honderden geweest zijn. Dat daarbij vaak getracht werd goederen, meest textielwaren (linnen,wollen,enz.) over de grens te smokkelen, is ook een feit. We vinden enige malen in de processtukken dat dergelijke lieden werden gegrepen en veroordeeld. Om nu zo weinig mogelijk risico te lopen werd er van alles verzonnen. De Munstersen brachten de goederen naar het “Bentheimse” en daar werd de smokkelwaar in pramen en schepen geladen, die blijkbaar de Vecht konden afzakken. Mogelijk heeft de douane van Overijssel de schepen inderdaad als turfschepen beschouwd. Vanaf de Vecht ging men dan door de Giethoornse wateren en Ossenzijl, over de Linde naar Kuinre en dan via de Tjonger, Vierhuizervaart en Hogedijkstervaart naar Rottum en zo naar Oudehaske. De vaart van Rottum naar Oudehaske loopt nu uit in het Nannewijd, dat er toen nog niet was. Destijds lag ongeveer 100 meter ten westen van de driesprong (bij de kerk in Oudehaske) de bekende Haskerbrug. Ten noorden hiervan kwam men in de Haskervaart en kon men vandaar Heerenveen en ook Joure gemakkelijk bereiken. Oudehaske het centrale punt Oudehaske schijnt destijds een centraal punt geweest te zijn, getuige het feit, dat daar zes “landsbedienden” (commiezen) waren gestationeerd. Alle binnenvaart uit Overijssel ging hierlangs. Nu moet het voor de douane wel vreemd geweest zijn dat de “poepen” met zes schepen, geladen met turf uit het zuiden kwamen, want het was toch algemeen bekend dat deze lieden in de regel geen turfhandelaren waren. Bovendien passeerden de meeste turfschepen in zuidelijke richting. Toch schijnt reeds meerdere malen op deze wijze de smokkelhandel bedreven te zijn. Want er waren enkele veenbazen in Oudehaske die heel goede maatjes met de Munstersen waren. Dat waren Theunis Jacobs de With, Jan Aarts de With en Pieter de Koudewinter. Behalve deze veenbazen waren er nog twee personen die de “poepen” graag zagen komen n.l. Otte Jans, winkelier in zoetwaren en Foppe Pieters, koopman in linnen, “hebbende eene groote winkel in de Haske”. Zij waren het die op die dinsdagavond “toevallig” bij de brug waren en niet gemerkt hadden dat er iets bijzonders aan de gang was. Wel hadden zij de “landsdienaren” gezien die zich met de schepen bezig hielden en ook een menigte “poepen”, maar zonder “bemoeienis” hiermee gehad te hebben waren ze naar bed gegaan, behalve dan Jan Aarts de With. Die had blijkbaar meer gezien, vandaar dat hij het buiten Friesland voorlopiger veiliger vond. Ubbe Sijbrands, de 50-jarige dorpsrechter van Oudehaske was die avond omstreeks 11 uur uit zijn bed gehaald, om de “landsbedienden” bij te staan. Er viel toen echter voor deze boer met de “snaphaen” al weinig meer te doen, want de strijd van de Friese “soldaten” was geëindigd met een nederlaag tegen de overmacht. Het gezag verliest de slag maar… Wat was er gebeurd? Tegen de avond arriveerden zes turfschepen op de rede van Oudehaske. Ze waren behalve met turf ook beladen met mensen. Op elke schuit voeren 8 a 10 man mee. Voor de brug in Oudehaske werd halt gehouden, blijkbaar om wat te gaan eten en de dorst te lessen, alsmede een bespreking te hebben met de “kameraden”. De “landsdienaren” vertrouwden de mannen niet erg, want het was hun duidelijk dat het Munstersen waren en zij wilden wel eens zien wat er onder de turf verborgen was. Vijf  “poepen” en een “half-poep” te weten Joost Tijbes en verder Geert Lammerts, Harm Geusing, Harm Scholten, Geert Boetens uit Munsterland en Dirk Lautenbach uit Harlingen, hielden de wacht bij de turf. Tijdens het zoeken door de commiezen werd het genoemde zestal zeer brutaal. Het gezag werd beledigd en een van de zes was zo vrij om een turf tegen het zitvlak van een commies te gooien. Daar de comiezen dieper begonnen te graven en het linnen zagen, ging één man er op uit om assistentie te halen. Overal in Oudehaske doemden de “poepen” op die, schreeuwend en scheldend, sommigen met hooivorken bewapend, op de commiezen afgingen. Theunis Jacobs de With stond op een verhoging en vuurde de “poepen” aan: ”Toe maar, sla er op”.  De Friese commiezen konden er niet tegenop, getuige de tekst: “zoodanig dat de landsbedienden door het menigvuldig slaan en schoppen en andersints door het zestal zoo ijselijk wierden mishandelt dat zij om haar leven te salveren, genoodzaakt waren de visitatlinnen te overhandigen", vermelden de processtukken niet. Zes werden gearresteerd, die allen bekenden. Zij werden overgebracht naar Leeuwarden. De zes mannen werden voor twee jaren uit Friesland verbannen. De overige daders gepakt Ofschoon er die nacht veel linnen werd gelost en de “poepen” er de volgende dag mee vandoor gingen, kreeg men ze te pakken. Het bleek dat er uit sommige schepen wel 4000 pond linnen te voorschijn kwam. Hoe men er in geslaagd is deze troep van 50 á 60 man een heel lichte straf te geven is de vraag, gezien hetgeen er gebeurd was. Met Theunis de With was het moeilijker. Hij werd als de aanvoerder beschouwd, maar was een man met geld. De rechters achtten zijn schuld niet bewezen en spraken hem vrij. Jan Aarts de With, Pieter de Koudewinter, Otte Jans en Foppe Pieters zijn niet voor het Hof geweest. Zij gingen met andere “poepen” vrijuit wegens gebrek aan bewijs.

De winter van 1965–1966 stond in Friesland bekend als uitzonderlijk nat. Na extreme regenval veranderden dorpen als Goingarijp en Terkaple binnen korte tijd in kleine eilanden, omringd door een uitgestrekte watermassa die reikte van Sneek tot voorbij Terkaple. Wegen verdwenen onder water, waardoor bewoners alleen nog tussen paaltjes door konden rijden om het asfalt te vinden. Auto’s liepen gemakkelijk vast; wie een deur opendeed, riskeerde dat het water naar binnen stroomde. In huizen en schuren stond soms bijna een meter water. Kolen, nog de belangrijkste brandstof, dreven weg of raakten onbereikbaar. Aardappelen dreven in kelders, kinderen vielen voortdurend van geïmproviseerde plankieren, en dieren moesten soms hals over kop worden gered. Ondanks alle ongemakken toonden de dorpen opvallend veel vindingrijkheid en saamhorigheid. Toen de waterleiding uitviel, legde het waterleidingbedrijf zelfs een bovengrondse plastic noodleiding aan. Het gemeentebestuur verbood autoverkeer om verdere schade aan de doorweekte wegen te voorkomen, maar toch kwamen in het weekend ramptoeristen kijken naar de “Friese binnenzee”. De overstromingen waren mede het gevolg van grootschalige inpolderingen, ruilverkavelingen en moderne bemaling, waardoor natuurlijke waterberging verdween. Pas met de bouw van het Hooglandgemaal werd het probleem structureel opgelost.       Impressies van een natte winter (1965/’66)  Na de heel erg droge zomer van 2003 kan het interessant zijn om nog eens wat herinneringen op te halen aan de natte winter van 1965-1966. In de herfst ontstond er na overvloedige regenval in korte tijd een situatie, waarbij de dorpen Goingarijp en Terkaple binnen heel korte tijd als eilandjes in een zee van water lagen. Akmarijp ontsnapte voor een deel ternauwernood aan overstroming. Natuurlijk was er ook daar veel schade en ongerief door de hoge waterstand, maar een algehele duik onder het wateroppervlak bleef de mensen bespaard. Niet alleen de landerijen, maar ook de wegen waren op verschillende plaatsen  onder het water verdwenen. Om van Terkaple naar Goingarijp te kunnen gaan, moest men per fiets of auto tussen twee rijen paaltjes blijven rijden, om er zeker van te zijn, dat daar onder het water asfalt lag. Bovendien moest je met de auto heel voorzichtig rijden, want bij te grote snelheid was er een grote kans dat de motor afsloeg. Deed men dan de deur open om uit te stappen, dan liep de wagen vol water. Aardappelen dreven in de kelder Op verschillende plaatsen waar water op de weg of op de erven stond, maakten de bewoners met allerlei materialen bruggetjes om met droge voeten in huis te kunnen komen. Natuurlijk bracht deze manier van dagelijks leven veel ongerief met zich mee. Stel je voor: ’s nachts loopt ineens de polder, waar je huis staat, vol water. Als je de volgende morgen wakker wordt, blijkt in het schuurtje achter je huis bijna een meter water te staan en onder die meter water ligt ergens de brandstofvoorraad voor de kolenkachel. Het aardgastijdperk was nog niet aangebroken. Dus geen brandstof, geen warmte. Brandstofhandelaar Dijkstra en anderen uit Joure,  kwamen bijna dagelijks de voorraad aanvullen; een half mudje kolen in de gang onder de kapstok was de enige oplossing. Winteraardappelen? Die dreven in veel gevallen rond in de kelder. Jonge moeders werden bijna tot wanhoop gedreven als hun kind bij het buiten spelen voor de vierde keer op een dag van het plankier, dat van de weg naar de deur leidde, afgleed en in het water terecht kwam. Hoe kreeg je het voor elkaar je kind iedere keer weer van droge kleren te voorzien? Even in de droger ging niet, want die waren nog niet uitgevonden. Tal van grote en kleine problemen deden zich voor. En dan de man, die, toen het ’s morgens licht werd, ontdekte dat de polder achter zijn huis die nacht vol was gelopen en het water tegen de muren van zijn huis klotste. Ineens realiseerde hij zich, dat achter in de lager gelegen tuin zijn konijnen nog in de hokken moesten zitten .Tot zijn middel door het water wadend, begon hij aan een reddingspoging. De dieren bleken met moeite de kopjes boven water te kunnen houden. Gelukkig had de buurman nog logeergelegenheid op het droge voor de beestjes. Nood maakt vindingrijk Hoewel het dagelijks leven voor de inwoners van de dorpen ineens een stuk ingewikkelder was geworden, was het opvallend hoe snel en soepel de aanpassing aan de nieuwe situatie verliep. Mensen in noodsituaties blijken vindingrijk te zijn. Ook  de saamhorigheid in de dorpen was in die benarde tijd groot. Goingarijp kreeg te maken met een nieuw probleem, toen bleek dat de leidingwatervoorziening stokte. De druk was verdwenen en de kranen druppelden nog wat na. Blijkbaar was er ergens een lek ontstaan, maar dat was onder het wateroppervlak niet op te sporen. Het waterleidingbedrijf heeft toen bovengronds een plastic leiding aangelegd van Terkaple naar Goingarijp. Een mooie noodvoorziening en nu maar hopen dat het niet te hard zou gaan vriezen, want dan zou de drinkwatervoorziening weer gevaar lopen  te bevriezen. Auto’s verboden Het gemeentebestuur van Utingeradeel verbood het autovervoer over de wegen, omdat de ondergrond en de bermen totaal doorweekt waren. Slechts met een speciale vergunning voor de inwoners, de streekbus en de toeleveringsbedrijven mocht men de wegen berijden. Tóch kwam er in de weekeinden nog ramptoerisme op gang. Elke automobilist kreeg een bekeuring van tien gulden. Voor veel kijkers bleek dat geen bezwaar. Met vier personen in de wagen beschouwde men dat in veel gevallen als een toegangsprijs per persoon van een rijksdaalder. Het is in deze tijd niet meer voor te stellen, dat er één grote zee was ontstaan van Sneek tot voorbij Terkaple. Sneekermeer en Goingarijpsterpoelen waren niet meer van het land te onderscheiden. Het was een enorme watermassa geworden, waarin van alles ronddreef wat oorspronkelijk op een boerenerf lag opgeslagen. Oorzaak? Hoe had dat ooit kunnen gebeuren? In de zestiger jaren werd in Friesland veel boezemland (bûtlân) ingepolderd. Deze gebieden waren oorspronkelijk bedoeld als waterberging in tijden van extreem hoog water. Door de vele inpolderingen gingen deze opslagplaatsen voor water verloren. Ook door de vele ruilverkavelingen en betere bemaling met moderne gemalen, in plaats van de oude (Amerikaanse) windmolentjes, werden de polders veel sneller leeggemalen en daardoor het boezempeil veel sneller verhoogd. Het provinciale Woudagemaal (Teakesyl) bij Lemmer kon dat niet snel genoeg verwerken en dus steeg het boezempeil bij extreme regenval enorm snel. Toen in de jaren daarna het Hooglandgemaal bij Stavoren werd gebouwd, was het leed snel geleden. Nu, na de eeuwwisseling, is echter de discussie weer op gang gekomen over de stichting van nóg een nieuw gemaal, mede door de overvloedige regenval van de laatste jaren.

Een treffendere benaming dan "Giethoorn aan de Hurdspytsje" voor het gebied van de Overspitting tussen de E.A. Borgerstraat en de bocht van de Sewei, zoals oudere Jousters het kenden, is nauwelijks te bedenken. Een rij van ongeveer tien "heechhouten" (hoge houten bruggen) verleende dit gebied een romantisch karakter. Het verhaal over het ontstaan van de naam "Hurdspytsje" is enigszins romantisch, althans als we de overleveringen van mensen als D.Tj. de Vries, destijds redacteur-uitgever van de Jouster Courant, en de oud-Jouster Jelle Hesselius mogen geloven. De één schreef erover, de ander vertelde erover. Niemand kan echter garanderen dat deze overleveringen volledig op feiten berusten. Het verhaal begint vermoedelijk in de tijd dat Ulbe van Hoytema grietman van Haskerland was (1549-1558). Hij zou opdracht hebben gegeven om de in verval geraakte verbindingsvaarten in Westermeer opnieuw uit te graven, mede omdat rond 1550 vanuit Heerenveen de Heerensloot werd of zou worden gegraven. Een overweging kan zijn geweest dat men een deel van het vervoer naar het buitenwater via Joure wilde leiden. Bovendien was een verbinding met de nieuwe turfwinningsgebieden aantrekkelijk. Alles draaide tenslotte om het "aardgas" van toen: turf. De Overspitting werd gerealiseerd. De platte draaien en lastige sleepbarten werden vervangen door heechhouten, waar schepen met gestreken mast onderdoor konden varen. Grietman Van Hoytema zou zich intensief hebben ingezet voor de voortgang van het werk en de arbeiders zo hebben opgejaagd dat de naam "Hurdspytsje" ontstond. De vergelijking met Giethoorn ontstond veel later. Mogelijk zagen bereisde Jousters in Giethoorn overeenkomsten met hun eigen omgeving. Het kan ook zijn dat na de 18e eeuw de aanwezigheid van veel Gieterse turftrekkers in deze omgeving een rol speelde. Zeker is dat er in de Overspitting veel werd gepunterd door boeren en tuinders, die via deze vaarweg hun producten naar de Libra-boten van Kramer brachten. Deze boten verzorgden het verdere vervoer naar de veiling in Sneek. Tijdelijk hoefde men niet verder te varen dan tot de Jouster veiling, die in 1933 aan de Overspitting, tussen de E.A. Borgerstraat en de Oosterstraat, werd gevestigd. Deze veiling kende echter geen lang bestaan. De "grote vaart" in de Overspitting was in 1932 eigenlijk al verleden tijd. De laatste modderschipper kwam dat jaar met zijn schip vast te zitten, zo erg dat het achterstevoren moest worden teruggebouwd. Daarmee kwam een einde aan de droom van grietman Van Hoytema. De Overspitting is overigens nooit een echt goed vaarwater geweest. Aanvankelijk lagen er te veel "zetten" en "tillen" overheen, en later al die heechhouten in Westermeer. Een zeil kon niet worden gevoerd en er kon niet worden gejaagd, omdat er geen jaagpad was aangelegd. Philip Vegelin van Claerbergen, van 1707 tot 1738 grietman van Haskerland, had er dan ook geen moeite mee om in 1716 de Overspitting af te snijden door er dwars doorheen een polderdijk aan te leggen. Hij had weer een nieuwe polder laten maken. Hoewel de Overspitting als vaarwater dus niet veel voorstelde, bleef het karakter tot rond 1970 aardig bewaard. Daarna veranderde ook daar alles. Gelukkig is door de aanleg van vijverpartijen en de aanwezigheid van bruggetjes nog iets van het oude landschap in de nieuwe woonwijken van Joure terug te vinden.

Zondag 7oktober 2001 werd een leegstaand pand aan de Polderboskdyk  te Joure in de as qelegd  Niet veel later werden de geblakerde muren met de grond gelijk gemaakt. In de krant werd aan die gebeurtenis nauwelijks aandacht besteed. Toch ging voor veel Jousters, vooral ouderen, een herinneringspunt uit lang vervlogen tijden verloren. Daarom toch nog maar een terugblik. Nee, het was geen monumentaal bouwwerk, maar de bestemming sprak veel mensen toch wel aan. Voor de buitenwacht in ieder geval de tijdelijke bestemming van café. De 'gelegenheid' was overigens beter bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje', maar daarover later meer. Het gehele pand, het cafégedeelte met daarnaast een vrij kleine woonruimte en daar weer naast een grotere woning, was oorspronkelijk genummerd Westermeer A 1. Reeds in 1852 komt dat adres in de registers van de voormalige gemeente Haskerland voor. Bewoner was toen Foppe Gerbens Huitema, die in de boeken als boer staat genoteerd. De volgende bewoner was Tijmen Hendriks Loen. In de registers wordt hij soms aannemer genoemd en soms opzichter. Het lijkt aannemelijk dat het cafégedeelte een aanbouw is die op een wat later tijdstip is gerealiseerd. Dat zou dan wel eens het werk kunnen zijn geweest van de zojuist genoemde Tijmen Loen. In een 'register van aangiften ter bekoming van tijdelijke vrijdom en verhoging van grondbelasting' wordt zijn naam in verband gebracht met de stichting van een woning. De gevraagde vrijdom zou acht jaar moeten duren, te beginnen in 1859. Vast staat in ieder geval dat in 1862 zijn adres Westermeer A 1 was. Maar hoe dan ook, hij heeft het daar aan de Sewey met zijn gezin, dat uiteindelijk zeven kinderen rijk was, bijna veertig jaar volgehouden. Daarna worden nog als bewoners genoemd de weduwe C. Nijdam en de agent J. Krot. Hun verblijf aan de Sewey was van betrekkelijk korte duur. De jaren van  het café De eerste bewoner die met de horeca in verband kan worden gebracht is Albert Alberda, afkomstig uit Haskerdijken. Hij kwam in 1908 naar Joure, woonde op het adres Westermeer A 1 en wordt in de boeken bierhuishouder genoemd. Zïjn kleinzoon en tevens hulp, Hielke Meijer woonde op hetzelfde adres, evenals later zijn knecht Jan Mulder. Albert Alberda begon met het café in de periode dat op Pinkstermaandag nog de Seweyster Merke werd gehouden. Merke was een groot woord voor de paar diskes die dan aan de Sewey stonden. Op dezelfde dag werd in Oudeschoot de jaarlijkse (paarden)markt gehouden, nu nog altijd bekend als Skoattermerk. Het verband tussen de beide markten ligt wel een beetje voor de hand. Na een bezoek aan de markt in Oudeschoot konden de marktgangers uit Joure en de Zuidwesthoek van Friesland op Seweyster Merke hun laatste centjes versnoepen. Of in het café natuurlijk. Misschien is dat voor Albert Alberda wel aanleiding geweest om het daar aan de Sewey maar eens te proberen met een café. Vetpot is het echter waarschijnlijk niet geweest. Om er toch wat van te maken hield hij kostgangers. Ruimte was er genoeg. Eén van die kostgangers was Marten de With, toen nog kopergietersknecht, maar later alom bekend als melktapper en trommelslager bïj de muziekvereniging ’Concordia’. Het was niet voldoende om het hoofd boven water te houden. In mei 1919 keerde de bierhuishouder Joure de rug toe.De namen van de meeste volgende bewoners zijn wel te achterhalen. Het is echter niet altijd duidelijk in welk gedeelte van het pand zij hebben gewoond. In de periode dat Albert Alberda het probeerde met een café, woonde in het pand ook de imker Jan Das met zijn knecht Jurjen van der Honing. Zij vertrokken in oktober 1921 naar een ander stekje in Westermeer. De volgende bewoner was Teije de Wrede. koopman en postbode. Hij ruilde in mei 1929 de Sewey met de Torenstraat, waar hij op 31 maart 1930 overleed. Wellicht kan hij in zijn Seweyster tijd toch ook wel met het café in verband worden gebracht. Hij kreeg daar namelijk hulp van zïjn schoonzuster Margje Bos, weduwe van de schipper Albert Brandsma. Zij werd ingeschreven als verlofhoudster. De weduwe van Teije de Wrede, Elisabeth Brandsma, vertrok in 1937 naar Nijmegen.Met de komst van Tewes Huizinga, afkomstig uit Uithuizen, kwam in april 1929 weer een echte caféhouder aan de Sewey. Lang bleef hij daar niet wonen en werken. Reeds in mei 1931 vertrok hij naar Wyckel . Mooie pleisterplaats De familie Pieter van der Zwaag hield het aan de Sewey wat langer vol, van mei 1931 tot eind november 1937. In die jaren was het café bekend onder de naam 'Heerlijk Zitje'. Het was een favoriete pleisterplaats voor wandelaars die van een flinke kuiertocht hielden. Een mooie wandeling bijvoorbeeld was 'de Haulstersingel om’, zoals die destijds werd genoemd. Als men, begonnen in Joure, de Scheen achter zich had gelaten, liep men door achtereenvolgens de Haulstersingel, de Breedsingel en de Gravinnesingel. Dan was het nog maar een paar stappen naar ’Heerlijk Zitje'. Daar kon men dan onder het genot van een drankje mooi even de benen strekken.  Een nog wat langere wandeling was 'de Wildehornstersingel om'. Die begon dan op de Vegelinsweg waarna de smalle weg naast 'het kanaal' (nu de Meenscharweg) werd gevolgd tot aan de Wildehornstersingel. Daar kon men rustig wandelen, want de singel was in die tijd nog niet door wegen in mootjes gehakt. Na op de betonbrug over de Overspitting even van het uitzicht te hebben genoten, stond men bij wijze van spreken voor de deur van  'Heerlijk Zitje'. Echte liefhebbers konden links van de zojuist genoemde betonbrug nog even een kijkje nemen in het Polderbos. Na een paar honderd meter al stuitte men op de restanten van een afgebroken molen. Wie lef had en over de bouwval klauterde, kwam terecht in een ongerept stukje natuur. In de nazomer was het Polderbos vooral in trek bij bramenzoekers.Het was best gezellig, die bezoekjes van wandelaars, maar veel meer dan die gezelligheid hield de familie Van der Zwaag er niet aan over. Vandaar dat het café ook beschikbaar was voor het houden van vergaderingen of andere bijeenkomsten van kleine groepjes. Erg veel ruimte was er niet. zodat men al gauw van 'een volle zaal'  kon spreken. Cursus Esperanto In de herfst van 1934 werd in 'Heerlijk Zitje’ een cursus Esperanto gehouden. Cursusleider was Sjoerd de Vrij. Een telg uit een geslacht van meubelfabrikanten, maar wel uit wat ander hout gesneden. Het was de bedoeling dat hij onderwijzer zou worden. Een tijdlang bezocht hij de Hervormde Kweekschool 'Mariënburg' in I.eeuwarden. maar dat werd geen succes. Niet voor de klas dus, maar het bleek geen beletsel voor een mooie carrière elders.In onze jeugdjaren kenden wij elkaar goed. In onze opvattingen over mens en maatschappij scholen wel wat raakvlakken. Bijna vanzelfsprekend volgde ik dan ook de cursus Esperanto. Sjoerd de Vrij zal door het geven van die cursus in financieel opzicht niet rijk zijn geworden. Maar in een van de vrouwelijke cursisten, Titia Lanting, vond hij wel de vrouw met wie hij niet veel later zou trouwen. Eén van de cursisten ventileerde al spoedig zijn kennis van de wereldtaal op een niet alledaagse manier. In de zomer van 1935 was in Joure een wielerclub opgericht op initiatief van drie plaatselijke amateur-wielrenners: Tjitte Kootje, Sippe Halma en Sietse Hoekstra. De nieuwe club kreeg de aan het Esperanto ontleende naam Kurage Antauen (Moedig Voorwaarts). Eén van de drie oprichters: Sippe Halma. had de cursus in 'Heerlijk Zitje' gevolgd. Hij zal de naam dus wel hebben bedacht. Zo zijn we dan langs een omweg weer terecht gekomen bij het voormalige café aan de Sewey. Voormalig, want Pieter van der Zwaag zag tenslotte geen brood meer in het café. In mei 1937 sloot hij de deur achter zich. Het betekende meteen het einde van het café. Niemand durfde een nieuwe poging te wagen.Wat bleef was de woongelegenheid. Nogal wat gezinnen hebben gedurende kortere of langere tijd op het mooie hoekje aan de Sewey gewoond. Van 1937 tot 1951 woonde de familie Hotze de Kroon in de wat grotere woning rechts. Links daarvan woonde aanvankelijk A. Gietema. Latere bewoners waren Johannes Hanje (tot 1938) en Hielke Meïjer (tot 1941). In mei 1950 ruilde Jan Post zijn boerderij in Rohel voor het vroegere café en de woning daarnaast. In 1950 verhuisde de familie Post naar Joure. Tijdelijke bewoner was ook nog Jacob ten Hage. Het woonhuis rechts was van 1955 tot 1972 het domein van de familie Oostebring.Na hun vertrek hadden Jouke Woudstra en Huitje Sap, die in september 1959 al de woning naast het vroegere café hadden betrokken, het rijk alleen. Gewone Jousters, maar wel met een bijzonder levensverhaal Over deze beide mensen hopen we later wat meer te kunnen vertellen.     

Voorwoord door Marten Buis (1914-1994) Op een koude middag in de winter van 1953 kwam de Leeuwarder kunstschilder Joh. Elsinga bij ons op bezoek. Hij had net wat schilderopdrachten in Joure afgerond en maakte – voor zijn eigen plezier – een schets van de besneeuwde Kakelsteeg. Deze schets zou later de basis vormen voor een mooie ets. Tijdens de koffie vertelde hij over een man die hem op straat had aangesproken. “Ik zet dit er nog maar even op,” zei hij in het Liwadders dialect, “want ook hier in de bouw verdwijnt de mooie oude sfeer.” De reactie van de man was nuchter: “Mooie oude sfeer, zegt u? U bedoelt de armoede, de rotzooi en de stank? Dat mag van mij zo snel mogelijk verdwijnen. Onze ouders en grootouders zaten er ook al in vast. Eeuwenlang geen verandering.” In de zomer van 1954 werd de bovenbouw van de Tolhuisbrug afgekeurd, afgezaagd en nooit meer hersteld. Het water van de Kolk kwam tot stilstand. Datzelfde jaar veranderde ook sociaal Nederland: de komst van “Drees” betekende dat ouderen niet langer arm hoefden te zijn. Een nieuwe tijd brak aan – en met die tijd kwamen veel veranderingen in ons dorp. Door al die ontwikkelingen ontstond het idee om herinneringen aan het oude Joure vast te leggen, in woord en beeld. Dat idee heeft nog even moeten rijpen, maar uiteindelijk ligt het resultaat nu voor u. Ik hoop dat Binnenpaden en Buitenbeentjes u fijne momenten zal bezorgen en herinneringen oproept aan een tijd die velen van ons nog helder voor de geest staat. In het eerste hoofdstuk – “Oude land- en waterwegen” – heb ik een jeugdherinnering verwerkt die veel indruk op mij maakte. Ook andere verhalen in dit boek zijn gebaseerd op persoonlijke ervaringen. Toch heb ik geprobeerd ze zo te vertellen dat ze herkenbaar zijn voor u als lezer – want ik geloof dat veel van mijn leeftijdgenoten soortgelijke herinneringen koesteren. Tot slot wil ik mijn dank uitspreken aan iedereen die heeft geholpen bij de totstandkoming van dit boek. Dankzij bijdragen van onder meer Douwe Egberts, de Friesland Bank, Kultuerried Skasterlân, het N.M.B., het Nutsdepartement, Stichting Westermeer, de Verenigde Jouster Drukkerijen en de heer P.R. van der Zee, is dit boek mogelijk geworden. Zonder hen zou dit project niet van de grond zijn gekomen. Addendum door Max Buis, zoon van Marten Buis Met het verschijnen van dit boek op internet wordt een wens in vervulling gebracht die mijn vader ongetwijfeld zou hebben gewaardeerd. Hij vond het belangrijk om herinneringen aan het oude Joure levend te houden – niet alleen voor zijn generatiegenoten, maar juist ook voor jongere mensen die via deze verhalen een beeld krijgen van hoe het leven vroeger was. Dat zijn werk nu online beschikbaar is, maakt het mogelijk om een geheel nieuw en internationaal publiek te bereiken. Het geeft zijn woorden een tweede leven – iets waar hij met trots en dankbaarheid op zou hebben teruggekeken.

It Skipkefolk fan Sint Nyk Beschrijving van de geschiedenis van de schippers uit Sint Nicolaasga (Sint Nyk), een gemeenschap die vanaf 1834 sterk verbonden raakte met de binnenvaart. In dat jaar kreeg het dorp een bevaarbare verbinding met open water, wat leidde tot een bloeiende lokale scheepvaartsector. Rond 1850 telde Doniawerstal 42 schippers, samen goed voor 485 ton vrachtcapaciteit. Tussen 1840 en 1960 waren er in Sint Nyk zestien gezinnen die hun bestaan volledig op het water vonden. De economische omstandigheden wisselden sterk: tussen 1862 en 1876 kende de regio voorspoed, maar vanaf 1877 volgde een zware terugval. De winters van 1889 en 1890 waren dramatisch; sommige schippers zaten ‘130 dagen ingevroren’, afhankelijk van armenzorg. Rond 1904 verbeterde de situatie. Houten schepen maakten plaats voor ijzeren skûtsjes, de turfhandel bloeide en het afgraven van terpen zorgde voor extra vracht. Sint Nyk kende verschillende typen schippers: praam-, vracht-, turf- en beurtschippers. Een bekende beurtschipper was Jelle Reins de Jong, bijgenaamd Jelle Koekoek, die bekendstond om zijn sterke verhalen. Het document focust vervolgens op drie schippersfamilies die generaties lang actief waren: Agricola, Kuipers en De Jong. De familie Agricola begon met Yde Sakes Agricola (1805), waarschijnlijk de eerste turfschipper in Sint Nyk. Zijn kleinzoon Gerrit Agricola liet een nieuw skûtsje bouwen bij Wildschut in Gaastmeer. Zijn huwelijk bleef kinderloos, waarmee de familielijn als schippers eindigde. De familie Kuipers stond bekend als vaardige zeilers. Ynte Baukes Kuipers combineerde schipperen met een winkel en veehouderij. Zijn neef Hendrik en zoon Johannes waren eveneens actief op het water. Na een incident waarbij zij een brugwachter uitscholden, kregen ze een boete. Rond 1903 verliet Johannes het water vanwege concurrentie van het spoor. De familie De Jong leverde meerdere generaties schippers. Bauke Pieters en zijn zonen voeren met verschillende schepen, waaronder de Res Nova en later De Onderneming. De reizen, vooral naar Valthermond voor turf, waren zwaar en vergden veel handwerk, zoals het lossen bij lage waterstand. In de jaren ’50 werd het schip gemotoriseerd. Rond 1960 werd De Onderneming omgebouwd tot woonboot, waarmee het laatste schip uit Sint Nyk verdween.  Het complete artikel uit Ut eigen Gea nr.2 van 2004 Wanneer we over de Kade lopen, herinnert ons alleen nog het naambordje dat hier water is geweest. We gaan terug naar 1834, in dat jaar kreeg Sint Nyk een bevaarbare verbinding met open water. Al vrij snel ontwikkelde zich hier een bloeiende bedrijfstak. Doniawerstal kende in 1850 42 schippers, goed voor 485 ton. Ook Sint Nyk ging mee in de vaart der volkeren. Tussen 1840-1960 waren er maar liefst 16 gezinnen die hun brood op het water moesten verdienen. De periode kende magere en vette jaren. Economisch ging het tussen 1862 tot 1876 goed. Er werden veel woningen gebouwd en alle bouwmaterialen kwamen voor een groot gedeelte per schip naar Sint Nyk. Rond 1877 stortte de economie in en kreeg menig schipper het moeilijk. De strenge winters van 1889 en 1890 waren rampzalig. Zo zijn er gegevens dat schippersgezinnen 130 dagen ingevroren zaten, hun enige hoop was gevestigd op de armenzorg. Rond 1904 ging het beter, de houten scheepjes werden verkocht en ijzer deed zijn intrede. De turfhandel ging goed en in Friesland werd begonnen met het afgraven van de terpen om de schrale landerijen te bemesten. Sint Nyk kende verschillende soorten schippers, er waren praam-, vracht– en, turfschippers en zelfs een beurtschipper. De beurtschipper was Jelle Reins de Jong, hij voer op Sneek en woonde met zijn gezin op het schip. De Sint Nyksters kenden hem als Jelle Koekoek. Neist skipper wie Jelle ek een man fân smoute verhalen. As hy op reis wie nei Ychtenbrêge en der stie een stive wyn op ‘e Tsjûkemar dan krûpte Jelle op de hege side fan syn skip. Mei een lange bokkepoat tarre hij dan de helte fan it flak. Op ‘e weromwei pakte hy dan de oare helte. Op dyselde mar hie der ek in broerke op it âlde tsjerkhôf ferlern. Jelle fertelde as it wetter helder en stil is, kinne jimme it grêfstientsje lizzen sjen. Het zal teveel zijn om alle vracht- en turfschippers te beschrijven, dus beperk ik me tot drie families die het een aantal generaties vol hebben gehouden. Het is waarschijnlijk Yde Sakes Agricola (1805) die zich als eerste turfschipper in Sint Nyk vestigde. Yde trouwde met Antje Bosma (1805) en zij kregen 4 kinderen. Zoon Johannes Ydes (1846) werd schippersknecht, trouwde met Engelina Derksen (1843) en zij kregen drie dochters en één zoon. Deze zoon, Gerrit (1875), trouwde met Elisabeth de Vries en de oudere Sint Nyksters weten zich nog te herinneren dat Gerrit Schipper op de Kade woonde, waar je turf, aardappelen, wortelen en raapjes kon kopen. Gerrit was een schipper die van deugdelijk materiaal hield, hij liet bij Wildschut in Gaastmeer een nieuw skûtsje bouwen. De prijzen bedroegen in die tijd ƒ 100,00 per tonnage. Het huwelijk van Gerrit en Elisabeth kende geen kinderen en zo raakte er een einde aan de schippersfamilie Agricola. De tweede familie die eruit springt, zijn de Kuipersen. Op de Lemmerweg woonde Ynte Baukes Kuipers (1833). Hij was naast schipper ook winkelier en koemelker. Als schippersknecht woonde zijn neef Hendrik Tietes Kuipers (1835) bij hen in. Ynte was getrouwd  met Trijntje Johanna Rijpkema, zij kregen 7 kinderen, waaronder zoon Johannes, die schippersknecht werd bij de familie. In de familie Kuipers zaten 'betûfte' zeilers; in 1897 en 1901 wonnen ze resp. een eerste en een tweede prijs op Langweer. De lef en brutaliteit van het hardzeilen pakte voor Hendrik en Johannes op 21 juni 1902 verkeerd uit. De rechtbank van Leeuwarden veroordeelde de heren wegens het beledigen van brugwachter Auke Leenstra van Nyezyl onder Oosthem. Het taalgebruik als 'aap' en 'smeerlap' werd niet getolereerd met als gevolg een boete van ƒ 5,00 en te  betalen binnen 2 maanden, zo niet dan een hechtenis van 5 dagen. Johannes trouwde met Akke Obes Veltman en ze vertrokken naar Sloten. Hendrik Tietes (1836) trouwde met Reinske Johannes Hettinga (1843) en werd zelfstandig schipper. Hun zoon Johannes (1873) trouwde met Elske Wiebes Jonkman (1877). Johannes probeerde het nog maar het spoor werd zijn grote concurrent. Rond 1903 verliet hij het water en ging werken bij het spoor als perronmedewerker. De laatste familie is de familie De Jong. Op de Lemmerweg woonden Pieter de Jong (1818), timmerman en Wikjen de Vries (1826). Ze kregen 4 kinderen, waaronder de jongens Bauke Pieters (1855) en Hylke Pieters (1859), die hun werk op het water zochten. De jongste van de twee, Hylke Pieters, trouwde met Feikje Hylkes Veldman; ze kochten het skûtsje 'op Hoop van Zegen'. De vracht bestond uit turf, zand of modder. Zoon Pieter (1892) voelde weinig voor het water en het schip werd rond 1935 verkocht aan de kermisman Dirk Arjaans, die geen turf of modder onder de luiken wilde maar een luchtschommel en oliebollenkraam. Jaarlijks kwam het skûtsje nog in Sint Nyk, een zegen voor het jongvolk, die bij windstilte de schipper verdienstelijk was door in de ‘beage’ te lopen. De oudste zoon, Bauke Pieters, trouwde met de schippersdochter Gatske Jozephs de Jong (1866). Het gezin kreeg een Wikje, Pieter, Bauke, Jozeph, Aaltsje en Akke. Bauke Pieters zijn eerste schip was een snik, deze bleek al snel te klein en hij kocht een skûtsje. Toen Bauke Pieters ouder werd, gaf hij het helmhout over aan de zonen Pieter en Jozeph. Dochter Akke ging ook mee aan boord voor het huishoudelijke werk. Het is bekend dat dit driemanschap wel eens met een natte lading turf thuiskwam. De oud-schipper die zijn kinderen opwachtte was dan slecht te spreken over de waaghalzende taferelen van zijn kinderen. Pieter trouwde met Julia Jellesma en Jozeph bleef op de wal, die met Gerrit Agricola de brandstoffenhandel 'Firma Agricola/De Jong' begon. Pieter Baukes verkocht het skûtsje en kocht in Zwolle een Hasselter aak 'Res Nova' (nieuwe zaak) van 60 ton. Ook dit schip bleek al snel te klein en werd verlengd naar 82 ton en heette voortaan 'de Onderneming'. De vracht bestond uit turf, kleimodder of suikerbieten. De turf kwam uit Valthermond en voor het gezin De Jong was dit een vakantiereis. Op de plaats van bestemming werd het schip zorgvuldig geladen met turf. Zondags ging de familie eerst naar de kerk in Emmen, daarna een uitstapje naar de dierentuin. Op de terugweg was het vakantiegevoel snel over. Ze moesten door 80 bruggen en bij een lage waterstand werd 'de Onderneming' met lieren door de modder getrokken. Op Scharsterbrug of Follega moest een groot gedeelte van de lading worden gelost. Met paard en wagen ging dit naar de bakkers. Nu kon uiteindelijk gedacht worden aan de thuishaven. In de jaren '50 werden de zeilen vervangen door een motor en stuurhut. Rond 1960 kreeg 'de Onderneming' een nieuwe bestemming. Timmerman Bertus Steneker verbouwde het schip tot woonboot voor Theo Pieters, deze ging er op wonen in Rinsumageest en zo verliet het laatste schip de kade van Sint Nyk.

It bakkerijtsje giet plat Het verhaal schetst de lange geschiedenis van het bakkerijtje op het plein in Sint Nicolaasga, een plek die bijna twee eeuwen lang het dorp van brood en banket voorzag. De eerste duidelijke vermelding dateert uit 1827, wanneer Jacob Hendriks van der Pol de bakkerij verkoopt aan Pieter Jans Jagtman. Het pand, gebouwd in 1823, ligt centraal in het dorp en wordt omschreven als een nette, goedlopende bakkerij. Jagtman werkt er tot 1838. Daarna neemt Hendrik Wijtzes Bakker, afkomstig uit Sloten, de zaak over. Samen met zijn vrouw Dotje Landman bouwt hij het bedrijf verder uit. Na Dotjes overlijden in 1867 neemt dochter Yke de huishouding en winkel over. Yke blijft ongehuwd en staat bekend als een sociaal bewogen vrouw die veel betekent voor de armen in het dorp. Zij runt de bakkerij met hulp van knechten tot 1905, wanneer ze de zaak overdraagt aan Age Catharinus Boersma en zelf verhuist naar de Kerkstraat. Boersma en zijn vrouw Jantje Mous krijgen vier kinderen, maar geen van hen wil de bakkerij voortzetten. In 1938 komt het jonge stel Klaas van der Werf en Sjoeke Wortman toevallig in Sint Nyk terecht. Klaas wordt bakkersknecht bij Boersma en neemt in 1945 de zaak over. De bakkerij moderniseert geleidelijk: van takkenbossen naar turf, later olie, en na een brand in 1949 naar een gasgestookte oven. De brand verwoest de oude takkenschuur, maar leidt uiteindelijk tot een nieuwe, moderne bakkerij. In 1978 stookt Klaas van der Werf de oven voor de allerlaatste keer op. Daarmee komt een einde aan 176 jaar bakkersgeschiedenis op het plein, gedragen door zes generaties bakkersfamilies. Mevrouw Van der Werf kijkt later met warmte terug op een leven van hard werken en verbondenheid met het dorp. Het bakkerijtje verdwijnt, maar blijft een dierbaar stukje Sint Nykster geschiedenis.